Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

231Wee de herders die de schapen van mijn weiden in het verderf storten en laten verdwalen – spreekt de HEER. 2Daarom – dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verjaagd en laten verdwalen, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga ik jullie zoeken: ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken – spreekt de HEER. 3

23:3
Jes. 40:11
Jer. 31:10
Wat er nog van de schapen over is, zal ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen ik ze verjaagd heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. 4
23:4
Jer. 3:15
Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist – spreekt de HEER.

5

23:5-6
Jer. 33:15-16
23:5
Ps. 72:1-7
Zach. 3:8
De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. 6Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven. Zijn naam zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”.

7

23:7-8
Jer. 16:14-15
Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 8maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen hij hen verbannen had.” Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.’

Profetieën over de profeten

9Over de profeten.

‘Gebroken ben ik, heel mijn lichaam beeft,

ik lijk wel dronken, beneveld door wijn –

door toedoen van de HEER,

door zijn heilige woorden.’

10‘Overal is ontrouw,

heel het land zucht onder de vloek,

verdroogd is het groen in de woestijn.

Ieder vliegt af op het kwaad

en vindt zijn kracht in onrecht.

11

23:11
Jer. 5:31
6:13
14:13-16
Want profeten en priesters zijn verdorven,

zelfs in mijn tempel moet ik hun wangedrag aanzien

– spreekt de HEER.

12Daarom zal hun weg een glibberig pad zijn,

ze struikelen in het duister, en komen ten val.

Als ik met hen afreken,

tref ik hen met onheil – spreekt de HEER.

13Bij Samaria’s profeten zag ik ongehoorde dingen:

ze lieten zich door Baäl leiden

en misleidden Israël, mijn volk.

14

23:14
Gen. 18:20
Bij Jeruzalems profeten zie ik gruwelijke dingen:

overspel! leugen op leugen!

Zij steunen de boosdoeners,

zodat die niet breken met hun kwalijke praktijken.

Iedereen is even slecht geworden

als de inwoners van Sodom en Gomorra.

15

23:15
Jer. 9:14
Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten over de profeten:

Ik geef hun alsem te eten en giftig water te drinken,

want de profeten van Jeruzalem

hebben heel het land met hun verdorvenheid besmet.

16Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Luister niet naar wat de profeten jullie verkondigen. Ze geven jullie valse hoop. Hun visioenen zijn hun eigen verzinsels, ze komen niet van de HEER. 17Tegen hen die mij minachten durven ze te zeggen: “De HEER zegt dat het jullie goed zal gaan.” En tegen ieder die zich door zijn koppige hart laat leiden zeggen ze: “Nee, onheil blijft je bespaard.” 18Wie het raadsbesluit van de HEER kreeg toevertrouwd, moet zijn woorden in zich opnemen en gehoorzamen. Wie goed naar zijn woorden geluisterd heeft, heeft ze ook begrepen.

19

23:19-20
Jer. 30:23-24
De HEER zendt een woedende wind,

een razende storm treft de verdorvenen.

20Zijn brandende toorn komt niet tot bedaren

voor hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd.

Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen.

21Ik heb die profeten niet gezonden,

toch rennen zij of zij mijn boden waren.

Ik heb niet tot hen gesproken,

toch spreken zij of zij profeten waren.

22Hadden ze mijn raadsbesluit vernomen,

dan hadden ze mijn volk mijn woorden laten horen,

het opgeroepen zijn verdorven levenswandel op te geven,

te breken met zijn kwalijke praktijken.

23Ben ik alleen een God van dichtbij,

ben ik niet ook een God van ver? – spreekt de HEER.

24

23:24
Ps. 139:7-12
Amos 9:2-3
Sir. 16:17
Als iemand zich verbergt,

zou ik hem dan niet zien? – spreekt de HEER.

Ben ik niet overal,

in de hemel en op aarde? – spreekt de HEER.

