Herziene Statenvertaling (HSV)
8

De tweede wonderbare spijziging

81In

8:1
Matt. 15:32
die dagen, toen er een heel grote menigte bijeen was en zij niets te eten hadden, riep Jezus Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen:

2Ik ben innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, want zij blijven al drie dagen bij Mij en hebben niets wat zij kunnen eten.

3En als Ik hen nuchter naar hun huis stuur, zullen zij onderweg bezwijken, want sommigen van hen komen van ver.

4En Zijn discipelen antwoordden Hem: Waar haalt iemand hier in deze afgelegen plaats zoveel broden vandaan, dat hij deze mensen kan verzadigen?

5En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven.

6En Hij gebood de menigte op de grond te gaan zitten. En Hij nam de zeven broden en nadat Hij gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen om ze hun voor te zetten; en zij zetten ze de menigte voor.

7En zij hadden enkele visjes; en toen Hij ze gezegend had, zei Hij dat zij ook die moesten voorzetten.

8En zij aten en werden verzadigd. En zij raapten het overschot van de stukken brood op, zeven manden.

9Het waren er ongeveer vierduizend, die gegeten hadden; en Hij stuurde hen weg.

Waarschuwing tegen het zuurdeeg van de Farizeeën en van Herodes

10

8:10
Matt. 15:39
En toen Hij meteen in het schip gegaan was met Zijn discipelen, kwam Hij in de streken van Dalmanutha.

11En de Farizeeën liepen uit en begonnen met Hem te redetwisten

8:11
Matt. 12:38
16:1
Luk. 11:29
Joh. 6:30
en verlangden van Hem een teken uit de hemel om Hem te verzoeken.

12En Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken?

8:12
Matt. 16:4
Voorwaar, Ik zeg u: Eer aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!

13En Hij verliet hen en nadat Hij opnieuw in het schip gegaan was, voer Hij weg naar de overkant.

14En Zijn discipelen hadden vergeten broden mee te nemen en zij hadden niet meer dan één brood bij zich in het schip.

15En Hij gebood hun en zei:

8:15
Matt. 16:6
Luk. 12:1
Kijk uit, pas op voor het zuurdeeg van de Farizeeën en voor het zuurdeeg van Herodes.

16En zij spraken er met elkaar over en zeiden: Dit zegt Hij, omdat wij geen broden hebben.

17En Jezus, Die dat wist, zei tegen hen: Waarom spreekt u erover met elkaar dat u geen broden hebt? Ziet u het nog niet in en begrijpt u het niet?

8:17
Mark. 6:52
Hebt u nog uw verharde hart?

18U hebt ogen, en u ziet niet? En u hebt oren, en u hoort niet?

19En herinnert u zich niet,

8:19
Matt. 14:17,20
Mark. 6:38
Luk. 9:13
Joh. 6:9
toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opraapte? Zij zeiden tegen Hem: Twaalf.

20En

8:20
Matt. 15:36,37
toen Ik de zeven brak voor de vierduizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opraapte? En zij zeiden: Zeven.

21En Hij zei tegen hen: Waarom begrijpt u het dan niet?

Een blinde genezen in Bethsaïda

22En Hij kwam in Bethsaïda; en ze brachten een blinde bij Hem en smeekten Hem dat Hij hem aanraakte.

23En toen Hij de hand van de blinde genomen had, leidde Hij hem het dorp uit; en nadat Hij

8:23
Mark. 7:33
in zijn ogen gespuwd en
8:23
Mark. 7:32
de handen op hem gelegd had, vroeg Hij hem of hij iets zag.

24En hij keek op en zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, rondlopen.

25Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijn ogen en liet hem weer kijken. En hij was hersteld en zag allen heel duidelijk.

26En Hij stuurde hem naar zijn huis en zei: Ga niet het dorp in en zeg het tegen niemand in het dorp.

De belijdenis van Petrus

27

8:27
Matt. 16:13
Luk. 9:18
En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg stelde Hij Zijn discipelen een vraag; Hij zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?

28En zij antwoordden:

8:28
Matt. 14:2
Johannes de Doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Een van de profeten.

29En Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem:

8:29
Matt. 16:16
Joh. 6:69
U bent de Christus.

30En Hij gebood hun streng dat zij met niemand over Hem zouden spreken.

De eerste aankondiging van het lijden

31

8:31
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 9:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:7
En Hij begon hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.

32En dit woord sprak Hij vrijuit. En Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen,

33maar Hij keerde Zich om en terwijl Hij Zijn discipelen aankeek, bestrafte Hij Petrus en zei:

8:33
2 Sam. 19:22
Ga weg achter Mij, satan, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen.

34En toen Hij de menigte met Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen:

8:34
Matt. 10:38
16:24
Luk. 9:23
14:27
Laat wie achter Mij aan wil komen zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.

