Herziene Statenvertaling (HSV)
14

Genezing op de sabbat

141En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten.

2En zie, voor Hem stond iemand die leed aan waterzucht.

3En Jezus antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en Farizeeën: Is het geoorloofd op de sabbat gezond te maken?

4Maar zij zwegen. En Hij greep hem vast, genas hem en liet hem gaan.

5En Hij zei, terwijl Hij Zich tot hen richtte:

14:5
Ex. 23:5
Deut. 22:4
Luk. 13:15
Wie van u zal, wanneer zijn ezel of os in een put valt, deze er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat?

6En zij konden Hem daarop geen antwoord geven.

Oproep tot nederigheid

7En Hij sprak een gelijkenis tot de genodigden, toen Hij merkte hoe zij de ereplaatsen voor zichzelf uitkozen. Hij zei tegen hen:

8Wanneer u door iemand op een bruiloft uitgenodigd bent, ga dan niet aanliggen op de ereplaats, opdat niet misschien iemand die voornamer is dan u, door hem uitgenodigd is,

9en hij die u en hem uitgenodigd heeft, tegen u zal komen zeggen: Geef hem die plaats. U zou dan tot uw schande de laatste plaats beginnen in te nemen.

10

14:10
Spr. 25:6,7
Maar wanneer u uitgenodigd bent, ga er heen en ga op de laatste plaats aanliggen, opdat, als hij komt die u uitgenodigd heeft, hij tegen u zal zeggen: Vriend, kom hoger op. Dan zal dat u tot eer zijn in de ogen van allen die met u aanliggen.

11

14:11
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 1:51
18:14
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

De onbaatzuchtige gastheer

12En Hij zei ook tegen hem die Hem uitgenodigd had:

14:12
Neh. 8:11
Spr. 3:28
Wanneer u een middag- of avondmaaltijd houdt, roep dan niet uw vrienden, ook niet uw broers, en niet uw familieleden of rijke buren, opdat ook zij u niet op hun beurt terugvragen en het u vergolden wordt.

13Wanneer u echter een feestmaaltijd gereedmaakt, nodig dan armen, verminkten, kreupelen en blinden.

14En u zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u te vergelden. Want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen.

De grote maaltijd

15Toen een van hen die mee aanlagen, deze dingen hoorde, zei hij tegen Hem: Zalig is hij die brood zal eten in het Koninkrijk van God.

16Maar Hij zei tegen hem:

14:16
Jes. 25:6
Matt. 22:2
Openb. 19:7,9
Een zekere man bereidde een grote maaltijd en nodigde er velen.

17En hij stuurde zijn dienaar eropuit tegen de tijd van de maaltijd om de genodigden te zeggen: Kom, want alle dingen zijn nu gereed.

18En zij begonnen zich allen eensgezind te verontschuldigen. De eerste zei tegen hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet er nodig op uit om die te bekijken. Ik vraag u: Houd mij voor verontschuldigd.

19En een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga erheen om ze te keuren. Ik vraag u: Houd mij voor verontschuldigd.

20En weer een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.

21En die dienaar kwam terug en berichtte deze dingen aan zijn heer. Toen werd de heer des huizes boos en zei tegen zijn dienaar: Ga er snel op uit naar de straten en stegen van de stad en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier binnen.

22En de dienaar zei: Heer, het is gebeurd, zoals u bevolen hebt en nog is er plaats.

23En de heer zei tegen de dienaar: Ga eropuit naar de landwegen en heggen en dwing hen binnen te komen, opdat mijn huis vol wordt.

24Want ik zeg u dat niemand van die mannen die genodigd waren, mijn maaltijd proeven zal.

Alles verlaten om Jezus' wil

25En vele menigten trokken met Hem mee, en terwijl Hij Zich omkeerde, zei Hij tegen hen:

26

14:26
Deut. 13:6
33:9
Matt. 10:37
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.

27

14:27
Matt. 10:38
16:24
Mark. 8:34
Luk. 9:23
En wie zijn kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn.

28Want wie van u die een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen, of hij de middelen wel heeft om het werk te voltooien?

29Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet in staat is het te voltooien, allen die het zien, hem beginnen te bespotten,

30en zeggen: Deze man begon te bouwen, maar heeft het werk niet kunnen voltooien.

31Of welke koning die een oorlog in gaat om te strijden met een andere koning, gaat niet eerst zitten om te beraadslagen of hij bij machte is met tienduizend man tegemoet te gaan die met twintigduizend man tegen hem optrekt?

32En zo niet, dan stuurt hij, als de ander nog ver weg is, een gezantschap om te vragen wat de vredesvoorwaarden zijn.

33Zo kan dan ieder van u die niet alles wat hij heeft, achterlaat, geen discipel van Mij zijn.

34

14:34
Matt. 5:13
Mark. 9:50
Het zout is goed, maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden?

35Het is niet geschikt voor het land en ook niet voor de mesthoop: men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, laat die horen.

15

Het verloren schaap

151Al

15:1
Matt. 9:10
Mark. 2:15
Luk. 5:29
de tollenaars en de zondaars nu kwamen bij Hem om Hem te horen.

2En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden onder elkaar en zeiden: Deze Man ontvangt zondaars en eet met hen.

3En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei:

4

15:4
Matt. 18:12
Welk mens onder u die honderd schapen heeft en er één van verliest, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn en gaat achter het verlorene aan, totdat hij het vindt?

5En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol blijdschap op zijn schouders.

6En als hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: Wees blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden,

15:6
1 Petr. 2:10
dat verloren was.

7Ik zeg u dat er evenzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over

15:7
Luk. 5:32
negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben.

De verloren penning

8Of welke vrouw, die tien penningen15:8 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider; zie ook vers 9. heeft en één penning verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij die vindt?

9En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen en zegt: Wees blij met mij, want ik heb de penning gevonden die ik verloren had.

10Zo zeg Ik u, is er blijdschap vóór de engelen van God over één zondaar die zich bekeert.

De verloren zoon

11En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen.

12En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.

13En niet veel dagen daarna maakte de jongste zoon alles te gelde en reisde weg naar een ver land en verkwistte daar zijn vermogen in een losbandig leven.

14En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

15En hij ging heen en voegde zich bij één van de burgers van dat land, en die stuurde hem naar zijn akkers om de varkens te weiden.

16En hij verlangde ernaar zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, maar niemand gaf hem die.

17En nadat hij tot zichzelf gekomen was, zei hij: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom om van honger.

18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

19En ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. Maak mij als één van uw dagloners.

20En hij stond op en ging naar zijn vader. En

15:20
Hand. 2:39
Efez. 2:12,17
toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem.

21En de zoon zei tegen hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden.

22Maar de vader zei tegen zijn dienaren: Haal het beste gewaad tevoorschijn en trek het hem aan en geef hem een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten.

23En breng het gemeste kalf en slacht het, en laten we eten en vrolijk zijn.

24Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

25Zijn oudste zoon nu was op de akker. En toen hij dichter bij huis kwam, hoorde hij muziek en reidans.

26En nadat hij één van de knechten bij zich geroepen had, vroeg hij wat er aan de hand was.

27Deze nu zei tegen hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem weer gezond teruggekregen heeft.

28Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan.

29Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: Zie, ik dien u al zoveel jaren en heb nooit uw gebod overtreden en u hebt mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn.

30Maar nu deze zoon van u gekomen is, die uw bezit met hoeren opgemaakt heeft, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.

31En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

32Wij zouden dan vrolijk en blij moeten zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden.

16

De onrechtvaardige rentmeester

161En Hij zei ook tegen Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, die een rentmeester had, en deze werd bij hem aangeklaagd dat hij zijn goederen verkwistte.

2En hij riep hem en zei tegen hem: Wat is dit wat ik over u hoor? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u kunt niet langer rentmeester zijn.

3En de rentmeester zei bij zichzelf: Wat moet ik doen, omdat mijn heer dit rentmeesterschap van mij afneemt? Spitten kan ik niet en voor bedelen schaam ik mij.

4Ik weet wat ik doen zal, opdat ze mij, wanneer ik afgezet ben als rentmeester, in hun huizen ontvangen.

5En hij riep de schuldenaars van zijn heer één voor één bij zich en zei tegen de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig?

