Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De weduwen

51Vaar niet uit tegen

5:1
Lev. 19:32
een oude man, maar spoor hem aan als een vader, jonge mannen als broers,

2oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters, in alle reinheid.

3Houd weduwen die werkelijk weduwen zijn, in ere.

4Maar indien een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten dezen leren vóór alles thuis godsvrucht te beoefenen

5:4
Gen. 45:10,11
Matt. 15:4
Mark. 7:10
Efez. 6:1,2
en aan hun voorgeslacht te vergelden wat ze aan hen te danken hebben. Want dat is goed en welgevallig in de ogen van God.

5

5:5
1 Kor. 7:32
Zij nu die werkelijk weduwe is, en alleen is overgebleven,
5:5
Luk. 2:36
hoopt op God, en volhardt in smekingen en gebeden, nacht en dag.

6Maar zij die haar lusten volgt, is levend dood.

7Beveel ook dit, opdat zij onberispelijk zijn.

8

5:8
Gal. 6:10
Maar als iemand de zijnen en vooral zijn huisgenoten niet verzorgt, heeft hij het geloof verloochend en is hij erger dan een ongelovige.

9Een weduwe mag gekozen worden als zij niet jonger is dan zestig jaar en de vrouw van één man is geweest,

10een goed getuigenis heeft wat betreft goede werken: of zij kinderen heeft opgevoed,

5:10
1 Petr. 4:9
of zij vreemdelingen heeft geherbergd,
5:10
Gen. 18:4
19:2
Luk. 7:38,44
of zij de voeten van heiligen heeft gewassen, of zij verdrukten heeft bijgestaan, of zij zich toegelegd heeft op elk goed werk.

11Maar neem jonge weduwen niet aan. Want als zij door het volgen van hun lusten zich afkeren van de dienst van Christus, willen zij trouwen,

12en ontvangen zij het oordeel omdat zij hun eerste trouw tenietgedaan hebben.

13En zo leren zij meteen ook om doelloos overal langs de huizen te gaan. En zij zijn niet alleen doelloos bezig, maar zij zijn ook

5:13
Tit. 2:3
praatziek, en zij bemoeien zich met zaken die hun niet aangaan, en praten over dingen die onbehoorlijk zijn.

14Ik wil dan dat jonge weduwen

5:14
1 Kor. 7:9
trouwen, kinderen krijgen, hun huis besturen en aan de tegenpartij geen aanleiding tot laster geven.

15Want sommigen hebben zich al afgewend, de satan achterna.

16Als een gelovige man of gelovige vrouw weduwen in de familie heeft, laten zij die bijstaan en laat de gemeente daarmee niet belast worden, opdat die hulp kan geven aan hen die werkelijk weduwen zijn.

De tucht over ouderlingen

17

5:17
Rom. 15:27
1 Kor. 9:11
Gal. 6:6
Filipp. 2:29
1 Thess. 5:12
Hebr. 13:17
Laat ouderlingen die goed leiding geven, dubbele eer waard geacht worden, vooral diegenen die arbeiden in het Woord en in de leer.

18Want de Schrift zegt:

5:18
Deut. 25:4
1 Kor. 9:9
Een dorsende os mag u niet muilkorven, en:
5:18
Lev. 19:13
Deut. 24:14
Matt. 10:10
Luk. 10:7
De arbeider is zijn loon waard.

19Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan,

5:19
Deut. 19:15
tenzij er twee of drie getuigen zijn.

20Wijs hen die zondigen, in tegenwoordigheid van allen terecht, opdat ook de anderen vrees zullen hebben.

21

5:21
Rom. 1:9
9:1
2 Kor. 1:23
11:31
Gal. 1:20
Filipp. 1:8
1 Thess. 2:5
5:27
1 Tim. 6:13
Ik bezweer u, ten overstaan van God en de Heere Jezus Christus en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen in acht neemt
5:21
Deut. 17:4
19:18
zonder vooroordeel en zonder iets uit partijdigheid te doen.

22

5:22
Hand. 6:6
8:17
13:3
19:6
1 Tim. 4:14
2 Tim. 1:6
Leg niemand haastig de handen op en heb geen deel aan zonden van anderen. Bewaar uzelf rein.

23Drink niet langer alleen water, maar gebruik een kleine hoeveelheid wijn,

5:23
Ps. 104:15
voor uw maag en uw veelvuldige kwalen.