35

8:35
Matt. 10:39
16:25
Luk. 9:24
17:33
Joh. 12:25
Want wie zijn leven8:35 leven - Letterlijk: ziel. zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden.

36Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?

37Of wat zal een mens geven

8:37
Ps. 49:9
als losprijs voor zijn ziel?

38

8:38
Matt. 10:32
Luk. 9:26
12:8
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal de Zoon des mensen Zich ook schamen wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.

9

91En

9:1
Matt. 16:28
Luk. 9:27
Hij zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven voordat zij gezien zullen hebben dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.

De verheerlijking

2

9:2
Matt. 17:1
Luk. 9:28
En na zes dagen nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes met Zich mee en bracht hen apart op een hoge berg, alleen hen; en Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.

3En Zijn kleren werden blinkend, zeer wit, als sneeuw, zo wit als geen wolbewerker op aarde ze kan maken.

4En aan hen verscheen Elia met Mozes en zij spraken met Jezus.

5En Petrus antwoordde en zei tegen Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; en laten wij drie tenten maken, voor U één en voor Mozes één en voor Elia één.

6Hij wist namelijk niet wat hij zei, want zij waren zeer bevreesd.

7En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en uit de wolk kwam een stem, die zei:

9:7
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
Luk. 3:22
9:35
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
Dit is Mijn geliefde Zoon,
9:7
Deut. 18:19
luister naar Hem!

8En plotseling, terwijl zij om zich heen keken, zagen zij niemand meer bij zich dan Jezus alleen.

9

9:9
Matt. 17:9
Luk. 9:36
En toen zij van de berg afdaalden, gebood Hij hun dat zij niemand vertellen zouden wat zij gezien hadden, voordat de Zoon des mensen uit de doden zou zijn opgestaan.

10En zij hielden dit woord vast en stelden onder elkaar de vraag wat dat was, uit de doden opstaan.

11En zij vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden

9:11
Mal. 4:5
Matt. 11:14
Luk. 1:17
dat Elia eerst moet komen?

12En Hij antwoordde hun: Elia zal wel eerst komen en alles herstellen; en het zal geschieden

9:12
Ps. 22:7
Jes. 53:4
Dan. 9:26
zoals geschreven is over de Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.

13Maar Ik zeg u dat Elia ook gekomen is en ze hebben met hem gedaan alles wat ze wilden,

9:13
Mal. 4:5,6
zoals over hem geschreven staat.

De maanzieke jongen

14En toen Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote menigte om hen heen en enige schriftgeleerden, die met hen aan het redetwisten waren.

15En meteen toen heel de menigte Hem zag, waren zij ontdaan, en zij snelden naar Hem toe en begroetten Hem.

16En Hij vroeg aan de schriftgeleerden: Waarom redetwist u met hen?

17

9:17
Matt. 17:14
Luk. 9:37,38
En iemand uit de menigte antwoordde: Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht, die een geest heeft die maakt dat hij niet kan spreken.

18En waar hij hem ook aangrijpt, werpt hij hem tegen de grond, en het schuim staat hem op de mond en hij knarst met zijn tanden en verstijft; en ik heb tegen Uw discipelen gezegd dat zij hem moesten uitdrijven, maar zij konden het niet.

19En Hij antwoordde hem en zei: O ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem bij Mij.

20En zij brachten hem bij Hem;

9:20
Mark. 1:26
en toen hij Hem zag, deed de geest hem meteen stuiptrekken; en hij viel op de grond en wentelde zich met schuim op de mond.

21En Hij vroeg aan zijn vader: Hoelang is het al dat dit hem overkomt? En hij zei: Van jongs af aan.

22En vaak heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem om te brengen; maar als U iets kunt, wees dan met innerlijke ontferming bewogen over ons en help ons.

23En Jezus zei tegen hem: Als u kunt geloven,

9:23
Luk. 17:6
alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.

24En meteen riep de vader van het kind onder tranen: Ik geloof, Heere! Kom mijn ongeloof te hulp.

25En toen Jezus zag dat de menigte samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zei tegen hem: Geest die maakt dat men niet kan spreken en die doof maakt, Ik beveel u: ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug!

26En onder geschreeuw en hevig stuiptrekken ging hij uit hem weg; en de jongen werd als een dode, zodat velen zeiden dat hij gestorven was.

27En Jezus pakte hem bij de hand en richtte hem op; en hij stond op.

28

9:28
Matt. 17:19
En toen Hij in huis gegaan was, en zij alleen waren, vroegen Zijn discipelen Hem: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?

29En Hij zei tegen hen: Dit soort kan nergens anders door uitgaan dan door bidden en vasten.