25Ik heb gehoord wat voor leugens die profeten in mijn naam verkondigen. Ze roepen: “Een droom! Ik heb een droom gehad!” 26Hoe lang nog zullen die leugenachtige profeten, die zichzelf een rad voor ogen draaien, doorgaan? 27Hoe lang nog zijn ze eropuit om met de dromen die ze elkaar vertellen mijn volk mijn naam te laten vergeten, zoals hun voorouders mijn naam door Baäl zijn vergeten? 28Een profeet die droomt, vertelt niet meer dan een droom, maar wie mijn woorden kent, geeft mijn woorden betrouwbaar weer.

Wat heeft stro met graan gemeen? – spreekt de HEER.

29

23:29
Jer. 5:14
20:9
Is mijn woord niet als een vuur,

als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de HEER.

30Ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, ik zal ze straffen, die profeten die elkaar napraten 31en steeds zo zelfverzekerd “spreekt de HEER” roepen; 32ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, die profeten die misleidende dromen profeteren en mijn volk met hun leugens en aanmatigende praatjes bedriegen. Ik heb hen niet gezonden en ze zijn dit volk op geen enkele manier tot nut – spreekt de HEER.

33En als een profeet, een priester of wie dan ook vraagt: “Welke last geeft de HEER ons met zijn woorden te dragen?” antwoord dan: “Jullie zelf zijn die last,23:33 Jullie zelf zijn die last – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Welke last?’ maar ik zal jullie afwerpen – spreekt de HEER.” 34De profeet, priester of wie dan ook die het nog over een “last van de HEER” heeft straf ik, samen met zijn hele familie. 35Vraag elkaar liever: “Wat heeft de HEER geantwoord,” of: “Wat heeft de HEER gezegd?” 36Spreek niet langer over een “last van de HEER”. Ieder zegt op last van mij te spreken, maar daarmee verdraaien jullie de woorden van de levende God, de HEER van de hemelse machten, jullie God. 37Vraag een profeet liever wat de HEER geantwoord heeft, of wat hij gezegd heeft. 38Dit zegt de HEER: Als jullie toch over een “last van de HEER” spreken, terwijl ik jullie heb verboden dat te doen, 39zal ik jullie optillen23:39 zal ik jullie optillen – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘zal ik jullie vergeten’. en van me afwerpen, samen met de stad die ik jullie en je voorouders gegeven heb. 40Ik breng eeuwige smaad en schande over jullie, die nooit zal worden vergeten.’

24

De manden met vijgen

241

24:1
2 Kon. 24:12-16
2 Kron. 36:10
De HEER liet mij twee manden met vijgen zien, nadat koning Nebukadnessar van Babylonië koning Jechonja van Juda, de zoon van Jojakim, samen met de leiders van Juda en de smeden en de wapenmeesters uit Jeruzalem naar Babel had weggevoerd. De manden waren voor de tempel gezet. 2In de ene mand zaten prachtige vijgen, als van de eerste pluk, in de andere mand zaten bedorven vijgen, die niet meer te eten waren. 3De HEER zei tegen mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Vijgen. De goede vijgen zijn helemaal gaaf, de slechte zijn zo bedorven dat ze niet meer te eten zijn.’ 4Toen richtte de HEER zich tot mij: 5
24:5-7
Ezech. 11:14-21
‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: De goede vijgen staan voor de Judese ballingen die ik van hier naar Babylonië heb gestuurd. 6
24:6
Jer. 1:10
Ik zal welwillend naar hen omzien en hen naar dit land terugbrengen. Ik zal hen opbouwen en niet afbreken, planten en niet uitrukken. 7
24:7
Jer. 30:22
31:33
Ik geef hun het inzicht dat ik de HEER ben; als ze met heel hun hart naar mij terugkeren, zullen zij mijn volk zijn en zal ik hun God zijn. 8
24:8-9
Jer. 29:17-18
Maar die bedorven vijgen die niet meer te eten zijn – ja, dit zegt de HEER: Die vijgen staan voor koning Sedekia van Juda, en voor zijn raadsheren en de mensen uit Jeruzalem die in dit land zijn overgebleven of in Egypte zijn gaan wonen. 9
24:9
Jer. 15:4
26:6
42:18
44:12
Ik maak hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde. Ze zullen te schande staan en het mikpunt zijn van hoon en spot, hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, overal waarheen ik hen verdrijf. 10Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af, tot ze zijn verdwenen uit het land dat ik hun en hun voorouders gegeven heb.’

