Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: 2

3:2
Ps. 119:137
Toev.Dan. 1:4-9
‘Heer, u bent rechtvaardig, alles wat u doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld. 3
3:3
Ex. 34:7
Ps. 79:8
Dan. 9:5-6
Bar. 1:17-18
Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen u gezondigd 4
3:4
Deut. 28:48
Bar. 2:4-5
3:8
en uw geboden niet in acht genomen. Daarom hebt u ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. 5Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn u niet trouw gebleven. 6
3:6
Num. 11:15
1 Kon. 19:4
Job 7:15
Jona 4:3,8
Doe daarom met mij wat u wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige verwijten die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van me af, Heer, want het is beter dat ik sterf dan dat ik in ellende moet leven en me vals moet laten beschuldigen.’

Sara beledigd

7Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguel uit Ekbatana in Medië, door een van de slavinnen van haar vader beledigd. 8Sara was al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest Asmodeüs had ze allemaal in de huwelijksnacht gedood, nog voordat ze – zoals gebruikelijk is in de huwelijksnacht – gemeenschap met haar hadden gehad. De slavin wierp haar voor de voeten: ‘U vermoordt al uw echtgenoten. Aan maar liefst zeven mannen bent u al uitgehuwelijkt, maar van niet één draagt u de naam. 9Moet u óns mishandelen omdat uw echtgenoten zijn gestorven? Ga ze liever achterna, dan wordt ons tenminste voor altijd een kind van u bespaard.’

10

3:10
Gen. 37:35
42:38
44:29-31
Tob. 6:15
Huilend van verdriet vluchtte Sara naar de bovenverdieping van haar vaders huis. Ze wilde zich daar verhangen, maar kwam tot bezinning en dacht: Ze zullen tegen mijn vader zeggen: ‘Je enige kind, je dochter van wie je zoveel hield, heeft zich van ellende verhangen.’ Wat een schande zal dat voor hem zijn op zijn oude dag. Hij zal nog van verdriet sterven. Nee, dat kan ik hem niet aandoen. Ik mag me niet verhangen. Het is beter dat ik de Heer vraag of hij me wil laten sterven; dan hoef ik nooit meer van die valse beschuldigingen aan te horen. 11
3:11
Ps. 28:2
134:2
Dan. 6:11
Ze ging naar het raam, hief haar handen omhoog en bad: ‘Geprezen bent u, barmhartige God, uw naam zij voor eeuwig en altijd geprezen. Laat heel uw schepping u tot in eeuwigheid prijzen. 12Ik wend mij tot u, ik sla mijn ogen naar u op. 13Bevrijd me toch van deze wereld, laat me nooit meer zo worden beledigd. 14U weet, Heer, dat nog geen enkele man mijn zuiverheid bezoedeld heeft 15en dat ik in dit land waar ik als balling leef, mijn naam nooit te schande heb gemaakt, en ook niet die van mijn vader. Ik ben zijn enige kind, hij heeft geen andere erfgenaam dan ik. En er is in onze hele familie niemand meer wiens vrouw ik zou kunnen worden. Er zijn al zeven mannen van me omgekomen. Waarom zou ik nog moeten leven? Maar als u mij niet wilt laten sterven, Heer, sla dan tenminste acht op de schande die me is aangedaan.’

De gebeden van Tobit en Sara verhoord

16

3:16
Tob. 12:12
De gebeden van Tobit en Sara vonden op hetzelfde moment gehoor voor de troon van God. 17
3:17
Tob. 6:12
Hij stuurde de engel Rafaël om hen te bevrijden: Tobit van zijn blindheid, zodat hij weer het licht zou zien dat door God geschapen is, en Sara, de dochter van Raguel, van de boze geest Asmodeüs, zodat ze aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw kon worden gegeven. Want van alle mannen die Sara als vrouw wilden hebben, kwam het Tobias het meest toe met haar te trouwen. Op het moment dat Tobit van de binnenplaats zijn huis binnenging, ging Sara, de dochter van Raguel, van de bovenverdieping naar beneden.

