Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Regels over offers bij een feestmaal

Het offeren van een koe of een stier

31De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een feestmaal wil houden, moet hij een koe of een stier offeren. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

2Degene die het offer brengt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de ingang van de heilige tent. De priesters uit de familie van Aäron moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

3Een deel van het offer moet aangeboden worden aan de Heer. De rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: het vet dat aan de ingewanden zit, 4de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

5De priesters moeten dat allemaal op het vuur op het altaar leggen. Dan moeten ze alles verbranden, tegelijk met de andere offers.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het offeren van een schaap of een geit

6Als iemand een feestmaal voor de Heer wil houden, kan hij ook een schaap of een geit offeren. Het mag een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

7Als iemand een schaap wil offeren aan de Heer, 8moet hij zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de heilige tent. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

9Een deel van het offer is voor de Heer, de rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: de hele staart, het vet dat aan de ingewanden zit, 10de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

11De priesters moeten dat allemaal verbranden op het altaar. Het is een offer voor de Heer.

12Als iemand een geit wil offeren aan de Heer, 13moet hij zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de heilige tent. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

14Een deel van het offer is voor de Heer, de rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: het vet dat aan de ingewanden zit, 15de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

16De priesters moeten dat allemaal verbranden op het altaar. Al het vet is voor de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het eten van vet en bloed is verboden

17Vet en bloed mogen jullie niet eten. Dat is een regel die voor altijd geldt, ook voor jullie nakomelingen, waar ze ook wonen.’’

4

Een offer voor de hogepriester

Er moet een stier geofferd worden

41De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet iemand per ongeluk iets dat de Heer verboden heeft. 3Als de hogepriester zoiets doet, maakt hij daarmee het hele volk schuldig. De hogepriester moet dan een jonge stier offeren om zijn fout goed te maken. De stier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

4De hogepriester moet de stier naar de ingang van de heilige tent brengen. Hij moet zijn hand op de kop van de stier leggen, en hem slachten voor de Heer.

Het bloed van de stier

5Daarna moet de hogepriester een deel van het bloed van de stier naar de heilige tent brengen. 6Hij moet met zijn vinger zeven keer wat bloed spatten in de richting van het gordijn dat voor de heilige kist hangt.

7Ook moet hij wat bloed aan de hoeken van het wierookaltaar smeren. Dat altaar staat in de heilige tent, vlak bij de heilige kist.

De rest van het bloed moet hij op de grond gieten voor het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

De vette delen van de stier

8Daarna moet de hogepriester alle vette delen van de stier verwijderen. Dat is al het vet dat aan de ingewanden zit, 9de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. Dat stukje moet hij tegelijk met de nieren verwijderen.

10Al die delen moet hij verbranden op het altaar, net zoals bij het offer bij een feestmaal.

De rest van de stier

11-12Ten slotte moet de hogepriester de rest van de stier buiten het kamp brengen. Dat is dus de huid, al het vlees, de kop, de poten, de ingewanden en alles wat in de ingewanden zit.

Alles moet naar de plek waar ook de as van de offers heen gebracht wordt. Dat is een reine plek. Daar moet alles verbrand worden op een vuur.’’

Een offer voor het hele volk

Er moet een stier geofferd worden

13De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet het hele volk per ongeluk iets dat de Heer verboden heeft. Dat kan gebeuren zonder dat iemand het merkt. Dan is het hele volk schuldig. 14Als de mensen begrijpen wat er verkeerd gedaan is, moet er een jonge stier geofferd worden. Zo kunnen ze hun fout goedmaken.

De stier moet naar de heilige tent gebracht worden. 15De leiders van het volk moeten daar hun hand op de kop van de stier leggen, en hem slachten voor de Heer.

Het bloed en de vette delen

16De hogepriester moet een deel van het bloed van de stier naar de heilige tent brengen. 17Hij moet met zijn vinger zeven keer wat bloed spatten in de richting van het gordijn dat voor de heilige kist hangt.

18Ook moet hij wat bloed smeren aan de hoeken van het wierookaltaar. Dat altaar staat in de heilige tent, vlak bij de heilige kist.

De rest van het bloed moet hij op de grond gieten voor het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

19Daarna moet de hogepriester alle vette delen van de stier verwijderen en verbranden op het altaar.