24Van sommige mensen zijn de zonden

5:24
Gal. 5:19
overduidelijk en gaan die aan hun veroordeling vooraf. Bij anderen komen zij achteraf openbaar.

25Evenzo zijn ook de goede werken overduidelijk en die waarmee het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven.

6

De plichten van dienstknechten

61

6:1
Efez. 6:5
Kol. 3:22
Tit. 2:9
1 Petr. 2:18
Dienstknechten die het slavenjuk dragen, moeten hun eigen meester alle eer waard achten, opdat de Naam van God en de leer niet gelasterd worden.

2En zij die gelovige meesters hebben, mogen hen niet minachten, omdat zij broeders zijn. Zij moeten hen juist des te meer dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, en mede deelhebben aan deze weldaad. Onderwijs deze dingen en spoor ertoe aan.

De dwaalleraars en de hebzucht

3Als iemand een andere leer brengt en zich niet houdt aan de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus en aan de leer die in overeenstemming is met de godsvrucht,

4dan is hij verwaand, weet niets, maar heeft een ziekelijke neiging tot twistvragen en woordenstrijd.

6:4
1 Tim. 1:4
2 Tim. 2:23
Tit. 3:9
Daaruit komen voort: afgunst, ruzie, lasteringen en kwaadaardige verdachtmakingen,

5

6:5
1 Kor. 11:16
voortdurend geruzie van mensen die een verdorven gezindheid hebben en beroofd zijn van de waarheid, omdat zij denken dat de godsvrucht een bron van winst is. Wend u af van dit soort mensen.

6

6:6
Spr. 15:16
Hebr. 13:5
Maar de godsvrucht is inderdaad een bron van grote winst, vergezeld van tevredenheid.

7

6:7
Job 1:21
27:19
Ps. 49:18
Want wij hebben niets de wereld ingedragen, het is duidelijk dat wij ook niets daaruit kunnen wegdragen.

8

6:8
Spr. 27:26
Als wij echter voedsel en kleding hebben,
6:8
Ps. 55:23
Matt. 6:25
1 Petr. 5:7
zullen wij daarmee tevreden zijn.

9

6:9
Spr. 11:28
Matt. 13:22
Jak. 5:1
Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in veel dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.

10

6:10
Ex. 23:8
Deut. 16:19
Spr. 15:16
Want geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te verlangen, zijn sommigen afgedwaald van het geloof, en hebben zich met vele smarten doorstoken.

De strijd van het geloof

11

6:11
2 Tim. 2:22
U echter, o mens die God toebehoort,6:11 mens die God toebehoort - Letterlijk: mens van God. ontvlucht deze dingen. Jaag daarentegen gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid na.

12

6:12
1 Tim. 1:18
Strijd de goede strijd van het geloof. Grijp naar het eeuwige leven, waartoe u ook geroepen bent en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.

13

6:13
1 Tim. 5:21
Ik beveel u voor God,
6:13
Deut. 32:39
1 Sam. 2:6
Die alle dingen levend maakt, en voor Christus Jezus,
6:13
Matt. 27:11
Joh. 18:37
Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis afgelegd heeft,

14dit gebod onbevlekt en onberispelijk in acht te nemen, tot de verschijning van onze Heere Jezus Christus.

15

6:15
1 Tim. 1:17
De zalige en alleen machtige Heere,
6:15
Openb. 17:14
19:16
de Koning der koningen en Heere der heren, zal die op Zijn tijd laten zien,

16Hij Die als enige onsterfelijkheid bezit en een ontoegankelijk licht bewoont;

6:16
Ex. 33:20
Deut. 4:12
1 Joh. 4:12
Hem heeft geen mens gezien en niemand kan Hem ook zien. Hem zij eer en eeuwige kracht. Amen.

De plichten van de rijken

17Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn,

6:17
Mark. 4:18
Luk. 8:14
en hun hoop niet gevestigd houden op de onzekerheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen in rijke mate verschaft om ervan te genieten;

18ook om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en bereid om samen te delen.

19

6:19
Matt. 6:20
Luk. 12:33
16:9
Zo verzamelen zij voor zichzelf een schat: een goed fundament voor de toekomst, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen.

Bewaar het pand. Zegenbede

20O Timotheüs, bewaar het u toevertrouwde pand,

6:20
1 Tim. 1:4
4:7
2 Tim. 2:16
Tit. 1:14
3:9
wend u af van onheilige, inhoudsloze praat en tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis.

21Sommigen, die deze kennis verkondigden, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen.