Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Strijd en lijden

21U dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is.

2En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen,

2:2
Tit. 1:5
vertrouw dat toe aan trouwe mensen die bekwaam zijn om ook anderen te onderwijzen.

3Lijd verdrukkingen als een goed soldaat van Jezus Christus.

4

2:4
1 Kor. 9:25
Niemand die in het leger dient, wordt verwikkeld in de zaken van het levensonderhoud, opdat hij hem kan behagen die hem voor de krijgsdienst aangenomen heeft.

5En ook als iemand aan een wedstrijd deelneemt, krijgt hij geen krans als hij de spelregels niet in acht heeft genomen.2:5 de spelregels niet in acht heeft genomen - Letterlijk: niet wettig gestreden heeft.

6

2:6
1 Kor. 9:10
De landbouwer die zware arbeid verricht, moet als eerste in de vruchten delen.

7Denk na over wat ik zeg, maar laat de Heere u inzicht geven in alle dingen.

8Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het nageslacht van David, overeenkomstig mijn Evangelie.

9

2:9
Efez. 3:13
Kol. 1:24
Daarvoor lijd ik verdrukkingen
2:9
Efez. 3:1
4:1
Filipp. 1:7
Kol. 4:3,18
2 Tim. 1:8
en draag zelfs boeien als een misdadiger. Maar het Woord van God is niet gebonden.

10Daarom verdraag ik alles ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid in Christus Jezus zouden verkrijgen, met eeuwige heerlijkheid.

11Dit is een betrouwbaar woord.

2:11
Rom. 6:8
Want als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven.

12

2:12
Rom. 8:17
2 Kor. 4:10
Filipp. 3:10
1 Petr. 4:13
Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren.
2:12
Matt. 10:33
Mark. 8:38
Luk. 9:26
12:9
Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen.

13

2:13
Num. 23:19
Rom. 3:3
9:6
Als wij ontrouw zijn, blijft Hij getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

De houding jegens de dwaalleraars

14Breng deze dingen in herinnering en bezweer hun, ten overstaan van de Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, die nergens toe dient dan tot de ondergang van de hoorders.

15Beijver u om uzelf welbeproefd voor God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen en die het Woord van de waarheid recht snijdt.

16

2:16
1 Tim. 1:4
4:7
6:20
Tit. 1:14
3:9
Maar ontwijk onheilige, inhoudsloze praat. Want zij die dat doen, zullen steeds meer in goddeloosheid toenemen.

17En hun woord zal zich uitzaaien als kanker; onder hen bevinden zich Hymeneüs en Filetus.

18Zij zijn van de waarheid afgeweken door te beweren dat de opstanding reeds heeft plaatsgevonden, en breken het geloof van sommigen af.

19Toch blijft het vaste fundament van God staan, met dit zegel:

2:19
Joh. 10:14
De Heere kent wie van Hem zijn, en: Ieder die de Naam van Christus noemt, moet zich ver houden van de ongerechtigheid.

20

2:20
Rom. 9:21
Maar in een groot huis zijn niet alleen voorwerpen van goud en van zilver, maar ook van hout en aardewerk. Sommige zijn voor eervol, maar andere voor oneervol gebruik.

21Als iemand zich dan hiervan reinigt, zal hij een voorwerp zijn voor eervol gebruik, geheiligd en van veel nut voor de Heere, voor elk goed werk gereedgemaakt.

22

2:22
1 Tim. 6:11
Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd. Jaag rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede na, samen met hen die de Heere aanroepen uit een rein hart.

23

2:23
1 Tim. 1:4
6:4
Tit. 3:9
En verwerp de dwaze en onverstandige strijdvragen, in het besef dat zij conflicten voortbrengen.

24Een dienstknecht van de Heere moet geen ruzie maken, maar vriendelijk zijn voor allen,

2:24
1 Tim. 3:2
bekwaam om te onderwijzen, en iemand die de kwaden kan verdragen.

25

2:25
Gal. 6:1
Hij moet met zachtmoedigheid hen onderwijzen die zich verzetten. Misschien geeft God hun eens bekering, zodat zij tot erkenning van de waarheid komen

26en zij weer mogen ontwaken uit de strik van de duivel, door wie zij levend gevangen waren om zijn wil te doen.

3

De ontaarding in de laatste dagen

31En

3:1
1 Tim. 4:1
2 Petr. 2:3
weet dit dat in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken.

2Want de mensen zullen liefhebbers zijn van zichzelf, geldzuchtig, grootsprekers, hoogmoedig, lasteraars, hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,

3zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed, zonder liefde voor het goede,

4verraders, roekeloos, verwaand, meer liefhebbers van zingenot dan liefhebbers van God.