4

Tobits afscheidswoorden

41

4:1
Tob. 1:14
Diezelfde dag dacht Tobit aan het geld dat hij Gabaël uit Rages, in Medië, in bewaring had gegeven. 2Hij zei bij zichzelf: Ik heb om de dood gevraagd, dus zou het niet verstandig zijn om voordat ik sterf Tobias over dat geld in te lichten? 3
4:3
Ex. 20:12
Spr. 23:22
Hij riep hem bij zich en zei: ‘Begraaf me op gepaste wijze. Toon eerbied voor je moeder, laat haar zolang ze leeft niet in de steek, doe wat haar vreugde geeft en bezorg haar nooit verdriet. 4
4:4
Sir. 7:27
Houd altijd voor ogen dat ze veel voor jou heeft moeten doorstaan toen ze je in haar schoot droeg. Wanneer ze sterft, moet je haar naast mij in hetzelfde graf begraven. 5En, jongen, denk altijd aan de Heer, je leven lang. Pas op dat je niet zondigt en zijn geboden niet overtreedt. Handel elke dag van je leven rechtvaardig, ga nooit de weg van het onrecht, 6-7
4:6-7
Deut. 15:7-8,11
Spr. 3:27
19:17
Tob. 12:8-10
13:6
Sir. 4:1-6
Mat. 6:1-4
Joh. 3:21
1 Joh. 3:17
want4:7-18 Aangevuld vanuit de korte tekst. wie eerlijk leeft zal slagen in alles wat hij doet. Ondersteun met je bezittingen iedereen die een rechtvaardig leven leidt; en wanneer je iemand helpt, doe het dan niet met tegenzin. Wend je blik niet af van iemand die in nood zit, dan zal God zijn blik niet van jou afwenden. 8
4:8
Sir. 35:12
Wanneer je veel bezit, geef dan ook ruimhartig. Wanneer je zelf maar weinig bezit, aarzel dan niet om van dat beetje toch te geven. 9
4:9
Sir. 29:12
De hulp die je geeft is de beste investering voor moeilijke tijden 10en behoedt je voor het duister van de dood. 11
4:11
Sir. 3:31
Wie de armen helpt, brengt een offer dat de Allerhoogste welgevallig is. 12
4:12
Gen. 11:31
24:3-4
25:20
28:1-2
29:15-30
Recht. 14:3
Onthoud je van een onrein huwelijk, trouw alleen met een vrouw uit de stam van je vader en voorouders. Kies beslist geen andere vrouw, want wij stammen van profeten af. Denk aan Noach, Abraham, Isaak en Jakob, onze allereerste voorouders; ze trouwden alle vier met een vrouw uit hun eigen familie, ze werden gezegend met kinderen, en hun nageslacht zal het land bezitten. 13Heb je eigen volk lief, jongen, voel je niet te goed om een vrouw te kiezen uit hun midden, uit de vrouwen van je eigen volk. Hoogmoed leidt alleen maar tot ellende en ontreddering, en luiheid tot verval en bittere armoede, want luiheid is de moeder van de honger. 14
4:14
Lev. 19:13
Deut. 24:15
Iemand die voor je gewerkt heeft, moet je nog op dezelfde dag zijn loon uitbetalen. Stel het niet uit. Wanneer je God zo dient, word ook jij beloond. Neem jezelf in acht bij alles wat je doet en gedraag je altijd zoals wij je hebben opgevoed. 15
4:15
Spr. 23:31
Mat. 7:12
Luc. 6:31
Doe een ander niets aan dat je zelf verafschuwt. Bedrink je niet aan wijn, ga niet als een dronkaard door het leven. 16
4:16
Deut. 15:10
Jes. 58:7
Mat. 25:35-36
2 Kor. 9:7
Laat wie honger heeft delen in je brood en wie geen kleren heeft in je kleding. Alles wat je kunt missen moet je weggeven, zonder dat je het betreurt. 17Wanneer een rechtschapen mens sterft, houd dan een maaltijd voor zijn nabestaanden, maar doe dat niet bij de dood van een zondaar. 18Win de raad in van ieder wijs mens en sla geen enkel bruikbaar advies in de wind. 19
4:19
1 Sam. 2:7
Ps. 119:10,12,26,33
Prijs God, de Heer, altijd en vraag hem om je over rechte wegen te leiden en je te laten slagen in alles wat je doet. Er is geen enkel volk dat wijsheid bezit, alleen de Heer geeft wijsheid. Hij verstoot wie hij maar wil tot in het diepst van het dodenrijk. Jongen, denk altijd aan deze raadgevingen, neem ze altijd ter harte.

20Welnu, je moet weten dat ik in Rages in Medië bij Gabaël, de broer van Gabri, een bedrag van tien talent zilver in bewaring heb gegeven. 21

4:21
Sir. 11:21-22
1 Tim. 6:6
Maak je dus geen zorgen over onze armoede, want wanneer je ontzag hebt voor God wacht je een groot vermogen. Ga elke zonde uit de weg en doe wat de Heer, je God, welgevallig is.’

5

Tobias op reis met Rafaël

51Tobias antwoordde: ‘Vader, ik zal alles doen wat u me opgedragen hebt, 2maar hoe kan ik het geld bij Gabaël ophalen? We kennen elkaar niet. Hoe moet ik hem laten weten wie ik ben, zodat hij me vertrouwt en mij het geld geeft? Bovendien weet ik niet hoe ik in Medië moet komen.’ 3‘Gabaël en ik hebben een ontvangstbewijs getekend,’ zei Tobit, ‘en dat heb ik in tweeën gedeeld. We hebben allebei een stuk; het zijne heb ik bij het geld gelegd. Het is nu twintig jaar geleden dat ik hem het geld in bewaring heb gegeven. Zoek een betrouwbare reisgenoot. We zullen hem voor de hele reis betalen. Kom, ga het geld bij Gabaël ophalen.’