6En hij zei: Honderd vaten olie. En hij zei tegen hem: Neem uw schuldbekentenis, ga zitten en schrijf snel vijftig.

7Daarna zei hij tegen een ander: En u, hoeveel bent u schuldig? En hij zei: Honderd zakken tarwe. En hij zei tegen hem: Neem uw schuldbekentenis en schrijf tachtig.

8En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij verstandig gehandeld had. Want de kinderen van deze wereld zijn onder elkaar16:8 onder elkaar - Letterlijk: in hun eigen geslacht. verstandiger dan

16:8
Efez. 5:8
1 Thess. 5:5
de kinderen van het licht.

9En Ik zeg u:

16:9
Matt. 6:19
19:21
1 Tim. 6:19
Maak uzelf vrienden met behulp van de onrechtvaardige mammon, opdat zij u, als u gebrek lijdt, zullen ontvangen in de eeuwige tenten.

10Wie trouw is in het minste, is ook in het grote trouw. En wie onrechtvaardig is in het minste, is ook in het grote onrechtvaardig.

11Als u dan wat betreft de onrechtvaardige mammon niet trouw bent geweest, wie zal u het ware toevertrouwen?

12En als u wat betreft het goed van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?

13

16:13
Matt. 6:24
Geen huisslaaf kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de ene hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon.

Het blijvend gezag van de wet

14En al deze dingen hoorden ook de Farizeeën,

16:14
Matt. 23:14
die geldzuchtig waren, en zij beschimpten Hem.

15En Hij zei tegen hen: U bent het die uzelf rechtvaardigt voor de mensen, maar

16:15
Ps. 7:10
God kent uw hart.
16:15
1 Sam. 16:7
Want wat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.

16

16:16
Matt. 11:12,13
De Wet en de Profeten zijn er tot Johannes. Vanaf die tijd wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en ieder doet het geweld aan.

17

16:17
Ps. 102:27
Jes. 40:8
51:6
Matt. 5:18
En het is gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel van de wet wegvalt.

18

16:18
Matt. 5:32
19:9
Mark. 10:11
1 Kor. 7:10
Ieder die zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt overspel en ieder die met een vrouw trouwt die door haar man verstoten is, pleegt ook overspel.

De rijke man en de bedelaar Lazarus

19Nu was er een zeker rijk mens, die gekleed ging in purper en zeer fijn linnen en die elke dag vrolijk en overdadig leefde.

20En er was een zekere bedelaar, van wie de naam Lazarus was, die voor zijn poort neergelegd was, en die onder de zweren zat.

21En hij verlangde ernaar verzadigd te worden met de kruimeltjes die van de tafel van de rijke man vielen; maar ook de honden kwamen en likten zijn zweren.

22Het gebeurde nu dat de bedelaar stierf en door de engelen in de schoot van Abraham gedragen werd.

23En ook de rijke man stierf en werd begraven. En toen hij in de hel zijn ogen opsloeg, waar hij in pijn verkeerde, zag hij Abraham van ver en Lazarus in zijn schoot.

24En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u over mij en stuur Lazarus naar mij toe en laat hem de top van zijn vinger in het water dopen en mijn tong verkoelen,

16:24
Jes. 66:24
Mark. 9:44
want ik lijd vreselijk pijn in deze vlam.

25Abraham echter zei:

16:25
Job 21:13
Kind, herinner u dat u het goede deel ontvangen hebt in uw leven en Lazarus evenzo het kwade. En nu wordt hij vertroost en u lijdt pijn.

26En bovendien is er tussen ons en u een grote kloof aangebracht, zodat zij die van hier naar u zouden willen gaan, dat niet kunnen en ook zij niet die vandaar naar ons zouden willen gaan.

27En hij zei: Ik vraag u dan, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt,

28want ik heb vijf broers. Laat hij dan tegenover hen getuigenis afleggen, opdat ook zij niet komen in deze plaats van pijniging.

29Abraham zei tegen hem:

16:29
Jes. 8:20
34:16
Joh. 5:39
Hand. 17:11
Zij hebben Mozes en de profeten. Laten zij naar hen luisteren.

30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe zou gaan, zouden zij zich bekeren.

31Maar Abraham zei tegen hem: Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen, als iemand uit de doden zou opstaan.