De tweede aankondiging van het lijden

30

9:30
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 8:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:7
En zij vertrokken vandaar en reisden door Galilea; en Hij wilde niet dat iemand het zou weten.

31Want Hij gaf onderwijs aan Zijn discipelen en zei tegen hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen en zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij op de derde dag opstaan.

32Maar zij begrepen dat woord niet en zij waren bevreesd Hem ernaar te vragen.

33

9:33
Matt. 18:1
Luk. 9:46
22:24
En Hij kwam in Kapernaüm en toen Hij thuisgekomen was, vroeg Hij hun: Waarover had u het met elkaar onderweg?

34Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg een woordenwisseling met elkaar gehad over wie de belangrijkste was.

35En Hij ging zitten, riep de twaalf en zei tegen hen:

9:35
Matt. 20:27
Mark. 10:43
Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen zijn en een dienaar van allen.

36En Hij nam een kind, zette dat in hun midden en

9:36
Mark. 10:16
omarmde het, en Hij zei tegen hen:

37

9:37
Matt. 18:5
Luk. 9:48
Joh. 13:20
Wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt niet Mij, maar Hem Die Mij gezonden heeft.

Waarschuwing tegen struikelblokken

38

9:38
Luk. 9:49
En Johannes antwoordde Hem: Meester, wij hebben iemand gezien die demonen uitdreef in Uw Naam, iemand die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.

39

9:39
1 Kor. 12:3
Maar Jezus zei: Verbied het hem niet, want er is niemand die een kracht doen zal in Mijn Naam en kort daarna kwaad van Mij zal kunnen spreken.

40Want wie niet tegen ons is, die is voor ons.

41Want

9:41
Matt. 10:42
wie u een beker water te drinken zal geven in Mijn Naam omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen.

42

9:42
Matt. 18:6
Luk. 17:2
En wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen, het zou beter voor hem zijn dat er een molensteen om zijn hals werd gedaan en hij in de zee geworpen werd.

43

9:43
Deut. 13:6
Matt. 5:30
18:8
En als uw hand u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan dan met twee handen heen te gaan in de hel, in het onuitblusbare vuur,

44

9:44
Jes. 66:24
waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.

45En als uw voet u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan dan met twee voeten geworpen te worden in de hel, in het onuitblusbare vuur,

46waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.

47En als uw oog u doet struikelen, werp het dan uit; het is beter voor u met één oog het Koninkrijk van God in te gaan dan met twee ogen in het helse vuur9:47 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur. geworpen te worden,

48waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.

49Want iedereen zal met vuur gezouten worden

9:49
Lev. 2:13
en ieder offer zal met zout gezouten worden.

50

9:50
Matt. 5:13
Luk. 14:34
Het zout is goed, maar als het zout zoutloos wordt, waarmee zult u het smakelijk maken?
9:50
Rom. 12:18
Hebr. 12:14
Heb zout in uzelf en leef met elkaar in vrede.

10

Over de echtscheiding

101En

10:1
Matt. 19:1
toen Hij opgestaan was, ging Hij vandaar naar het gebied van Judea, door het Overjordaanse; en de menigten kwamen opnieuw bij Hem samen, en zoals Hij gewoon was, onderwees Hij hun opnieuw.

2En de Farizeeën kwamen naar Hem toe en vroegen Hem, om Hem te verzoeken, of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verstoten.

3Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Wat heeft Mozes u geboden?

4En zij zeiden:

10:4
Deut. 24:1
Jer. 3:1
Matt. 5:31
Mozes heeft toegestaan een echtscheidingsbrief te schrijven en haar te verstoten.

5En Jezus antwoordde hun: Vanwege de hardheid van uw hart heeft hij dat gebod voor u geschreven.

6

10:6
Gen. 1:27
Matt. 19:4
Maar vanaf het begin van de schepping heeft God hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.

7

10:7
Gen. 2:24
1 Kor. 6:16
Efez. 5:31
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten;

8en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.

9

10:9
1 Kor. 7:10
Dus, wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.

10En thuis stelden Zijn discipelen Hem hierover opnieuw vragen.

11

10:11
Matt. 5:32
19:9
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
En Hij zei tegen hen: Wie zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt overspel tegen haar.

12En als een vrouw haar man verstoot en met een andere trouwt, pleegt zij ook overspel.

Jezus zegent de kinderen

13

10:13
Matt. 19:13
Luk. 18:15
En ze brachten kinderen bij Hem, opdat Hij hen zou aanraken, maar de discipelen bestraften degenen die hen bij Hem brachten.

14Maar toen Jezus dat zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei tegen hen: Laat de kinderen bij Mij komen en verhinder hen niet,

10:14
Matt. 18:3
19:14
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.

15Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal het beslist niet binnengaan.

16

10:16
Matt. 19:15
Mark. 9:36
En Hij omarmde hen, legde de handen op hen en zegende hen.

