Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Afzender, geadresseerden, groet

11Jakobus, een dienstknecht van God en van de Heere Jezus Christus, aan de twaalf stammen

1:1
Hand. 8:1
1 Petr. 1:1
die in de verstrooiing zijn: wees verheugd!

De zegen van de geloofsbeproeving

2

1:2
Matt. 5:11
Rom. 5:3
1 Petr. 1:6
Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen terechtkomt,

3

1:3
Rom. 5:3
1 Petr. 1:7
want u weet dat de beproeving van uw geloof volharding teweegbrengt.

4Maar laat die volharding ook volledig mogen doorwerken, opdat u volmaakt bent en geheel oprecht, en in niets tekortschiet.

5

1:5
Spr. 2:3
En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt, en
1:5
Jer. 29:12
Matt. 7:7
21:22
Mark. 11:24
Joh. 16:24
1 Joh. 3:22
5:14
ze zal hem gegeven worden.

6Maar laat hij er in geloof om vragen en daarbij niet twijfelen. Immers, wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt.

7Want zo iemand moet niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heere.

8Hij is een dubbelhartig man, onstandvastig in al zijn wegen.

9Maar laat de broeder die nederig is, zich beroemen op zijn hoge staat,

10en de rijke in zijn nederige staat, want hij zal als een bloem in het gras voorbijgaan.

11

1:11
Jes. 40:6
1 Kor. 7:31
Jak. 4:14
1 Petr. 1:24
1 Joh. 2:17
Want de zon is opgegaan met haar hitte en heeft het gras doen verdorren, ook is zijn bloem afgevallen en is de schoonheid van zijn uiterlijk verloren gegaan. Zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

12

1:12
Job 5:17
Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij
1:12
2 Tim. 4:8
1 Petr. 5:4
Openb. 2:10
de kroon van het leven ontvangen, die de Heere
1:12
Matt. 10:22
19:28,29
beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.

13Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.

14Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt.

15Daarna, wanneer de begeerte bevrucht is, baart ze zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, baart ze de dood.

16Dwaal niet, mijn geliefde broeders!

17

1:17
Spr. 2:6
1 Kor. 4:7
Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader der lichten,
1:17
Jes. 14:27
46:10
Mal. 3:6
Rom. 11:29
bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer.

18

1:18
1 Kor. 4:15
Gal. 4:19
1 Petr. 1:23
Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.

Horen en doen

19Zo dan, mijn geliefde broeders,

1:19
Spr. 17:27
Pred. 5:1
ieder mens moet haastig zijn om te horen, maar traag om te spreken en traag tot toorn.

20De toorn van een man brengt immers geen gerechtigheid voor God teweeg.

21

1:21
Rom. 13:12
Kol. 3:8
Leg daarom af alle vuilheid en elke uitwas van slechtheid en ontvang met zachtmoedigheid het in u geplante Woord, dat uw zielen zalig kan maken.

22

1:22
Matt. 7:21
Luk. 11:28
Rom. 2:13
1 Joh. 3:7
En wees daders van het Woord en niet alleen hoorders. Anders bedriegt u uzelf.

23

1:23
Luk. 6:47
Als iemand immers een hoorder van het Woord is en geen dader, lijkt hij op een man die het gezicht waarmee hij geboren is,1:23 het gezicht … geboren is - Letterlijk: het gezicht van zijn geboorte. in een spiegel bekijkt,

24want hij heeft zichzelf bekeken, is weggegaan en is meteen vergeten hoe hij eruitzag.

25

1:25
Matt. 5:19
Hij echter die zich in de volmaakte wet verdiept, die van de vrijheid, en daarbij blijft, die zal, omdat hij niet een vergeetachtige hoorder geworden is, maar een dader van het werk, zalig zijn in wat hij doet.

26

1:26
Ps. 34:14
Jak. 3:6
1 Petr. 3:10
Als iemand onder u denkt dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, dan is zijn godsdienst zinloos.

27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

2

Geen aanzien des persoons

21Mijn broeders, heb het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid,

2:1
Lev. 19:15
Deut. 16:19
Spr. 24:23
Matt. 22:16
zonder aanzien des persoons.

2Want als in uw samenkomst een man zou binnenkomen met een gouden ring aan zijn vinger, in sierlijke kleding, en er kwam ook een arme man in haveloze kleding,

3en u zou hoog opzien tegen hem die de sierlijke kleding draagt, en tegen hem zeggen: Gaat u hier zitten op een mooie plaats, en u zou tegen de arme zeggen: Gaat u daar maar staan, of: Ga hier zitten bij mijn voetbank,

4hebt u dan niet onder elkaar een onderscheid gemaakt en bent u zo geen rechters geworden met verkeerde overwegingen?

5

2:5
Joh. 7:48
1 Kor. 1:26
Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij
2:5
Ex. 20:6
1 Sam. 2:30
Spr. 8:17
Matt. 5:3
beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?

6U hebt daarentegen de arme schandelijk behandeld. Zijn het niet de rijken die u overweldigen en slepen juist zij u niet naar de rechtbank?

7Lasteren zij niet de goede Naam, Die over u is aangeroepen?

