Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Doe Gods wil zonder op te vallen

61Jezus zei: ‘Let op! Je moet doen wat God van je vraagt. Maar je moet dat niet doen om op te vallen bij de mensen. Anders zul je geen beloning krijgen van je Vader in de hemel.

2Als je arme mensen geld geeft, laat dat dan niet aan iedereen weten. Schijnheilige mensen doen dat wel. Zij vertellen aan iedereen in de synagoge en op straat hoe goed ze zijn. Want ze willen dat de mensen goede dingen over hen zeggen. Luister goed naar mijn woorden: Zij hebben hun beloning al gekregen.

3-4Houd het geheim als je geld geeft aan arme mensen. Je linkerhand mag zelfs niet merken dat je rechterhand iets geeft. Je Vader ziet wat er in het geheim gebeurt. En hij zal je belonen.

Je moet niet bidden om op te vallen

5Als je bidt, laat dat dan niet aan iedereen zien. Schijnheilige mensen doen dat wel. Zij staan graag te bidden in de synagoge en op straat. Want dan kan iedereen hen zien. Luister goed naar mijn woorden: Zij hebben hun beloning al gekregen.

6Als je gaat bidden, ga dan je huis in en doe de deur dicht. Dan kun je in het geheim tot je Vader bidden. Je Vader ziet wat er in het geheim gebeurt. En hij zal je belonen.

Jezus legt uit hoe je moet bidden

7Als je bidt, moet je niet steeds maar door blijven praten. Dat doen de mensen die andere goden vereren. Ze denken: Hoe meer ik praat, hoe beter mijn god luistert! 8Dat moeten jullie dus niet doen. Want je Vader weet allang wat je nodig hebt. Dat weet hij al voordat je het gevraagd hebt.

9Als jullie bidden, gebruik dan deze woorden:

Onze Vader in de hemel,

laat iedereen u eren.

10Laat uw nieuwe wereld komen.

Laat op aarde uw wil gedaan worden,

net zoals dat in de hemel gebeurt.

11Geef ons vandaag het eten dat we nodig hebben.

12En vergeef ons wat we fout gedaan hebben,

want wij hebben ook andere mensen hun fouten vergeven.

13Help ons om nooit tegen u te kiezen.

En bescherm ons tegen de macht van het kwaad.

[Want u bent koning,

u regeert met grote macht,

voor altijd. Amen.]’

14Jezus zei verder: ‘Je moet andere mensen hun fouten vergeven. Dan zal je hemelse Vader ook jouw fouten vergeven. 15Maar als je andere mensen hun fouten niet vergeeft, dan zal je Vader ook jouw fouten niet vergeven.

Je moet niet vasten om op te vallen

16Als je een dag gaat vasten uit eerbied voor God, laat dat dan niet aan iedereen weten. Schijnheilige mensen doen dat wel. Zij kijken somber en ze gooien zand over hun hoofd. Zo kan iedereen zien dat ze die dag vasten. Luister goed naar mijn woorden: Zij hebben hun beloning al gekregen.

17-18Als je een dag gaat vasten, houd het dan geheim. Was en verzorg je gezicht. Dan merkt niemand het, behalve je Vader. Hij ziet wat er in het geheim gebeurt. En hij zal je belonen.

Jezus geeft waarschuwingen

19Je moet niet proberen om rijk te worden op aarde. Want aardse rijkdom zal verdwijnen. Die rot weg of wordt gestolen door dieven. 20Nee, zorg dat je rijk wordt in de hemel. Want hemelse rijkdom verdwijnt nooit. Die kan niet wegrotten of gestolen worden. 21Laat de hemelse rijkdom het allerbelangrijkste voor je zijn.

22Elk mens kan licht uitstralen. Als je doet wat God wil, dan zul je licht uitstralen. 23Maar als je niet doet wat God wil, dan zul je geen licht uitstralen. Als je helemaal niet doet wat God wil, dan is het licht in jou uitgegaan.

