Herziene Statenvertaling (HSV)
67

De volken zullen God loven

671Een psalm, een lied, voor de koorleider, bij snarenspel.

2God zij ons genadig en zegene ons;

67:2
Num. 6:25
Ps. 4:7
Hij doe Zijn aangezicht over ons lichten. Sela

3Dan zal men op de aarde Uw weg kennen,

onder alle heidenvolken Uw heil.

4De volken zullen U, o God, loven;

de volken zullen U loven, zij allen.

5De natiën zullen zich verblijden en juichen,

omdat U de volken rechtvaardig zult oordelen;

de natiën op de aarde zult U leiden. Sela

6De volken zullen U, o God, loven;

de volken zullen U loven, zij allen.

7De aarde heeft haar opbrengst gegeven;

God, onze God, zegent ons.

8God zegent ons

en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.

68

Overwinningslied

681Een psalm, een lied van David, voor de koorleider.

2

68:2
Num. 10:35
God staat op, Zijn vijanden worden overal verspreid;

wie Hem haten, vluchten voor Zijn aangezicht.

3U verdrijft hen, zoals rook verdreven wordt;

zoals was smelt voor vuur

komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.

4Maar de rechtvaardigen verblijden zich,

zij springen op van vreugde voor Gods aangezicht

en zijn van blijdschap vrolijk.

5Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;

baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,

want HEERE is Zijn Naam;

spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.

6Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:

dát is God in Zijn heilige woning;

7een God Die eenzamen in een huisgezin plaatst,

Die gevangenen uitleidt in voorspoed;

maar de opstandigen wonen in een dor land.

8O God, toen U voor Uw volk uittrok,

toen U voortschreed door de wildernis, Sela

9

68:9
Ex. 19
beefde de aarde,

ook droop de hemel voor Gods aangezicht;

zelfs deze Sinaï beefde,

voor het aangezicht van God, de God van Israël.

10U hebt zeer milde regen doen druipen, o God;

Ú hebt Uw eigendom versterkt,

toen het uitgeput raakte.

11Uw kudde woonde daar;

U maakte Uw eigendom door Uw goedheid gereed

voor de ellendige, o God.

12De Heere gaf stof tot spreken;

de boodschapsters van goede tijding vormden een groot leger.

13De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij vluchtten weg;

maar zij die thuis bleef, deelde de buit uit.

14Al lag u tussen twee rijen ovenstenen,

toch zult u schitteren als vleugels van een duif, overtrokken met zilver

en zijn veren met bewerkt groenglanzend goud.

15Toen de Almachtige de koningen in het land overal verspreidde,

sneeuwde het op de berg Zalmon.

16De berg Basan is een machtige berg,68:16 machtige berg - Letterlijk: berg van God.

de berg Basan is een berg met vele toppen.

17Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst

naar

68:17
Ps. 87:1,2
132:13
deze berg, die God als Zijn woning heeft begeerd?

Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.

18De strijdwagens van God zijn tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden.

De Heere is bij hen, een Sinaï in heiligheid.

19

68:19
Efez. 4:8
U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,68:19 gevangenen weggevoerd - Letterlijk: gevangenen als gevangenen weggevoerd.

U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen,

ja, ook aan opstandigen: om bij U te wonen, HEERE God!

20Geloofd zij de Heere;

dag aan dag overlaadt Hij ons.

Die God is onze zaligheid. Sela

21Die God is ons een God van volkomen zaligheid;

bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.

22Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren,

de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.68:22 wie … doorgaat - Letterlijk: wie in zijn schulden wandelt.

23De Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit

68:23
Num. 21:33
Basan;

Ik breng u terug uit

68:23
Ex. 14:29
de diepten van de zee,

24opdat u uw voet kunt baden in bloed,

en de tong van uw honden zijn deel krijgt van de vijanden.

25O God, zij hebben Uw intocht gezien,

de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.

26De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,

in het midden de trommelende meisjes.

27Loof God in de samenkomsten,

loof de Heere, u die voortkomt uit de bron van Israël.

28Daar is Benjamin, de kleine, die over hen heerste,

daar zijn de vorsten van Juda, hun gezelschap,

de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.

29Uw God heeft uw kracht aan u geboden;

versterk, o God, wat U aan ons gedaan hebt!

30Omwille van Uw tempel in Jeruzalem

zullen koningen U

68:30
1 Kon. 10:10,24,25
2 Kron. 32:23
Ps. 72:10
76:12
geschenken brengen.

31Bestraf de wilde dieren in het riet,

de horde stieren onder de kalveren van de volken,

hem die zich onderwerpt met stukken zilver.

Hij heeft de volken uitgestrooid die vreugde vinden in oorlog.

32Vorstelijke gezanten zullen uit Egypte komen,

Cusj zal zich haasten zijn handen naar God uit te strekken.

33Koninkrijken van de aarde, zing voor God;

zing psalmen voor de Heere, Sela

34Die rijdt door de aloude hemel der hemelen;

zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht.

35Geef macht aan God;

Zijn majesteit is over Israël

en Zijn macht tot in de wolken.

36O God, U bent ontzagwekkend vanuit Uw heiligdommen;

de God van Israël, Hij geeft het volk kracht en sterkte.

Geloofd zij God!

69

Gebed om redding

691Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De lelies’.

2Verlos mij, o God,

want het water is tot aan de ziel gekomen.

3Ik ben gezonken in bodemloze modder,

waarin men niet kan staan;

ik ben gekomen in de waterdiepten

en de vloed overspoelt mij.

4Ik ben moe van mijn roepen,

mijn keel is ontstoken;

mijn ogen zijn bezweken,

omdat ik steeds hoop op mijn God.

5Wie mij zonder reden haten,

zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd;

wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn,

zijn machtig geworden;

wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven.

6O God, Ú weet van mijn dwaasheid,

mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

7Laat door mij niet beschaamd worden

wie U verwachten, Heere, HEERE van de legermachten;

laat door mij niet te schande worden

wie U zoeken, o God van Israël.

8Want ter wille van U draag ik smaad,

schande heeft mijn gezicht bedekt.

9Een vreemde ben ik geworden voor mijn broeders,

een onbekende voor de kinderen van mijn moeder.

10

69:10
Joh. 2:17
Rom. 15:3
Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd;

al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.

11Ik weende, terwijl mijn ziel vastte,

maar het werd mij tot allerlei smaad.

12Ik deed een rouwgewaad aan als mijn kleed,

maar ik werd hun tot een spreekwoord.

13Wie in de poort zitten, praten over mij,

ik ben een spotlied van wie sterkedrank drinken.

14Maar wat mij betreft, mijn gebed richt zich tot U, HEERE;

er is een tijd van welbehagen, o God,

vanwege Uw grote goedertierenheid;

verhoor mij in de trouw van Uw heil.

15Ontruk mij aan het slijk en laat mij niet wegzinken,

laat mij gered worden van wie mij haten,

en uit de waterdiepten.

16Laat de watervloed mij niet overspoelen,

de diepte mij niet verslinden,

de put zijn mond boven mij niet sluiten.

17Verhoor mij, HEERE, want Uw goedertierenheid is rijk;69:17 rijk - Letterlijk: goed.

zie mij aan naar Uw grote barmhartigheid.

18Verberg Uw aangezicht niet voor Uw dienaar,

want de angst benauwt mij; verhoor mij spoedig.

19Nader tot mijn ziel, bevrijd haar;

verlos mij omwille van mijn vijanden.

20Ú kent mijn smaad en mijn schaamte en mijn schande;

allen die mij benauwen, zijn U bekend.69:20 zijn U bekend - Letterlijk: zijn vóór U.

21Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak;

ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet,

op troosters, maar ik heb ze niet gevonden.

22Ja,

69:22
Matt. 27:34,48
Mark. 15:23
Joh. 19:28,29
zij hebben mij gal als mijn voedsel gegeven,

in mijn dorst hebben zij mij zure wijn laten drinken.

23

69:23
Rom. 11:9
Laat hun tafel voor hen tot een strik worden

en voor hun gasten tot een val.69:23 en voor … val - SV: en tot volle vergelding tot een valstrik. De SV volgt hier de Septuaginta.

24Laat hun

69:24
Jes. 6:9
29:10
44:18
Rom. 11:10
ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;

doe hun heupen voortdurend wankelen.

25Stort over hen Uw gramschap uit,

laat Uw brandende toorn hen treffen.

26

69:26
Hand. 1:20
Laat hun tentenkamp verwoest worden,

in hun tenten geen bewoner zijn.

27Want wie Ú geslagen hebt, vervolgen zij,

en zij spreken spottend over de smart van wie U verwondde.

28Voeg misdaad bij hun misdaad,

laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.

29Laat hen uitgewist worden uit het boek des levens,

laat hen bij de rechtvaardigen niet opgeschreven worden.

30Ik echter ben ellendig en lijd pijn;

laat Uw heil, o God, mij in een veilige vesting zetten.

31Ik zal Gods Naam loven met gezang

en Hem met dankzegging groot maken.

32Het zal de HEERE aangenamer zijn dan een rund

of een jonge stier met hoornen en gespleten hoeven.

33Als de zachtmoedigen dit zien, zullen zij zich verblijden;

u die God zoekt, uw hart zal leven.

34Want de HEERE hoort de armen,

Hij veracht Zijn gevangenen niet.

35Laten hemel en aarde Hem loven,

de zeeën en al wat daarin krioelt.

36Want God zal Sion verlossen

en de steden van Juda herbouwen;

daar zullen zij wonen en het bezitten.

37Het nageslacht van Zijn dienaren zal het in erfelijk bezit krijgen;

wie Zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen.