Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

Optreden van Johannes de Doper

31

3:1-17
Marc. 1:1-11
Luc. 3:1-22
3:1-12
Joh. 1:19-34
3:1
Joh. 1:6
In die tijd trad Johannes de Doper op in de woestijn van Judea. Hij verkondigde: 2
3:2
Dan. 2:44
Mat. 4:17
10:7
Marc. 1:15
Luc. 4:43
‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ 3
3:3
Jes. 40:3
Joh. 1:23
Dit was de man over wie de profeet Jesaja sprak toen hij zei: ‘Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden.”’ 4
3:4-5
Mat. 11:7-10
3:4
2 Kon. 1:8
Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. 5Uit Jeruzalem, uit heel Judea en uit de omgeving van de Jordaan stroomden de mensen toe, 6en ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.

7

3:7
Mat. 12:34
23:33
Toen hij zag dat veel farizeeën en sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel? 8Breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn, 9
3:9
Joh. 8:33
en denk niet dat je bij jezelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken! 10
3:10
Mat. 7:19
De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 11
3:11
Mat. 11:3
Joh. 1:15,26-27,33
Hand. 1:5
13:25
19:4
Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12
3:12
Mat. 13:30
hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.’

13

3:13-17
Marc. 1:9-11
Luc. 3:21-22
Joh. 1:32-34
Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. 14Maar Johannes probeerde hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u naar mij?’ 15Jezus antwoordde: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.’ Toen stemde Johannes ermee in. 16
3:16
Jes. 11:2
Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor hem en zag hij hoe de Geest van God als een duif op hem neerdaalde. 17
3:17
Ps. 2:7
Jes. 42:1
Mat. 12:18
17:5
Marc. 9:7
Luc. 9:35
En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’

4

Jezus in de woestijn

41

4:1-11
Marc. 1:12-13
Luc. 4:1-13
4:1
Hebr. 2:18
4:15
Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. 2
4:2
Ex. 34:28
Deut. 9:9
1 Kon. 19:8
Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger. 3Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’ 4
4:4
Deut. 8:3
Wijsh. 16:26
Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ 5Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. 6
4:6
Ps. 91:11-12
Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ 7
4:7
Deut. 6:16
Jes. 7:12
Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht 9en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.’ 10
4:10
Deut. 6:13
Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’ 11Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.

Begin van Jezus’ verkondiging

12

4:12-17
Marc. 1:14-15
Luc. 4:14-15
4:12
Mat. 14:3
Luc. 3:19-20
Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea. 13Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: 15
4:15-16
Jes. 8:23-9:1
‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: 16
4:16
Luc. 1:78-79
Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ 17
4:17
Dan. 2:44
Mat. 3:2
Marc. 1:15
Luc. 4:43
Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’

18

4:18-22
Marc. 1:16-20
Luc. 5:1-11
Joh. 1:35-42
Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. 21Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem.

23

4:23
Mat. 9:35
Marc. 1:39
Luc. 4:14-15,43-44
Hij trok rond in heel Galilea; hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. 24
4:24
Marc. 6:54-56
Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Syrië. Allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn, en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden bij hem gebracht, en hij genas hen. 25En grote groepen mensen volgden hem, uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en uit het gebied aan de overkant van de Jordaan.

5

Bergrede

51Toen hij de mensenmassa zag, ging hij de berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen. 2Hij nam het woord en onderrichtte hen:

3

5:3-12
Luc. 6:20-23
5:3
Jes. 61:1-3
Jak. 2:5
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,

want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

4Gelukkig de treurenden,

want zij zullen getroost worden.

5

5:5
Ps. 37:11
Gelukkig de zachtmoedigen,

want zij zullen het land bezitten.

6

5:6
Jes. 49:10
55:1-2
Amos 8:11
Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid,

want zij zullen verzadigd worden.

7

5:7
Spr. 14:21
Gelukkig de barmhartigen,

want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

8

5:8
Ps. 24:3-4
73:1
Gelukkig wie zuiver van hart zijn,

want zij zullen God zien.

9

5:9
Hebr. 12:14
Gelukkig de vredestichters,

want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

10

5:10
1 Petr. 3:14
Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden,

want voor hen is het koninkrijk van de hemel.

11
5:11
Jes. 51:7
1 Petr. 4:14
Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. 12
5:12
2 Kron. 36:16
Mat. 23:29-37
Hand. 7:52
Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.

13

5:13
Marc. 9:50
Luc. 14:34-35
Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.

14Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15

5:15
Marc. 4:21
Luc. 8:16
11:33
Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. 16
5:16
1 Petr. 2:12
Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

17

5:17
Rom. 3:31
13:8-10
Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18
5:18
Luc. 16:17
Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19
5:19
Jak. 2:10
Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. 20Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.

21

5:21
Ex. 20:13
Lev. 24:17
Deut. 5:17
Mat. 19:18
Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22
5:22
1 Joh. 3:15
En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23
5:23
Marc. 11:25
Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25
5:25-26
Luc. 12:58-59
Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26
5:26
Mat. 18:34
Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.

27

5:27
Ex. 20:14
Lev. 18:20
Deut. 5:18
Mat. 19:18
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29
5:29-30
Mat. 18:8-9
Marc. 9:43-48
Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.

31

5:31-32
Mat. 19:9
5:31
Deut. 24:1-4
Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.” 32
5:32
Marc. 10:11-12
Luc. 16:18
1 Kor. 7:10-11
En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.

33

5:33
Lev. 19:12
Num. 30:3
Deut. 23:22
Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” 34
5:34-36
Mat. 23:16-22
Jak. 5:12
5:34-35
Jes. 66:1
En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, 35
5:35
Ps. 48:3
noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; 36zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. 37Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.

38

5:38
Ex. 21:24
Lev. 24:19-20
Deut. 19:21
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39
5:39-48
Luc. 6:27-36
5:39
Klaagl. 3:30
Rom. 12:19-21
En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. 40Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. 41En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42
5:42
Deut. 15:7-8
Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.

43

5:43
Lev. 19:18
Mat. 19:19
22:39
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44
5:44
Rom. 12:14
En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 45alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? 47En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48
5:48
Lev. 19:2
Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]