Herziene Statenvertaling (HSV)
7

De Farizeeën en de overlevering

71En

7:1
Matt. 15:1
bij Hem verzamelden zich de Farizeeën en sommigen van de schriftgeleerden, die uit Jeruzalem gekomen waren.

2En toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.

3Want de Farizeeën en alle Joden eten niet, als zij niet eerst grondig de handen gewassen hebben, omdat zij zich houden aan de overlevering van de ouden.

4En als zij van de markt komen, eten zij niet, als zij zich niet eerst gewassen hebben. En vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben om zich eraan te houden, zoals het wassen van de drinkbekers en kannen en het koperen vaatwerk en bedden.

5Daarna vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten zij het brood met ongewassen handen?

6Maar Hij antwoordde hun: Terecht heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd zoals er geschreven staat:

7:6
Jes. 29:13
Ezech. 33:31
Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij vandaan.

7

7:7
Matt. 15:9
Kol. 2:18,20
Tit. 1:14
Maar tevergeefs eren zij Mij door leringen te onderwijzen die geboden van mensen zijn.

8Want terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u zich aan de overlevering van de mensen, zoals het wassen van kannen en bekers; en veel andere dergelijke dingen doet u.

9En Hij zei tegen hen: U stelt Gods gebod op een mooie manier terzijde om u aan uw overlevering te houden!

10Want Mozes heeft gezegd:

7:10
Ex. 20:12
Deut. 5:16
Efez. 6:2
Eer uw vader en uw moeder; en:
7:10
Ex. 21:17
Lev. 20:9
Deut. 27:16
Spr. 20:20
Wie vader of moeder vervloekt, die moet zeker sterven;

11maar u zegt: Als iemand tegen zijn vader of zijn moeder zegt: Het is korban (dat wil zeggen: een gave) wat u van mij had kunnen krijgen, is het met hem in orde.

12En u laat hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen,

13

7:13
Matt. 15:6
1 Tim. 4:3
2 Tim. 3:2
en zo maakt u Gods Woord krachteloos door uw overlevering die u overgeleverd hebt; en veel van dergelijke dingen doet u.

14

7:14
Matt. 15:10
En toen Hij heel de menigte bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Luister allen naar Mij en begrijp het goed:

15

7:15
Hand. 10:15
Rom. 14:17,20
Tit. 1:15
Er is niets dat van buitenaf de mens binnengaat, dat hem kan verontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens verontreinigen.

16Als iemand oren heeft om te horen, laat hij dan horen.

17

7:17
Matt. 15:15
En toen Hij bij de menigte vandaan thuisgekomen was, vroegen Zijn discipelen Hem naar de gelijkenis.

18En Hij zei tegen hen: Bent ook u zo onwetend? Ziet u niet in dat alles wat van buitenaf de mens binnengaat, hem niet kan verontreinigen?

19Want het komt niet in zijn hart maar in zijn buik en gaat in de afzondering naar buiten. Zo wordt al het voedsel gereinigd.

20En Hij zei: Wat uit de mens naar buiten komt, dat verontreinigt de mens.

21

7:21
Gen. 6:5
8:21
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen voort kwade overwegingen, alle overspel, ontucht, moord,

22diefstal, hebzucht, allerlei kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst,7:22 afgunst - Letterlijk: een boos oog. lastering, hoogmoed, dwaasheid;

23al deze slechte dingen komen van binnenuit en verontreinigen de mens.

De Syro-Fenicische vrouw

24

7:24
Matt. 15:21
En Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus en Sidon; en toen Hij een huis binnengegaan was, wilde Hij niet dat iemand het wist, maar Hij kon niet verborgen blijven.

25Want een vrouw van wie het dochtertje een onreine geest had, hoorde van Hem, kwam en viel neer aan Zijn voeten.

26Deze vrouw nu was een Griekse, afkomstig uit Syro-Fenicië; en zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven.

27Maar Jezus zei tegen haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet behoorlijk het brood van de kinderen te nemen en naar de hondjes te werpen.

28Maar zij antwoordde en zei tegen Hem: Ja, Heere, maar de hondjes eten toch ook onder de tafel van de kruimels van de kinderen.

29En Hij zei tegen haar: Omwille van dit woord ga heen, de demon is uit uw dochter uitgegaan.

30En toen zij in haar huis kwam, merkte zij dat de demon uitgegaan was en dat haar dochter op bed lag.

