Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Afzenders, geadresseerden, groet

11Paulus, een apostel – geroepen, niet vanwege mensen, ook niet door een mens, maar

1:1
Tit. 1:3
door Jezus Christus en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft –

2en al de broeders die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië:

3

1:3
Rom. 1:7
1 Kor. 1:3
Efez. 1:2
1 Petr. 1:2
genade zij u en vrede van God de Vader en van onze Heere Jezus Christus,

4

1:4
Matt. 20:28
Gal. 2:20
Efez. 5:2
Tit. 2:14
Hebr. 9:14
Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en Vader.

5Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Geen ander Evangelie

6Ik verwonder mij erover dat u zich zo snel afwendt van Hem Die u in de genade van Christus geroepen heeft, naar een ander evangelie,

7terwijl er geen ander is; al zijn er ook sommigen

1:7
Hand. 15:1
die u in verwarring brengen en het Evangelie van Christus willen verdraaien.

8

1:8
2 Kor. 11:4
Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie zouden verkondigen, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.

9Zoals wij al eerder gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer: Als iemand u een evangelie verkondigt anders dan wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt.

De roeping van Paulus tot apostel

10Want ben ik nu bezig mensen te

1:10
1 Thess. 2:4
overtuigen, of God?
1:10
Jak. 4:4
Of probeer ik mensen te behagen? Als ik immers nog mensen behaagde, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn.

11

1:11
1 Kor. 15:1
Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie dat door mij verkondigd is, niet naar de mens is.

12

1:12
Efez. 3:3
Want ik heb dat ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.

13

1:13
Hand. 8:3
9:1
22:4
26:9
Filipp. 3:6
1 Tim. 1:13
U hebt immers gehoord van mijn levenswandel, voorheen in het Jodendom, dat ik de gemeente van God uitermate fel vervolgde en die verwoestte;

14en dat ik in het Jodendom meer vorderingen maakte dan veel leeftijdgenoten onder mijn volk, omdat ik een nog groter ijveraar was voor de overleveringen van mijn vaderen.

15

1:15
Hand. 9:15
13:2
Maar toen het God, Die mij vanaf de buik van mijn moeder heeft afgezonderd en geroepen door Zijn genade, behaagde

16Zijn Zoon in mij te openbaren,

1:16
Hand. 9:15
13:2
22:21
Gal. 2:8
Efez. 3:8
opdat ik Hem door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, ging ik meteen niet te rade
1:16
Matt. 16:17
bij vlees en bloed,

17en ging ik ook niet naar Jeruzalem, naar hen die al vóór mij apostel waren; maar ik vertrok naar Arabië en keerde weer terug naar Damascus.

18Daarna, drie jaar later, ging ik naar Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem.

19En ik heb niemand anders van de apostelen gezien; alleen Jakobus, de broer van de Heere.

20Wat ik u schrijf, zie, ik getuig

1:20
Rom. 1:9
9:1
2 Kor. 1:23
11:31
1 Thess. 2:5
1 Tim. 5:21
2 Tim. 4:1
voor God dat ik niet lieg.

21Daarna kwam ik in de streken van Syrië en Cilicië.

22En ik was van gezicht onbekend aan de gemeenten van Judea die in Christus zijn.

23Maar zij hadden alleen horen zeggen: Hij die ons voorheen vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij voorheen verwoestte.

24En zij verheerlijkten God in mij.

2

Paulus' ambt erkend in Jeruzalem

21Daarna ging ik, na verloop van veertien jaar, weer

2:1
Hand. 15:2
naar Jeruzalem, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee.

2En ik ging

2:2
Hand. 19:21
op grond van een openbaring, en ik legde hun het Evangelie voor dat ik verkondig onder de heidenen; en afzonderlijk aan hen die in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.

3

2:3
Hand. 16:3
1 Kor. 9:21
Maar zelfs Titus, die bij mij was, werd niet gedwongen zich te laten besnijden, hoewel hij een Griek was.

4

2:4
Hand. 15:24
En dat ter wille van de binnengedrongen valse broeders, die waren binnengeslopen om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespioneren, om ons tot slaven te maken.

5Voor hen zijn wij ook geen moment in onderdanigheid opzijgegaan, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou blijven.

6Maar wat betreft hen die geacht werden iets te zijn – wat zij voorheen waren, maakt voor mij geen verschil;

2:6
Deut. 10:17
2 Kron. 19:7
Job 34:19
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
God ziet de persoon van de mens niet aan – zij dus die in aanzien waren, hebben mij verder niets opgelegd.

7Maar integendeel, zij zagen dat aan mij het Evangelie onder de onbesnedenen2:7 onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid. toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat onder de besnedenen.

8(Want Hij Die door Petrus werkte met het oog op het apostelschap onder de besnedenen,

2:8
Hand. 9:15
13:2
22:21
Gal. 1:16
Efez. 3:8
werkte ook door mij met het oog op de heidenen.)

9En toen Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, de mij gegeven genade erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat wíj naar de heidenen en zíj naar de besnedenen zouden gaan.

10Alleen moesten wij wel aan de armen denken;

2:10
Hand. 11:30
24:17
Rom. 15:25
1 Kor. 16:1
2 Kor. 8:1
9:1
en ik heb mij ook beijverd juist dit te doen.

Onenigheid met Petrus in Antiochië

11Maar toen Petrus naar Antiochië gekomen was, ging ik openlijk tegen hem in, omdat hij te veroordelen was.

12Want voordat er enkelen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij samen met de heidenen; maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor hen die van de besnijdenis waren.

13En ook de andere Joden huichelden met hem mee, zodat zelfs Barnabas zich door hun huichelarij liet meeslepen.