24Je kunt niet trouw zijn aan twee bazen tegelijk. Want je zult altijd meer liefde hebben voor de één dan voor de ander. En je zult altijd meer respect hebben voor de één dan voor de ander. Je kunt dus niet tegelijk voor God en voor het geld leven.

Maak je geen zorgen

25Luister naar mijn woorden: Maak je geen zorgen over eten en drinken. Want je leven is veel belangrijker dan eten en drinken. En maak je geen zorgen over kleren. Want je lichaam is veel belangrijker dan kleren.

26Kijk eens naar de vogels in de lucht. Ze werken niet op het land en ze bewaren geen graan in een schuur. Jullie Vader in de hemel geeft ze te eten. En jullie zijn voor hem veel belangrijker dan de vogels. 27Maak je dus geen zorgen. Dat heeft geen zin, je blijft er geen dag langer door leven.

28-29Maak je geen zorgen over kleding. Kijk eens naar de bloemen die groeien in het veld. Ze werken niet en ze maken geen kleren. Toch zijn ze prachtig. Ja, zelfs nog mooier dan koning Salomo in zijn mooiste kleren.

30Het gras dat vandaag op het veld staat, wordt morgen gebruikt om een vuur te maken. En toch versiert God het gras met prachtige bloemen. Dan zal God zeker voor jullie zorgen! Waarom vertrouwen jullie dan niet op hem?

31Maak je dus geen zorgen. Zeg niet: ‘Hoe komen we aan eten?’ of: ‘Hoe komen we aan drinken?’ of: ‘Hoe komen we aan kleren?’ 32Met die dingen houden de mensen zich bezig die God niet kennen. Je Vader in de hemel weet echt wel dat je al die dingen nodig hebt. 33Houd je bezig met Gods nieuwe wereld en doe wat God van je vraagt. Dan zal God je al die andere dingen ook geven.

34Maak je geen zorgen over morgen. Bewaar die zorgen maar voor morgen. Je hebt het al moeilijk genoeg met vandaag.

7

Kijk eerst naar je eigen fouten

71Veroordeel andere mensen niet, dan zal God jou ook niet veroordelen. 2Want zoals jij kritiek hebt op andere mensen, zo zal God kritiek hebben op jou. En God zal jou beoordelen zoals jij andere mensen beoordeelt.

3-5Jullie letten goed op de fouten van anderen. Maar je eigen fouten zie je niet. Het is alsof je een splinter ziet in het oog van een ander, maar niet ziet dat er in je eigen oog een balk zit. Je zegt tegen die ander: ‘Kom, ik haal die splinter wel even uit je oog.’ Doe niet zo schijnheilig! Haal eerst die balk uit je eigen oog. Dan kun je zelf weer goed zien. En pas dan kun je de splinter uit het oog van de ander halen.

6Vertel het goede nieuws niet aan mensen die niets met God te maken willen hebben. Je geeft varkens toch ook geen parels te eten? Nee, de varkens zouden die parels kapottrappen, en zich dan omdraaien en jou opvreten.

Als je iets vraagt, zul je het krijgen

7Als je iets vraagt, zul je het krijgen. Als je iets zoekt, zul je het vinden. Als je op de deur klopt, wordt er voor je opengedaan. 8Want iedereen die om iets vraagt, zal het krijgen. En iedereen die iets zoekt, zal het vinden. En voor iedereen die klopt, wordt de deur opengedaan.

9Niemand geeft zijn kind een steen als het om brood vraagt. 10Of een slang als het om een vis vraagt. 11Jullie zorgen goed voor je kinderen, ook al zijn jullie slechte mensen. Dan zal jullie hemelse Vader zeker goed voor jullie zorgen. Hij geeft goede dingen aan de mensen die dat aan hem vragen.

12Behandel andere mensen net zoals je zelf behandeld wilt worden. Daar gaat het om in de wet en in de andere heilige boeken.

Ga door de smalle poort naar binnen

13-14Ga naar binnen door de smalle poort. Want door die smalle poort kom je bij het eeuwige leven. Het is een moeilijke weg, en het lukt maar weinig mensen om die weg te vinden. De meeste mensen kiezen de makkelijke weg, de weg met de brede poort. Dat is de weg naar de dood.