5Zij hebben een schijn van godsvrucht, maar hebben de kracht ervan verloochend.

3:5
Matt. 18:17
Rom. 16:17
2 Thess. 3:6
Tit. 3:10
Keer u ook van hen af.

6

3:6
Matt. 23:14
Tit. 1:11
Want tot hen behoren zij die de huizen binnensluipen en vrouwtjes in hun macht krijgen die met zonden beladen zijn en door allerlei begeerten gedreven worden,

7die altijd leren en nooit tot kennis van de waarheid kunnen komen.

8

3:8
Ex. 7:11
Op de wijze waarop Jannes en Jambres tegen Mozes in gingen, zo gaan ook zij tegen de waarheid in. Het zijn mensen met een verdorven gezindheid en, wat het geloof betreft, verwerpelijk.

9Maar zij zullen het niet veel verder brengen, want hun dwaasheid zal voor ieder volstrekt duidelijk worden, zoals dat ook bij die twee het geval was.

Vasthouden aan de Schriften en aan de gezonde leer

10Maar ú hebt mij nagevolgd in mijn onderwijs, levenswandel, levensopvatting, geloof, geduld, liefde, volharding,

11

3:11
Hand. 13:50
in mijn vervolgingen en lijden zoals die mij overkomen zijn in Antiochië, in
3:11
Hand. 14:2
Ikonium en
3:11
Hand. 14:19
in Lystre. Wat heb ik al niet aan vervolgingen doorstaan,
3:11
Ps. 34:20
2 Kor. 1:10
en uit die alle heeft de Heere mij verlost.

12

3:12
Matt. 16:24
Luk. 24:26
Joh. 17:14
Hand. 14:22
1 Thess. 3:3
En ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden.

13Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger gaan: zij misleiden en worden misleid.

14Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent, omdat u weet van wie u het geleerd hebt,

15en u van jongs af de heilige Schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is.

16

3:16
2 Petr. 1:21
Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid,

17opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.

4

41Ik

4:1
Rom. 1:9
9:1
2 Kor. 1:23
11:31
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Thess. 2:5
1 Tim. 5:21
6:13
bezweer u, ten overstaan van God en de Heere Jezus Christus, Die levenden en doden zal oordelen bij Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:

2predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen. Weerleg, bestraf, vermaan, en dat met alle geduld en onderricht.

3Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten.

4Ze zullen hun gehoor van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.

5Maar u, wees nuchter in alles. Lijd verdrukkingen. Doe het werk van een evangelist. Vervul uw dienstwerk ten volle.

Paulus voorziet zijn heengaan

6

4:6
2 Petr. 1:14
Ik word immers reeds als een plengoffer uitgegoten en het tijdstip van mijn heengaan4:6 mijn heengaan - Letterlijk: mijn losgemaakt worden. is aanstaande.

7Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden.

8

4:8
1 Kor. 9:25
1 Petr. 5:4
Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal. En niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad.

Mededelingen en opdrachten

9Beijver u om spoedig naar mij toe te komen,

10want

4:10
Kol. 4:14
Demas heeft mij verlaten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen. Hij is naar Thessalonica vertrokken, Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.

11

4:11
Kol. 4:14
Alleen Lukas is bij mij. Haal
4:11
Hand. 15:37
Kol. 4:10
Markus op en breng hem met u mee, want hij is voor mij van veel nut voor de ambtelijke bediening.

12

4:12
Hand. 20:4
Kol. 4:7
Maar Tychikus heb ik naar Efeze gestuurd.

13Breng, wanneer u komt, de reismantel mee die ik in Troas bij Karpus achtergelaten heb, en de boeken, vooral de perkamenten.

14

4:14
1 Tim. 1:20
Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad aangedaan. Moge de Heere hem vergelden naar zijn werken.

15Wees ook zelf voor hem op uw hoede, want hij is krachtig tegen onze woorden ingegaan.

16Bij mijn eerste verdediging was er niemand die mij bijstond, maar zij hebben mij allen verlaten. Moge het hun niet toegerekend worden.

17Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij kracht gegeven, opdat door mij de prediking volbracht zou worden en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.

18En de Heere zal mij bevrijden van alle boze opzet en mij verlossen tot de komst van Zijn hemels Koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.

Groeten en zegenbede

19Groet

4:19
Hand. 18:2
Rom. 16:3
Prisca en Aquila, en het huis van Onesiforus.

20Erastus is in Korinthe gebleven en Trofimus heb ik in Milete ziek achtergelaten.

21Beijver u om voor de winter te komen. U groeten Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle broeders.

22De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met u allen. Amen.