14Maar toen ik zag dat zij niet juist wandelden, overeenkomstig de waarheid van het Evangelie, zei ik tegen Petrus in het bijzijn van allen:

2:14
Hand. 10:28
Als u die een Jood bent, naar heidens gebruik leeft en niet naar Joods gebruik, waarom dwingt u dan de heidenen op de Joodse manier te leven?

Voor de wet gestorven

15Wij, die van nature Joden zijn, en geen zondaars uit de heidenen,

16

2:16
Hand. 13:38
Rom. 3:28
8:3
Hebr. 7:18
weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus. En ook wij zijn in Christus Jezus gaan geloven, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het geloof van Christus en niet uit werken van de wet.
2:16
Rom. 3:20
Gal. 3:11
Immers, uit werken van de wet wordt geen vlees gerechtvaardigd.

17Maar als wij, die in Christus verlangen gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars blijken te zijn, is Christus dan een dienaar van de zonde? Volstrekt niet!

18Want als ik dat wat ik afgebroken heb, weer opbouw, dan bewijs ik daarmee dat ik zelf een overtreder ben.

19

2:19
Rom. 7:4
Want ik ben door de wet voor de wet gestorven,
2:19
Rom. 14:7
2 Kor. 5:15
1 Thess. 5:10
Hebr. 9:14
1 Petr. 4:2
opdat ik voor God zou leven.

20Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God,

2:20
Gal. 1:4
Efez. 5:2
Tit. 2:14
Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.

21Ik doe de genade van God niet teniet; want

2:21
Hebr. 7:11
als er gerechtigheid door de wet zou zijn, dan was Christus tevergeefs gestorven.

3

Niemand gerechtvaardigd door de wet

31O dwaze Galaten,

3:1
Gal. 5:7
wie heeft u betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen; u voor wie Jezus Christus eerder voor ogen is geschilderd alsof Hij onder u gekruisigd was?

2Dit alleen wil ik van u vernemen: Hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

3Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?

4Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het toch eens tevergeefs was!

5Hij dan Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

6

3:6
Gen. 15:6
Rom. 4:3
Jak. 2:23
Zoals Abraham God geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend.

7Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.

8En de Schrift, die voorzag dat God uit het geloof de heidenen zou rechtvaardigen, verkondigde eertijds aan Abraham het Evangelie:

3:8
Gen. 12:3
18:18
22:18
26:4
49:10
Hand. 3:25
In u zullen al de volken gezegend worden.

9Daarom worden zij die uit het geloof zijn, gezegend samen met de gelovige Abraham.

10Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven:

3:10
Deut. 27:26
Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen.

11

3:11
Rom. 3:20
Gal. 2:16
En dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt voor God, is duidelijk,
3:11
Hab. 2:4
Rom. 1:17
Hebr. 10:38
want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

12Maar voor de wet is het niet: uit geloof, maar:

3:12
Lev. 18:5
Ezech. 20:11
Rom. 10:5
De mens die deze dingen doet, zal daardoor leven.

De zegen van Abraham door het geloof in Christus

13

3:13
Rom. 8:3
2 Kor. 5:21
Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven:
3:13
Deut. 21:23
Vervloekt is ieder die aan een hout hangt,

14opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de heidenen zou komen, en opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof.

15Broeders, ik spreek op menselijke wijze:

3:15
Hebr. 9:17
Zelfs een verbond van mensen dat rechtsgeldig is geworden, stelt niemand terzijde of voegt daar iets aan toe.

16

3:16
Vers 8
Welnu, zo zijn de beloften aan Abraham en aan zijn nageslacht gedaan. Hij zegt niet: En aan de nageslachten, alsof er sprake zou zijn van velen; maar van één: En aan uw Nageslacht; dat is Christus.

17Dit nu zeg ik: Het verbond, dat eertijds door God rechtsgeldig was gemaakt met het oog op Christus, wordt door de wet, die

3:17
Gen. 15:13
Ex. 12:40
Hand. 7:6
na vierhonderddertig jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de belofte teniet te doen.

18

3:18
Rom. 4:14
Want als de erfenis uit de wet is, is zij niet meer uit de belofte; maar aan Abraham heeft God die door de belofte genadig geschonken.

De wet onze leermeester tot Christus

19Waartoe dient dan de wet?

3:19
Joh. 15:22
Rom. 4:15
5:20
7:8
Zij is eraan toegevoegd omwille van de overtredingen, totdat het Nageslacht zou gekomen zijn aan Wie het beloofd was; en zij is
3:19
Hand. 7:38,53
door engelen in de hand van
3:19
Deut. 5:5
Joh. 1:17
Hand. 7:38
de middelaar beschikt.

20En de middelaar is niet middelaar van één partij, maar God is één.

21Is dan de wet in strijd met de beloften van God? Volstrekt niet! Want als er een wet gegeven was die in staat was levend te maken, dan zou de gerechtigheid werkelijk uit de wet zijn.

22

3:22
Rom. 3:9
11:32
Maar de Schrift heeft alles onder de zonde opgesloten, opdat de belofte aan de gelovigen gegeven zou worden door het geloof in Jezus Christus.

23Voordat het geloof echter kwam, werden wij door de wet bewaakt, als gevangenen opgesloten, totdat het geloof geopenbaard zou worden.

24

3:24
Matt. 5:17
Hand. 13:38
Rom. 10:4
Zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof gerechtvaardigd zouden worden.

25Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een leermeester.

26

3:26
Jes. 56:5
Joh. 1:12
Rom. 8:15
Gal. 4:5
Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus.

27

3:27
Rom. 6:3
Want u allen die in Christus gedoopt bent, hebt zich met Christus bekleed.

28Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw;

3:28
Joh. 17:21
want allen bent u één in Christus Jezus.

29

3:29
Gen. 21:12
Rom. 9:7
Hebr. 11:18
En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen.