Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
22

221Hij verklaarde: ‘Dit is de verblijfplaats van God, de HEER. Dit is voor Israël het brandofferaltaar.’

Voorbereidingen voor de tempelbouw

2

22:2
1 Kon. 5:31
David gaf opdracht om alle vreemdelingen in Israël op te roepen en stelde hen aan als steenhouwers om stenen te houwen voor de bouw van de tempel van God. 3Hij legde een grote voorraad ijzer aan om er spijkers en klinknagels voor de poortdeuren van te maken, een grote voorraad koper, zo veel dat het niet te wegen was, 4en verzamelde een ontelbaar aantal cederstammen, die hem door de Sidoniërs en Tyriërs in overvloed werden geleverd. 5
22:5
1 Kron. 29:1-2
David dacht namelijk bij zichzelf: Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren, en de tempel die voor de HEER zal worden gebouwd moet zo groots en indrukwekkend worden dat hij over de hele wereld geroemd en bewonderd wordt. Laat ik daarom vast voorbereidingen treffen. Dus trof David voor zijn dood nog een groot aantal voorbereidingen.

6David riep zijn zoon Salomo bij zich en droeg hem op een tempel te bouwen voor de HEER, de God van Israël. 7

22:7-11
1 Kron. 17:1-14
28:2-7
Hij zei hem: ‘Ik had graag zelf een tempel gebouwd voor de naam van de HEER, mijn God. 8Maar de HEER heeft zich tot mij gericht met de woorden: “Jij hebt ten overstaan van mij veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Daarom zul jij geen huis bouwen voor mijn naam, je hebt te veel bloed vergoten. 9Maar je zult een zoon krijgen. Hij zal een man van vrede zijn, want ik zal hem rust geven door hem van al zijn vijanden te verlossen. Salomo zal hij daarom heten; tijdens zijn bewind zal ik Israël rust en vrede schenken. 10Hij zal een huis bouwen voor mijn naam. Hij zal voor mij een zoon zijn en ik voor hem een vader, en ik zal ervoor zorgen dat zijn troon in Israël niet zal wankelen.” 11Welnu, mijn zoon, moge de HEER je terzijde staan, zodat je zult slagen en voor de HEER, je God, een tempel zult bouwen zoals hij over jou heeft voorzegd. 12Ik hoop dan ook dat de HEER je verstand en inzicht zal schenken zodat je, wanneer hij je over Israël aanstelt, de wetten van de HEER, je God, zult naleven. 13
22:13
Joz. 1:6-9
Wanneer je je houdt aan de bepalingen en regels die de HEER met betrekking tot Israël aan zijn dienaar Mozes heeft opgedragen, zul je zeker slagen. Wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen. 14Kijk, ik heb al voorbereidingen getroffen voor de bouw van een tempel voor de HEER en daarbij kosten noch moeite gespaard: honderdduizend talent goud en een miljoen talent zilver, een hoeveelheid koper en ijzer, niet te wegen zo groot, en een voorraad balken en stenen. Jij moet die voorraden nog uitbreiden. 15Een menigte werklieden staat tot je beschikking: steenhouwers, metselaars en houtsnijders, vaklieden op allerlei gebied. 16En goud, zilver, koper en ijzer is er in overvloed, dus je kunt meteen aan het werk. Moge de HEER je terzijde staan.’

17David riep alle leiders van Israël op om zijn zoon Salomo te steunen: 18‘Staat de HEER, uw God, u niet terzijde? Heeft hij u geen rust verschaft aan al uw grenzen? Hij heeft immers de vroegere inwoners van dit land aan mij uitgeleverd, zodat het land kon worden veroverd voor de HEER en zijn volk. 19Welnu, richt u met hart en ziel naar de HEER, uw God, en begin zo snel mogelijk een heiligdom te bouwen voor God, de HEER, zodat de ark van het verbond met de HEER en de heilige voorwerpen van God kunnen worden overgebracht naar de tempel die voor de naam van de HEER zal worden gebouwd.’