De rest van de stier

20-21De hogepriester moet de rest van de stier buiten het kamp brengen. Daar moet hij alles verbranden. Hij moet dus met die stier hetzelfde doen als met de stier die hij offert voor zijn eigen fout.

Als de stier geofferd is, zal de Heer de fout van het volk vergeven.’’

Een offer voor een leider

Er moet een bok geofferd worden

22De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet een leider van het volk per ongeluk iets dat de Heer, zijn God, verboden heeft. Dan is de leider schuldig. 23Als hij begrijpt wat hij verkeerd gedaan heeft, moet hij een bok offeren. De bok moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

24De leider moet zijn hand op de kop van de bok leggen. Daarna moet hij hem slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

De bok is een offer waarmee de fout van de leider goedgemaakt wordt.

Het bloed en het vet van de bok

25De priester moet een deel van het bloed aan de hoeken van het grote altaar smeren. De rest van het bloed moet hij voor het altaar op de grond gieten.

26Hij moet alle vette delen van de bok op het altaar verbranden, net als bij het offer bij een feestmaal.

Als de priester de bok geofferd heeft, zal de Heer de fout van de leider vergeven.’’

Een offer voor iemand uit het volk

Er moet een geit geofferd worden

27De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet iemand uit het volk per ongeluk iets dat de Heer verboden heeft. Dan is die persoon schuldig. 28Als hij begrijpt wat hij verkeerd gedaan heeft, moet hij een geit offeren. Het moet een vrouwelijk dier zijn, dat gezond is en geen gebreken heeft. Met dat offer kan hij zijn fout goedmaken.

29Hij moet zijn hand op de kop van de geit leggen. Daarna moet hij het dier slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

Het bloed en het vet van de geit

30De priester moet een deel van het bloed aan de hoeken van het grote altaar smeren. De rest van het bloed moet hij op de grond gieten voor het altaar.

31Alle vette delen van de geit moet hij aanbieden aan de Heer, net als bij het offer bij een feestmaal. Daarna moet de priester alles op het altaar verbranden voor de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Als de priester de geit geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

Er mag ook een schaap geofferd worden

32Iemand uit het volk die een fout gemaakt heeft, mag ook een schaap offeren. Het moet een vrouwelijk dier zijn, dat gezond is en geen gebreken heeft.

33Degene die het offer brengt, moet zijn hand op de kop van het schaap leggen. Daarna moet hij het dier slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

34De priester moet een deel van het bloed aan de hoeken van het grote altaar smeren. De rest van het bloed moet hij voor het altaar op de grond gieten.

35Alle vette delen van het schaap moet hij verwijderen, net als bij het offer bij een feestmaal. Daarna moet de priester alles op het altaar verbranden voor de Heer.

Als de priester het schaap geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

5

Voorbeelden

51In de volgende gevallen is iemand schuldig, omdat hij iets verkeerds gedaan heeft.

Als iemand weigert om de waarheid te vertellen bij de rechter, is hij schuldig. Als iemand een misdaad gehoord of gezien heeft, moet hij dat aan de rechter vertellen. Anders doet hij iets verkeerds.

2Als iemand vergeet dat hij een dood dier aangeraakt heeft, is hij schuldig. Want dode dieren zijn onrein. En als iemand een dood dier aanraakt, is hij zelf ook onrein. Het maakt niet uit of het een wild of een tam dier is, of een heel klein dier.

3Als iemand vergeet dat hij een onrein mens aangeraakt heeft, is hij schuldig. Het maakt niet uit waarom die ander onrein is.

4Als iemand een plechtige belofte doet en daarbij zonder nadenken de naam van de Heer gebruikt, is hij schuldig. Het maakt niet uit of hij iets goeds belooft of iets slechts.

Het offeren van een schaap of een geit

5Als iemand weet dat hij iets verkeerds gedaan heeft, moet hij dat in het openbaar zeggen. Hij moet zijn fout toegeven. 6En hij moet een schaap of een geit aanbieden aan de Heer. Het moet een vrouwelijk dier zijn. Dat dier is voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

Als de priester het dier geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

Het offeren van twee duiven

7Stel dat iemand een schaap of een geit niet kan betalen. Dan mag hij twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven aanbieden aan de Heer. De ene duif is voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt. De andere duif is voor het offer dat helemaal verbrand moet worden.