De genezing van een dove

31

7:31
Matt. 15:29
En toen Hij weer weggegaan was uit het gebied van Tyrus en Sidon, kwam Hij bij de zee van Galilea, midden door het gebied van Dekapolis.

32

7:32
Matt. 9:32
Luk. 11:14
En ze brachten een dove bij Hem, die moeilijk sprak, en smeekten Hem dat Hij de hand op hem legde.

33En na hem uit de menigte apart genomen te hebben, stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en na gespuwd te hebben, raakte Hij zijn tong aan.

34En terwijl Hij opkeek naar de hemel, zuchtte Hij en zei Hij tegen hem: Effatha! dat is: Word geopend!

35En meteen werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los, en hij sprak goed.

36En Hij gebood hun dat zij het tegen niemand zouden zeggen; maar wat Hij hun ook gebood, zij verkondigden het des te meer.

37En zij stonden bovenmate versteld en zeiden:

7:37
Gen. 1:31
Hij heeft alles goedgemaakt; ook de doven doet Hij horen en Hij maakt dat zij die niet kunnen spreken, kunnen spreken.

8

De tweede wonderbare spijziging

81In

8:1
Matt. 15:32
die dagen, toen er een heel grote menigte bijeen was en zij niets te eten hadden, riep Jezus Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen:

2Ik ben innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, want zij blijven al drie dagen bij Mij en hebben niets wat zij kunnen eten.

3En als Ik hen nuchter naar hun huis stuur, zullen zij onderweg bezwijken, want sommigen van hen komen van ver.

4En Zijn discipelen antwoordden Hem: Waar haalt iemand hier in deze afgelegen plaats zoveel broden vandaan, dat hij deze mensen kan verzadigen?

5En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven.

6En Hij gebood de menigte op de grond te gaan zitten. En Hij nam de zeven broden en nadat Hij gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen om ze hun voor te zetten; en zij zetten ze de menigte voor.

7En zij hadden enkele visjes; en toen Hij ze gezegend had, zei Hij dat zij ook die moesten voorzetten.

8En zij aten en werden verzadigd. En zij raapten het overschot van de stukken brood op, zeven manden.

9Het waren er ongeveer vierduizend, die gegeten hadden; en Hij stuurde hen weg.

Waarschuwing tegen het zuurdeeg van de Farizeeën en van Herodes

10

8:10
Matt. 15:39
En toen Hij meteen in het schip gegaan was met Zijn discipelen, kwam Hij in de streken van Dalmanutha.

11En de Farizeeën liepen uit en begonnen met Hem te redetwisten

8:11
Matt. 12:38
16:1
Luk. 11:29
Joh. 6:30
en verlangden van Hem een teken uit de hemel om Hem te verzoeken.

12En Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken?

8:12
Matt. 16:4
Voorwaar, Ik zeg u: Eer aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!

13En Hij verliet hen en nadat Hij opnieuw in het schip gegaan was, voer Hij weg naar de overkant.

14En Zijn discipelen hadden vergeten broden mee te nemen en zij hadden niet meer dan één brood bij zich in het schip.

15En Hij gebood hun en zei:

8:15
Matt. 16:6
Luk. 12:1
Kijk uit, pas op voor het zuurdeeg van de Farizeeën en voor het zuurdeeg van Herodes.

16En zij spraken er met elkaar over en zeiden: Dit zegt Hij, omdat wij geen broden hebben.

17En Jezus, Die dat wist, zei tegen hen: Waarom spreekt u erover met elkaar dat u geen broden hebt? Ziet u het nog niet in en begrijpt u het niet?

8:17
Mark. 6:52
Hebt u nog uw verharde hart?

18U hebt ogen, en u ziet niet? En u hebt oren, en u hoort niet?

19En herinnert u zich niet,

8:19
Matt. 14:17,20
Mark. 6:38
Luk. 9:13
Joh. 6:9
toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opraapte? Zij zeiden tegen Hem: Twaalf.

20En

8:20
Matt. 15:36,37
toen Ik de zeven brak voor de vierduizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opraapte? En zij zeiden: Zeven.

21En Hij zei tegen hen: Waarom begrijpt u het dan niet?

Een blinde genezen in Bethsaïda

22En Hij kwam in Bethsaïda; en ze brachten een blinde bij Hem en smeekten Hem dat Hij hem aanraakte.

23En toen Hij de hand van de blinde genomen had, leidde Hij hem het dorp uit; en nadat Hij

8:23
Mark. 7:33
in zijn ogen gespuwd en
8:23
Mark. 7:32
de handen op hem gelegd had, vroeg Hij hem of hij iets zag.

24En hij keek op en zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, rondlopen.

25Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijn ogen en liet hem weer kijken. En hij was hersteld en zag allen heel duidelijk.

26En Hij stuurde hem naar zijn huis en zei: Ga niet het dorp in en zeg het tegen niemand in het dorp.

De belijdenis van Petrus

27

8:27
Matt. 16:13
Luk. 9:18
En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg stelde Hij Zijn discipelen een vraag; Hij zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?

28En zij antwoordden:

8:28
Matt. 14:2
Johannes de Doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Een van de profeten.

29En Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem:

8:29
Matt. 16:16
Joh. 6:69
U bent de Christus.

30En Hij gebood hun streng dat zij met niemand over Hem zouden spreken.

De eerste aankondiging van het lijden

31

8:31
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 9:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:7
En Hij begon hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.

32En dit woord sprak Hij vrijuit. En Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen,

33maar Hij keerde Zich om en terwijl Hij Zijn discipelen aankeek, bestrafte Hij Petrus en zei:

8:33
2 Sam. 19:22
Ga weg achter Mij, satan, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen.

34En toen Hij de menigte met Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen:

8:34
Matt. 10:38
16:24
Luk. 9:23
14:27
Laat wie achter Mij aan wil komen zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.

35

8:35
Matt. 10:39
16:25
Luk. 9:24
17:33
Joh. 12:25
Want wie zijn leven8:35 leven - Letterlijk: ziel. zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden.

36Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?

37Of wat zal een mens geven

8:37
Ps. 49:9
als losprijs voor zijn ziel?

38

8:38
Matt. 10:32
Luk. 9:26
12:8
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal de Zoon des mensen Zich ook schamen wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.

9

91En

9:1
Matt. 16:28
Luk. 9:27
Hij zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven voordat zij gezien zullen hebben dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.

De verheerlijking

2

9:2
Matt. 17:1
Luk. 9:28
En na zes dagen nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes met Zich mee en bracht hen apart op een hoge berg, alleen hen; en Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd.

3En Zijn kleren werden blinkend, zeer wit, als sneeuw, zo wit als geen wolbewerker op aarde ze kan maken.

4En aan hen verscheen Elia met Mozes en zij spraken met Jezus.

5En Petrus antwoordde en zei tegen Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; en laten wij drie tenten maken, voor U één en voor Mozes één en voor Elia één.

6Hij wist namelijk niet wat hij zei, want zij waren zeer bevreesd.

7En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en uit de wolk kwam een stem, die zei:

9:7
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
Luk. 3:22
9:35
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
Dit is Mijn geliefde Zoon,
9:7
Deut. 18:19
luister naar Hem!

8En plotseling, terwijl zij om zich heen keken, zagen zij niemand meer bij zich dan Jezus alleen.

9

9:9
Matt. 17:9
Luk. 9:36
En toen zij van de berg afdaalden, gebood Hij hun dat zij niemand vertellen zouden wat zij gezien hadden, voordat de Zoon des mensen uit de doden zou zijn opgestaan.

10En zij hielden dit woord vast en stelden onder elkaar de vraag wat dat was, uit de doden opstaan.

11En zij vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden

9:11
Mal. 4:5
Matt. 11:14
Luk. 1:17
dat Elia eerst moet komen?

12En Hij antwoordde hun: Elia zal wel eerst komen en alles herstellen; en het zal geschieden

9:12
Ps. 22:7
Jes. 53:4
Dan. 9:26
zoals geschreven is over de Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.

13Maar Ik zeg u dat Elia ook gekomen is en ze hebben met hem gedaan alles wat ze wilden,

9:13
Mal. 4:5,6
zoals over hem geschreven staat.

De maanzieke jongen

14En toen Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote menigte om hen heen en enige schriftgeleerden, die met hen aan het redetwisten waren.

15En meteen toen heel de menigte Hem zag, waren zij ontdaan, en zij snelden naar Hem toe en begroetten Hem.

16En Hij vroeg aan de schriftgeleerden: Waarom redetwist u met hen?

17

9:17
Matt. 17:14
Luk. 9:37,38
En iemand uit de menigte antwoordde: Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht, die een geest heeft die maakt dat hij niet kan spreken.

18En waar hij hem ook aangrijpt, werpt hij hem tegen de grond, en het schuim staat hem op de mond en hij knarst met zijn tanden en verstijft; en ik heb tegen Uw discipelen gezegd dat zij hem moesten uitdrijven, maar zij konden het niet.

19En Hij antwoordde hem en zei: O ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem bij Mij.

20En zij brachten hem bij Hem;

9:20
Mark. 1:26
en toen hij Hem zag, deed de geest hem meteen stuiptrekken; en hij viel op de grond en wentelde zich met schuim op de mond.

21En Hij vroeg aan zijn vader: Hoelang is het al dat dit hem overkomt? En hij zei: Van jongs af aan.

22En vaak heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem om te brengen; maar als U iets kunt, wees dan met innerlijke ontferming bewogen over ons en help ons.

23En Jezus zei tegen hem: Als u kunt geloven,

9:23
Luk. 17:6
alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft.

24En meteen riep de vader van het kind onder tranen: Ik geloof, Heere! Kom mijn ongeloof te hulp.

25En toen Jezus zag dat de menigte samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zei tegen hem: Geest die maakt dat men niet kan spreken en die doof maakt, Ik beveel u: ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug!

26En onder geschreeuw en hevig stuiptrekken ging hij uit hem weg; en de jongen werd als een dode, zodat velen zeiden dat hij gestorven was.

27En Jezus pakte hem bij de hand en richtte hem op; en hij stond op.

28

9:28
Matt. 17:19
En toen Hij in huis gegaan was, en zij alleen waren, vroegen Zijn discipelen Hem: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?

29En Hij zei tegen hen: Dit soort kan nergens anders door uitgaan dan door bidden en vasten.

De tweede aankondiging van het lijden

30

9:30
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 8:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:7
En zij vertrokken vandaar en reisden door Galilea; en Hij wilde niet dat iemand het zou weten.

31Want Hij gaf onderwijs aan Zijn discipelen en zei tegen hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen en zij zullen Hem doden, en nadat Hij gedood is, zal Hij op de derde dag opstaan.

32Maar zij begrepen dat woord niet en zij waren bevreesd Hem ernaar te vragen.

33

9:33
Matt. 18:1
Luk. 9:46
22:24
En Hij kwam in Kapernaüm en toen Hij thuisgekomen was, vroeg Hij hun: Waarover had u het met elkaar onderweg?

34Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg een woordenwisseling met elkaar gehad over wie de belangrijkste was.

35En Hij ging zitten, riep de twaalf en zei tegen hen:

9:35
Matt. 20:27
Mark. 10:43
Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen zijn en een dienaar van allen.

36En Hij nam een kind, zette dat in hun midden en

9:36
Mark. 10:16
omarmde het, en Hij zei tegen hen:

37

9:37
Matt. 18:5
Luk. 9:48
Joh. 13:20
Wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt niet Mij, maar Hem Die Mij gezonden heeft.

Waarschuwing tegen struikelblokken

38

9:38
Luk. 9:49
En Johannes antwoordde Hem: Meester, wij hebben iemand gezien die demonen uitdreef in Uw Naam, iemand die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.

39

9:39
1 Kor. 12:3
Maar Jezus zei: Verbied het hem niet, want er is niemand die een kracht doen zal in Mijn Naam en kort daarna kwaad van Mij zal kunnen spreken.

40Want wie niet tegen ons is, die is voor ons.

41Want

9:41
Matt. 10:42
wie u een beker water te drinken zal geven in Mijn Naam omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen.

42

9:42
Matt. 18:6
Luk. 17:2
En wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen, het zou beter voor hem zijn dat er een molensteen om zijn hals werd gedaan en hij in de zee geworpen werd.

43

9:43
Deut. 13:6
Matt. 5:30
18:8
En als uw hand u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan dan met twee handen heen te gaan in de hel, in het onuitblusbare vuur,

44

9:44
Jes. 66:24
waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.

45En als uw voet u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan dan met twee voeten geworpen te worden in de hel, in het onuitblusbare vuur,

46waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.

47En als uw oog u doet struikelen, werp het dan uit; het is beter voor u met één oog het Koninkrijk van God in te gaan dan met twee ogen in het helse vuur9:47 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur. geworpen te worden,

48waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.

49Want iedereen zal met vuur gezouten worden

9:49
Lev. 2:13
en ieder offer zal met zout gezouten worden.

50

9:50
Matt. 5:13
Luk. 14:34
Het zout is goed, maar als het zout zoutloos wordt, waarmee zult u het smakelijk maken?
9:50
Rom. 12:18
Hebr. 12:14
Heb zout in uzelf en leef met elkaar in vrede.