23

Indeling en taken van de Levieten

231

23:1
1 Kon. 1:1-40
Toen David oud was geworden en zijn levenseinde naderde, riep hij zijn zoon Salomo tot koning van Israël uit. 2Nadat hij de leiders van Israël en de priesters en Levieten bijeen had geroepen, 3werden alle mannelijke Levieten van dertig jaar en ouder hoofdelijk geteld: het waren er achtendertigduizend. 4Vierentwintigduizend van hen kregen de verantwoordelijkheid voor de eredienst in de tempel van de HEER; zesduizend werden aangesteld als griffiers en rechters, 5vierduizend als poortwachters en vierduizend kregen tot taak de lofzang voor de HEER te begeleiden ‘op,’ zoals David zei, ‘de instrumenten die ik voor dat doel heb laten maken.’

6David deelde de Levieten in afdelingen in, naar de families van Gerson, Kehat en Merari.

7De Gersonieten: Ladan en Simi. 8

23:8
1 Kron. 26:21-22
Ladan had drie zonen: Jechiël, de belangrijkste, Zetam en Joël. 9Simi had drie zonen: Selomit, Chaziël en Haran. Zij waren de hoofden van de families van Ladan. 10Simi had vier zonen: Jachat, Zina, Jeüs en Beria, de zonen van Simi. 11Jachat was de belangrijkste en Zina was de tweede man. Jeüs en Beria hadden niet veel nakomelingen, daarom vormden zij samen één familie en één dienstafdeling.

12Kehat had vier zonen: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 13

23:13
Ex. 28:1
Zonen van Amram: Aäron en Mozes. Aäron kreeg een bijzondere positie: hij werd geheiligd tot het allerheiligste ambt. Hij en zijn nakomelingen kregen voor altijd tot taak offers te ontsteken ten overstaan van de HEER, hem te dienen en uit zijn naam de zegen uit te spreken. 14De zonen van Mozes, de man van God, werden ingedeeld bij de gewone Levieten. 15Zonen van Mozes: Gersom en Eliëzer. 16
23:16
1 Kron. 24:20
26:24
Van de zonen van Gersom was Sebuel de belangrijkste. 17Van de nakomelingen van Eliëzer was Rechabja de belangrijkste. Eliëzer had geen andere zonen, maar Rechabja had een zeer talrijk nageslacht. 18Van de zonen van Jishar was Selomit de belangrijkste. 19Zonen van Chebron: Jeria, de belangrijkste, Amarja, de tweede, Jachaziël, de derde, en Jekamam, de vierde. 20Zonen van Uzziël: Micha, de belangrijkste, en Jissia, de tweede.

21Zonen van Merari: Machli en Musi. Zonen van Machli: Elazar en Kis. 22Elazar had toen hij stierf geen zonen, alleen dochters. Hun neven, de zonen van Kis, namen hen in hun familie op door met hen te trouwen. 23Musi had drie zonen: Machli, Eder en Jeremot.

24Dit waren de nakomelingen van Levi, ingedeeld naar familie, de dienstafdelingen onder leiding van de familiehoofden. Zij werden voortaan vanaf de leeftijd van twintig jaar hoofdelijk geteld en met naam en toenaam geregistreerd voor de dienst in de tempel van de HEER. 25David had namelijk gezegd: ‘De HEER, de God van Israël, heeft zijn volk rust gegeven. Hij zal nu voor altijd in Jeruzalem komen wonen. 26

23:26
Deut. 10:8
De Levieten hoeven de tabernakel en de voorwerpen voor de eredienst daarom niet meer mee te dragen.’ 27Volgens de laatste aanwijzingen van David werden dus ook de Levieten van twintig jaar en ouder meegeteld. 28
23:28
Num. 3:5-9
Zij kregen tot taak de nakomelingen van Aäron behulpzaam te zijn bij de dienst in de tempel van de HEER, het werk in de tempelhoven en de voorraadkamers, het reinigen van de heilige voorwerpen en alle andere werkzaamheden die verband houden met de eredienst in de tempel van God. 29Zo waren zij verantwoordelijk voor de toonbroden, de tarwebloem voor de graanoffers, de ongedesemde broden, de op de bakplaat gebakken broden waarvan het deeg met olijfolie werd bereid, en het afmeten en wegen van alle ingrediënten. 30-31Verder moest bij het brandofferen voor de HEER elke ochtend en elke avond, en op sabbat, nieuwemaan en de andere hoogtijdagen steeds het voorgeschreven aantal Levieten aantreden om de lof van de HEER te zingen. 32De Levieten vervulden dus hun plichten bij de ontmoetingstent en het heiligdom door hun verwanten, de nakomelingen van Aäron, behulpzaam te zijn bij de dienst in de tempel van de HEER.