4Hierop ging Tobias op zoek naar iemand die met hem naar Medië kon reizen, iemand die wist hoe je daar moest komen. Hij liep naar buiten – en daar stond Rafaël voor hem (een engel van God, maar dat wist hij niet). 5‘Waar kom je vandaan?’ vroeg hij hem. ‘Ik ben net als jij een Israëliet,’ antwoordde Rafaël. ‘Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.’ Tobias vroeg: ‘Ken je de weg naar Medië?’ 6

5:6
Tob. 1:14
‘Zeker,’ zei Rafaël, ‘ik ben daar vaak geweest en ken er alle wegen. Als ik ernaartoe ging, overnachtte ik altijd bij Gabaël, een volksgenoot van ons die in Rages woont. Rages ligt in de bergen, twee dagreizen van Ekbatana, dat in de vlakte ligt.’ 7Toen Tobias dat hoorde, vroeg hij Rafaël op hem te wachten. ‘Ik moet dit aan mijn vader vertellen,’ zei hij, ‘want ik heb je nodig als reisgenoot. Je zult ervoor worden betaald.’ 8‘Goed,’ antwoordde Rafaël, ‘ik wacht, maar blijf niet te lang weg.’

9Tobias ging het huis in en vertelde Tobit dat hij iemand gevonden had, een Israëliet. ‘Vraag of hij bij me komt,’ zei Tobit. ‘Ik moet weten uit welke familie en stam hij komt en of hij als reisgenoot betrouwbaar is.’ 10Tobias ging weer naar buiten en zei tegen Rafaël: ‘Mijn vader vraagt of je bij hem komt.’ Rafaël ging mee naar binnen, Tobit groette hem, en Rafaël groette terug: ‘Moge u veel goeds ten deel vallen.’ ‘Ach,’ zei Tobit, ‘wat voor goeds zou er voor mij nog kunnen zijn? Ik ben een blinde man, ik kan niets meer zien. Ik verkeer in de duisternis, net als de doden, die ook het licht niet meer zien. Ik leef, maar ben eigenlijk al gestorven. Ik hoor de mensen praten, maar zien kan ik ze niet.’ ‘Houd moed,’ zei Rafaël, ‘God zal u spoedig genezen, dus houd moed.’ Tobit vertelde dat Tobias van plan was naar Medië te reizen. ‘Wil jij hem als gids vergezellen?’ vroeg hij. ‘Ik zal je uiteraard betalen.’ ‘Dat wil ik zeker,’ zei Rafaël. ‘Ik ben vaak in Medië geweest en weet er goed de weg. Ik ben over elke vlakte en door alle bergen getrokken en ken er ieder weggetje.’ 11Hierop vroeg Tobit of Rafaël wilde vertellen wat zijn afkomst was en uit welke stam hij kwam. 12Rafaël zei echter: ‘Waarom wilt u dat weten?’ ‘Omdat ik nu eenmaal precies wil weten wie je bent,’ herhaalde Tobit. ‘Vertel me je naam.’ 13Rafaël antwoordde toen: ‘Ik heet Azarias en ben een zoon van de vermaarde Ananias, die uit uw eigen stam komt.’ 14‘Welkom, vriend,’ zei Tobit. ‘Moge het je goed gaan. Neem me niet kwalijk dat ik zekerheid over je afkomst wilde hebben. Nu weet ik dat je inderdaad een stamgenoot bent en uit een goede en eerbiedwaardige familie komt. Ik heb Ananias en Natan, de zonen van de vermaarde Semelias, goed gekend. Ze gingen altijd met me mee op bedevaart naar Jeruzalem en zijn de Heer altijd trouw gebleven. Je behoort tot een goede familie, op je afstamming is niets aan te merken. Wees welkom.’ 15En Tobit voegde hieraan toe: ‘Ik betaal je een drachme per dag en voor je onkosten krijg je evenveel als mijn zoon. En als je de hele reis bij hem blijft, 16krijg je ook nog een extra bedrag.’ Rafaël zei: ‘Ik zal een goede reisgenoot zijn. U hoeft u nergens zorgen over te maken. Er zal ons niets overkomen, niet op de heenreis en niet op de terugreis, want we nemen een veilige weg.’ 17

5:17
Gen. 24:7,40
‘Moge Gods zegen met je zijn, vriend,’ antwoordde Tobit.

Hij riep zijn zoon en droeg hem op zich klaar te maken om met zijn reisgenoot te vertrekken. Hij wenste hem toe: ‘Moge God in de hemel jullie beschermen en gezond bij mij terugbrengen. Moge een engel jullie onderweg beschermen.’ Bij zijn vertrek kuste Tobias zijn vader en moeder. Tobit wenste hem een goede reis, 18maar Anna moest huilen. ‘Waarom stuur je mijn kind op reis?’ verweet ze Tobit. ‘Is hij niet in alles onze steun en toeverlaat? 19Wat moeten we met dat geld. Ik heb liever ons kind. 20Laten we toch tevreden zijn met het leven dat de Heer ons gegeven heeft.’ 21Maar Tobit stelde haar gerust: ‘Wees niet bang. Ons kind zal op zijn reis niets overkomen, hij komt weer gezond bij ons terug. Beslist, je zult hem weer veilig en wel terugzien. Dus je hoeft niet bang te zijn, lieve vrouw, maak je geen zorgen om hem, 22want hij wordt vast en zeker beschermd door een goede engel. Hij zal een voorspoedige reis hebben en weer gezond terugkomen.’