Je herkent mensen aan hun daden

15Pas op voor valse profeten. Ze lijken goed, maar ze zijn slecht. Ze lijken zo onschuldig als schapen, maar ze zijn zo gevaarlijk als wolven. 16-17Je kunt valse profeten herkennen aan hun slechte daden.

Het is net als met bomen. Je kunt geen druiven of vijgen plukken van een doornstruik. Een goede boom geeft goede vruchten, een slechte boom geeft slechte vruchten. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten geven, en een slechte boom kan geen goede vruchten geven. 19Alle bomen zonder goede vruchten worden omgehakt en in het vuur gegooid.

20Je kunt dus aan iemands daden zien of hij goed is of slecht.

Doe wat God wil

21Mensen die mij Heer noemen, komen niet vanzelf in Gods nieuwe wereld. Daar komen alleen de mensen die doen wat mijn hemelse Vader wil.

22Ik zal terugkomen om recht te spreken. Dan zullen veel mensen tegen mij zeggen: ‘Heer, bij alles wat we deden, hebben we uw naam genoemd. Toen we vertelden over Gods plannen, toen we kwade geesten wegjaagden, en toen we wonderen deden.’

23Maar dan zal ik tegen die mensen zeggen: ‘Ik ken jullie niet. Jullie hebben steeds weer dingen gedaan die God niet wil. Ik wil jullie niet meer zien!’

Doe wat Jezus vraagt

24Luister naar mijn woorden en doe wat ik vraag. Dan lijk je op een verstandige man, die zijn huis bouwt op stevige grond. 25Op een dag gaat het hard regenen en waaien. De rivieren stromen over, en de wind en het water slaan tegen het huis. Maar het huis blijft staan, want het is stevig gebouwd.

26Maar stel dat je wel naar mij luistert, maar niet doet wat ik vraag. Dan lijk je op een domme man, die zijn huis bouwt op zachte grond. 27Op een dag gaat het hard regenen en waaien. De rivieren stromen over, en de wind en het water slaan tegen het huis. Dat huis zakt in elkaar, er blijft niets van over.’

De woorden van Jezus maken indruk

28-29Dat is wat Jezus tegen de mensen zei. Zijn woorden maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren.

8

81Toen kwam Jezus van de berg naar beneden. Een grote groep mensen ging met hem mee.

Jezus maakt zieke mensen beter

Jezus maakt een zieke man beter

2Er kwam een man met een huidziekte bij Jezus. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Heer, u kunt mij beter maken, als u dat wilt.’

3Jezus raakte de man aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ En meteen was de huidziekte weg. 4Jezus zei tegen de man: ‘Denk erom, je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Ook zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’

Een Romeinse officier vraagt om hulp

5Jezus ging naar Kafarnaüm. Daar kwam een Romeinse officier bij hem. Hij vroeg Jezus om hulp. 6Hij zei: ‘Heer, mijn zoon kan niet lopen en heeft erge pijn. Hij ligt thuis op bed.’ 7Jezus zei: ‘Ik zal met je meegaan en hem beter maken.’

8Maar de officier zei: ‘Heer, kom alstublieft niet naar mijn huis, want dat ben ik niet waard. U hoeft alleen maar te zeggen dat mijn zoon beter moet worden. Dan zal dat gebeuren. 9Want ik moet zelf ook doen wat mijn generaal zegt. En mijn soldaten moeten doen wat ik zeg. Als ik tegen een soldaat zeg: ‘Je moet gaan,’ dan gaat hij. En als ik zeg: ‘Je moet komen,’ dan komt hij. En als ik tegen mijn knecht zeg: ‘Doe dit,’ dan doet hij het.’

Jezus is verbaasd

10Toen Jezus hoorde wat de officier zei, was hij verbaasd. Hij zei tegen de mensen die met hem meegingen: ‘Luister goed naar mijn woorden: Zo’n groot geloof heb ik in heel Israël nog niet gezien!