24

Indeling van de priesters

241

24:1-2
Num. 3:2-4
De nakomelingen van Aäron, ingedeeld in afdelingen:

Zonen van Aäron: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. 2

24:2
Lev. 10:1-2
Nadab en Abihu stierven eerder dan hun vader en lieten geen zonen na, zodat alleen Eleazar en Itamar het priesterambt uitoefenden. 3Samen met Sadok uit de familie van Eleazar en Achimelech uit de familie van Itamar deelde David de nakomelingen van Aäron in een dienstrooster in. 4De familie van Eleazar bleek meer familiehoofden te tellen dan de familie van Itamar, daarom werd de familie van Eleazar naar zestien hoofden ingedeeld en de familie van Itamar naar acht. 5Ze werden door loting ingedeeld, zonder onderscheid, want zowel onder de nakomelingen van Eleazar als onder de nakomelingen van Itamar bevinden zich dienaren van het heiligdom en dienaren van God. 6Ten overstaan van de koning en zijn raadsheren, van de priesters Sadok en Achimelech, de zoon van Abjatar, en van de familiehoofden van de priesters en de Levieten schreef hofschrijver Semaja, de zoon van Netanel, een Leviet, de groepen in. Daarbij kreeg de familie van Itamar steeds twee beurten tegen de familie van Eleazar één.

7Het eerste lot viel op Jojarib, het tweede op Jedaja, 8het derde op Charim, het vierde op Seorim, 9het vijfde op Malkia, het zesde op Miamin, 10het zevende op Hakkos, het achtste op Abia, 11het negende op Jesua, het tiende op Sechanja, 12het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim, 13het dertiende op Chuppa, het veertiende op Jesebab, 14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer, 15het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses, 16het negentiende op Petachja, het twintigste op Jechezkel, 17het eenentwintigste op Jachin, het tweeëntwintigste op Gamul, 18het drieëntwintigste op Delaja, het vierentwintigste op Maäzja. 19Volgens dit rooster moesten zij aantreden in de tempel van de HEER, om daar de plichten te vervullen die hun voorvader Aäron voor hen had vastgelegd op bevel van de HEER, de God van Israël.

Indeling van de overige Levieten

20De indeling van de overige Levieten:

Zoon van Amram: Subaël; zoon van Subaël: Jechdejahu. 21Rechabja; zoon van Rechabja: Jissia, een familiehoofd. 22De Jisharieten: Selomot; zonen van Selomot: Jachat 23en Benai. Jeria, Amarja, de tweede, Jachaziël, de derde, Jekamam, de vierde. 24Zoon van Uzziël: Micha; zoon van Micha: Samir. 25De broer van Micha: Jissia; zoon van Jissia: Zecharja. 26Zonen van Merari: Machli en Musi. Zonen van zijn zoon Jaäziahu – 27de zonen van Merari’s zoon Jaäziahu: Soham, Zakkur en Ibri. 28Machli: Elazar; deze had geen zonen. 29Kis; zoon van Kis: Jerachmeël. 30Zonen van Musi: Machli, Eder en Jerimot. Dit waren de overige Levieten, ingedeeld volgens hun families. 31Ook zij werden, net als hun verwanten, de nakomelingen van Aäron, door loting ingedeeld ten overstaan van koning David, van Sadok en Achimelech, en van de familiehoofden van de priesters en de Levieten, zonder onderscheid te maken tussen de families van de hoofden en de families van hun jongere broers.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]