8Als u echter de koninklijke wet volbrengt, volgens de Schrift:

2:8
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Mark. 12:31
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
U zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan handelt u goed.

9Maar als u met aanzien des persoons handelt, begaat u een zonde en wordt u door de wet ontmaskerd als overtreders.

10

2:10
Deut. 27:26
Matt. 5:19
Gal. 3:10
Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.

11Immers, Hij Die gezegd heeft:

2:11
Ex. 20:14
Matt. 5:27
U zult geen overspel plegen, heeft ook gezegd: U zult niet doodslaan. Als u dan geen overspel bedrijft, maar wel doodslaat, bent u toch een wetsovertreder geworden.

12Spreek zó en handel zó als mensen die geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid.

13

2:13
Matt. 6:15
18:35
Mark. 11:25
Luk. 16:25
Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem die geen barmhartigheid heeft bewezen. En de barmhartigheid triomfeert over het oordeel.

Dood geloof

14

2:14
Matt. 7:26
Jak. 1:23
Wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?

15

2:15
Luk. 3:11
1 Joh. 3:17
Als er nu een broeder of zuster zonder kleding zou zijn en gebrek zou hebben aan dagelijks voedsel,

16en iemand van u zou tegen hen zeggen: Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd, en u zou hun niet geven wat het lichaam nodig heeft, wat voor nut heeft dat dan?

17Zo is ook het geloof als het geen werken heeft, in zichzelf dood.

18Maar nu zal iemand zeggen: U hebt geloof en ik heb werken. Laat mij dan uw geloof zien uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof laten zien.

19U gelooft dat God één is; daar doet u goed aan. Maar ook

2:19
Mark. 1:24
de demonen geloven dit, en zij sidderen.

20Maar wilt u weten, o dwaze2:20 dwaze - Letterlijk: lege. mens, dat het geloof zonder de werken dood is?

21Is Abraham, onze vader, niet uit de werken gerechtvaardigd,

2:21
Gen. 22:10
toen hij Izak, zijn zoon, op het altaar offerde?

22Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden?

23En de Schrift is vervuld die zegt:

2:23
Gen. 15:6
Rom. 4:3
Gal. 3:6
En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd.

24U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof.

25En is

2:25
Joz. 2:1
6:23
Hebr. 11:31
Rachab, de hoer, niet op dezelfde manier uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boden heeft ontvangen en langs een andere weg heeft laten weggaan?

26Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood.

3

De zonden van de tong

31U moet

3:1
Matt. 23:8
niet allemaal leermeesters willen zijn, mijn broeders. U weet immers
3:1
Matt. 7:1
Luk. 6:37
dat wij dan een strenger oordeel zullen ontvangen.

2Want wij struikelen allen in veel opzichten.

3:2
Ps. 34:14
Jak. 1:26
Als iemand in woorden niet struikelt, is hij een volmaakt man, die bij machte is om ook het hele lichaam in toom te houden.

3Zie, wij leggen de paarden een bit in de mond, opdat ze ons zouden gehoorzamen, en wij sturen daarmee heel hun lichaam.

4Zie, ook de schepen, al zijn ze nog zo groot en worden ze door harde winden voortgedreven, ze worden gestuurd door een zeer klein roer, waarheen de stuurman ook maar kiest en wil.3:4 waarheen … kiest en wil - Letterlijk: waar de keuze van de stuurman heen wil.

5

3:5
Spr. 12:18
15:2
Zo is ook de tong een klein lichaamsdeel, en roemt toch van grote dingen. Zie eens hoe een klein vuur een grote hoop hout aansteekt.

6Ook de tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. Zo staat het met de tong onder onze lichaamsdelen. Ze besmet het hele lichaam, en zet onze levensloop3:6 onze levensloop - Letterlijk: het rad van de geboorte. vanaf het begin in vlam, en ze wordt zelf door de hel in vlam gezet.

7Want elke natuur, zowel van wilde dieren en vogels als van kruipende dieren en zeedieren, wordt getemd en is getemd door de menselijke natuur.

8Maar de tong kan geen mens temmen. Ze is een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk vergif.

9Door haar loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen,

3:9
Gen. 1:27
die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

10Uit dezelfde mond komen zegen en vervloeking voort. Dit behoort niet zo te zijn, mijn broeders.

11Laat soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?

12Kan ook, mijn broeders, een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Evenmin kan een bron zout én zoet water voortbrengen.

De wijsheid van boven

13Wie is wijs en verstandig onder u?

3:13
Efez. 5:8
Laat hij uit zijn goede levenswandel zijn werken laten zien, in zachtmoedige wijsheid.

14

3:14
Rom. 13:13
Wanneer u echter bittere afgunst en eigenbelang in uw hart hebt, beroem u dan niet en lieg niet tegen de waarheid.

15

3:15
1 Kor. 2:6,7
Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar ze is aards, natuurlijk, duivels.

16

3:16
1 Kor. 3:3
Gal. 5:20
Want waar afgunst en eigenbelang is, daar heersen wanorde en allerlei kwade praktijken.

17Maar de wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd.

18En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.