11Mensen uit alle landen zullen in Gods nieuwe wereld komen. Ze zullen er feestvieren met Abraham, Isaak en Jakob. 12Maar er zullen ook mensen zijn die niet naar binnen mogen. Ook al was de nieuwe wereld wel voor hen bedoeld. Ze worden weggestuurd naar de donkerste plaats. Daar huilen ze van ellende en spijt.’

13Daarna zei Jezus tegen de officier: ‘Ga maar rustig naar huis. Je geloofde dat je zoon beter zou worden. Dat zal ook gebeuren.’ Precies op dat moment werd de jongen beter.

Jezus maakt zieken beter

14-15Jezus ging naar het huis van Petrus. Daar lag de schoonmoeder van Petrus met koorts in bed. Jezus zag haar en raakte haar hand aan. Meteen had de vrouw geen koorts meer. Ze stond op en ging eten klaarmaken voor Jezus.

16’s Avonds laat werden er zieke mensen bij Jezus gebracht, en ook veel mensen die een kwade geest in zich hadden. Jezus zei tegen de kwade geesten dat ze weg moesten gaan, en hij maakte alle zieken beter.

17Dat moest zo gebeuren, want de profeet Jesaja heeft gezegd: «Hij neemt alle ziektes en alle pijn van ons weg.»

Het is moeilijk om Jezus te volgen

18Toen Jezus alle mensen om zich heen zag staan, zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’

19Een wetsleraar kwam naar Jezus toe en zei: ‘Meester, ik wil met u meegaan. Het maakt niet uit waar u naartoe gaat!’ 20Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plek om uit te rusten.’

21Eén van de leerlingen zei: ‘Heer, ik wil met u meegaan. Maar mag ik eerst nog mijn vader begraven?’ 22Maar Jezus zei: ‘Ga met mij mee, en laat de doden maar voor elkaar zorgen.’

Jezus heeft macht over wind en water

23Daarna stapte Jezus in de boot. Zijn leerlingen gingen met hem mee. 24Opeens begon de grond onder het meer te bewegen. De golven werden zo hoog dat de boot bijna onder water verdween. Maar Jezus lag te slapen in de boot.

25De leerlingen gingen naar hem toe en maakten hem wakker. Ze riepen: ‘Heer, red ons! We verdrinken!’ 26Jezus zei: ‘Waarom zijn jullie zo bang? Is jullie geloof dan zo klein?’

Jezus ging staan, en hij sprak streng tegen de wind en het water. Toen werd het water helemaal rustig.

27De leerlingen waren erg verbaasd. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Wat is dit voor iemand?’

Jezus jaagt kwade geesten weg

28Jezus en de leerlingen gingen naar de overkant van het meer. Daar was het gebied van de Gadarenen.

Er kwamen twee mannen op Jezus af. Ze kwamen tevoorschijn uit één van de grotten waar mensen begraven lagen. Het waren mannen met een kwade geest. Ze waren erg gevaarlijk. Niemand kon daar zomaar langslopen.

29De kwade geesten schreeuwden tegen Jezus: ‘Jij daar, Zoon van God! Ben je gekomen om ons pijn te doen? Laat ons met rust! De tijd van onze straf is toch nog niet begonnen?’

30Een eind verderop liep een grote groep varkens. 31De kwade geesten zeiden tegen Jezus: ‘Als je ons wegjaagt, mogen we dan alsjeblieft in die varkens gaan?’ 32Jezus zei tegen hen: ‘Ga weg!’ De kwade geesten gingen weg uit de twee mannen en gingen in de varkens. Toen renden de varkens van de steile berg af, en vielen in het meer. Ze verdronken allemaal.

De mensen willen dat Jezus weggaat

33De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Ze gingen naar de stad. Daar vertelden ze wat er allemaal gebeurd was, en hoe het gegaan was met de kwade geesten. 34Alle mensen uit de stad gingen naar Jezus toe. Toen ze hem zagen, zeiden ze tegen hem: ‘Ga alstublieft weg uit ons gebied.’