8De duiven moeten naar de priester gebracht worden. Die moet eerst de ene duif gebruiken voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt. Hij moet de kop van de duif een stukje lostrekken. Maar hij mag hem er niet helemaal af trekken. 9Dan moet hij wat bloed van de duif tegen de zijkanten van het grote altaar spatten. De rest van het bloed moet hij voor het altaar op de grond gieten. Dan is het een offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

10Daarna moet de priester de andere duif helemaal verbranden, volgens de regels.

Als de priester de duiven geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

Het offeren van meel

11Stel dat iemand ook twee duiven niet kan betalen. Dan mag hij 2,5 kilo fijn meel aanbieden aan de Heer. Dat meel is voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt. Bij dit offer mag geen olijfolie of wierook gebruikt worden.

12Het meel moet naar de priester gebracht worden. Hij moet een handvol meel verbranden, tegelijk met de andere offers voor de Heer. Die handvol meel is een teken voor het hele offer. Het is een offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

13Als de priester het meel geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven. De rest van het meel is voor de priester, net zoals bij het graanoffer.’’

Regels over offers om schuld weg te nemen

Als iemand zelf iets heiligs gebruikt

14De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 15‘Als iemand iets voor zichzelf gebruikt dat voor de Heer bestemd is, is hij schuldig. Want alles wat voor de Heer is, is heilig. Ook als hij het per ongeluk doet, is het verkeerd.

Hij moet een ram aanbieden aan de Heer voor het offer waarmee zijn schuld weggenomen wordt. De ram moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. En hij moet een bepaald bedrag waard zijn. Dat bedrag wordt van tevoren door de priesters vastgesteld.

16Wat iemand voor zichzelf gebruikt heeft, moet hij terugbetalen aan de priester. En hij moet ook nog een boete betalen van 20 procent. De priester moet de ram dan offeren aan de Heer om de schuld weg te nemen.

Als het dier geofferd is, zal de Heer de fout vergeven.

Als iemand iets per ongeluk doet

17Stel dat iemand per ongeluk iets verkeerds doet, iets dat de Heer verboden heeft. Dan is die persoon schuldig. Ook al doet hij het per ongeluk, hij is toch schuldig. 18-19Hij moet een ram aanbieden aan de Heer voor het offer waarmee zijn schuld weggenomen wordt. De ram moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. En hij moet een bepaald bedrag waard zijn. Dat bedrag wordt van tevoren vastgesteld.

Als de priester de ram geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven. Het is een offer om iemands schuld weg te nemen, want die persoon was schuldig tegenover de Heer. Ook al deed hij per ongeluk iets fout, of zonder erbij na te denken.’’

Als iemand liegt bij de rechter

20De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 21-22‘Als iemand liegt bij de rechter, is dat verkeerd. Bijvoorbeeld als hij iets voor een ander bewaard heeft, maar zegt dat het van hemzelf is. Of als hij iets geleend heeft, maar zegt dat hij dat niet gedaan heeft. Iemand doet ook iets verkeerds als hij iets gestolen heeft en daarover liegt. Of als hij geld van een ander afpakt, en daarover liegt. Of als hij iets gevonden heeft dat van iemand anders is, maar het zelf houdt. Over al die dingen mag nooit gelogen worden bij de rechter. Als iemand dat wel doet, is hij niet trouw aan de Heer.

23-24Als iemand één van die dingen toch gedaan heeft, is hij schuldig. Dan moet hij terugbetalen wat hij gestolen of afgepakt heeft. Hij moet alles teruggeven wat van iemand anders is. Hij moet ook een boete betalen van 20 procent. Dat moet gebeuren op dezelfde dag dat hij een offer brengt om zijn schuld weg te nemen.

25Hij moet een ram aanbieden voor het offer om zijn schuld weg te nemen. De ram moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. En hij moet een bepaald bedrag waard zijn. Dat bedrag wordt van tevoren vastgesteld. De ram moet naar de priester gebracht worden. 26En de priester moet de ram dan aan de Heer offeren om de schuld weg te nemen.

Als de ram geofferd is, zal de Heer de fout vergeven.’’