De rijke jongeman

17

10:17
Matt. 19:16
Luk. 18:18
En toen Hij naar buiten ging om op weg te gaan, snelde er iemand naar Hem toe, viel voor Hem op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

18En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God.

19U kent de geboden:

10:19
Ex. 20:13
21:12
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult geen overspel plegen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis afleggen; u zult niemand benadelen; eer uw vader en uw moeder.

20Maar hij antwoordde Hem: Meester, al deze dingen heb ik in acht genomen van mijn jeugd af.

21En Jezus keek hem aan en had hem lief, en Hij zei tegen hem:

10:21
Matt. 6:19
Luk. 12:33
1 Tim. 6:17
Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan, neem het kruis op en volg Mij.

22Maar hij werd treurig over dat woord en ging bedroefd weg, want hij had veel bezittingen.

23En terwijl Hij rondkeek, zei Jezus tegen Zijn discipelen:

10:23
Spr. 11:28
Matt. 19:23
Luk. 18:24
Hoe moeilijk kunnen zij die rijkdommen bezitten, het Koninkrijk van God binnengaan!

24En de discipelen verbaasden zich over Zijn woorden. Maar Jezus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Kinderen, hoe moeilijk is het dat zij die op rijkdommen vertrouwen, het Koninkrijk van God binnengaan!

25Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

26En zij stonden nog meer versteld en zeiden tegen elkaar: Wie kan dan zalig worden?

27Maar Jezus keek hen aan en zei: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God,

10:27
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
want bij God zijn alle dingen mogelijk.

28

10:28
Matt. 4:20
19:27
Luk. 5:11
18:28
En Petrus begon tegen Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.

29En Jezus antwoordde: Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die huis of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten heeft omwille van Mij en om het Evangelie,

30of hij ontvangt honderdvoudig, nu in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de wereld die komt, het eeuwige leven.

31

10:31
Matt. 19:30
20:16
Luk. 13:30
Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.

De derde aankondiging van het lijden

32

10:32
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 8:31
9:31
Luk. 9:22
18:31
24:7
En zij waren onderweg en gingen naar Jeruzalem en Jezus ging hen voor; en zij waren verbaasd en terwijl zij Hem volgden, waren zij bevreesd. En toen Hij de twaalf opnieuw bij Zich genomen had, begon Hij tegen hen te zeggen wat Hem overkomen zou:

33Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren.

34En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan.

De zonen van Zebedeüs

35

10:35
Matt. 20:20
En Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar Hem toe en zeiden: Meester, wij zouden willen dat U voor ons doet wat wij ook maar vragen.

36En Hij zei tegen hen: Wat wilt u dat Ik voor u doe?

37En zij zeiden tegen Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, de één aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand, in Uw heerlijkheid.

38Maar Jezus zei tegen hen: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, en met de doop gedoopt worden

10:38
Matt. 20:22
Luk. 12:50
waarmee Ik gedoopt word?

39En zij zeiden tegen Hem: Dat kunnen wij. Maar Jezus zei tegen hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u wel drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden,

40maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven; maar het zal gegeven worden

10:40
Matt. 25:34
aan hen voor wie het bestemd is.

41

10:41
Matt. 20:24
En toen de tien anderen dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.

42Maar Jezus riep hen bij Zich en zei tegen hen: U weet

10:42
Matt. 20:25
Luk. 22:25
dat zij die geacht worden leiders te zijn van de volken, heerschappij over hen voeren, en dat hun groten macht over hen uitoefenen.

43

10:43
1 Petr. 5:3
Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u belangrijk wil worden, die moet uw dienaar zijn.

44En wie van u de eerste zal willen worden, die moet dienaar van allen zijn.

45Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen

10:45
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
om gediend te worden, maar om te dienen, en
10:45
Efez. 1:7
Kol. 1:14
1 Tim. 2:6
Tit. 2:14
Zijn ziel te geven als losprijs voor velen.

De blinde in Jericho

46

10:46
Matt. 20:29
Luk. 18:35
En zij kwamen in Jericho. En toen Hij en Zijn discipelen en een grote menigte Jericho uitgingen, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, de blinde, aan de weg te bedelen.

47En toen hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!

48En velen bestraften hem opdat hij zwijgen zou; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!

49En Jezus stond stil en zei dat men hem roepen moest. Toen riepen ze de blinde en zeiden tegen hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u.

50En hij wierp zijn bovenkleed af, stond op en kwam bij Jezus.

51En Jezus antwoordde hem en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En de blinde zei tegen Hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden.

52En Jezus zei tegen hem: Ga heen,

10:52
Matt. 9:22
Mark. 5:34
uw geloof heeft u behouden. En meteen werd hij ziende en volgde Jezus op de weg.