25

Profetieën over de volken

251-2

25:1-2
2 Kon. 24:1
2 Kron. 36:5-7
Dan. 1:1-2
In het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia (dit was het eerste regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië), richtte de HEER zich tot Jeremia over de inwoners van Juda en Jeruzalem. De profeet Jeremia sprak toen tot hen: 3‘Vanaf het dertiende regeringsjaar van koning Josia van Juda, de zoon van Amon, tot op de dag van vandaag, drieëntwintig jaar lang, heb ik telkens weer namens de HEER tot jullie gesproken, maar jullie hebben niet geluisterd. 4Steeds opnieuw heeft de HEER zijn dienaren, de profeten, naar jullie gezonden, maar jullie hebben niet geluisterd; jullie wilden hen niet eens aanhoren. 5Ze zeiden: “Geef je verdorven levenswandel op, breek met je kwalijke praktijken, dan mogen jullie in het land blijven wonen dat de HEER jullie en je voorouders gegeven heeft. Zo is het altijd geweest, zo zal het dan altijd zijn. 6
25:6
Jer. 7:6,18
32:29
35:15
Loop niet achter andere goden aan, dien ze niet en buig je niet voor hen neer, krenk mij niet met wat je zelf gemaakt hebt, dan zal ik jullie niet met onheil treffen.” 7Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, jullie hebben mij gekrenkt met wat jullie zelf gemaakt hebben, tot jullie eigen ondergang. 8Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten: Omdat jullie niet naar mij hebben geluisterd, 9zal ik alle volken van het noorden met mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babylonië, ontbieden – spreekt de HEER. Ik stuur ze op de inwoners van dit land af en op alle omringende volken. Ik breng alle inwoners om; ze zullen afschuw en ontzetting wekken, en dit land zal voor altijd in puin liggen. 10
25:10
Jer. 7:34
16:9
Ezech. 26:13
Op. 18:22-23
Ik laat de vreugdezangen verstommen, bruid en bruidegom zullen niet langer van vreugde zingen, het geluid van de handmolens zal versterven en het licht van de lampen zal doven. 11
25:11
2 Kron. 36:21
Jer. 29:10
Dan. 9:2
Heel dit land valt in puin en wordt een woestenij, en ook de omringende volken zullen de koning van Babylonië dienen, zeventig jaar lang. 12Maar als die zeventig jaar voorbij zijn, zal ik de koning van Babylonië en zijn volk voor hun misdaden laten boeten – spreekt de HEER. Ik maak het land van de Chaldeeën voor altijd tot een woestenij. 13Ik breng over dat land het onheil dat ik het aangekondigd heb, alles wat in dit boek geschreven staat en door Jeremia tegen alle volken geprofeteerd is. 14Dan zullen de Chaldeeën zelf door vele volken en machtige koningen worden onderworpen. Zo zal ik hun vergelden wat ze hebben misdaan.’

15

25:15
Op. 14:10
16:19
Vervolgens zei de HEER, de God van Israël, tegen mij: ‘Neem deze beker van mij aan en laat daaruit alle volken waarheen ik je zend de wijn van mijn woede drinken. 16Als ze die drinken worden ze dronken van angst voor het zwaard dat ik op hen afstuur.’ 17Ik nam van de HEER de beker aan en gaf alle volken waarheen hij mij zond daaruit te drinken: 18Jeruzalem en de steden van Juda, die in puin zouden vallen; de koningen en leiders, die afschuw en ontzetting zouden wekken, van wie de namen als een vloek zouden worden gebruikt, zoals nu al gebeurt; 19de farao, de koning van Egypte, zijn hof, zijn raadsheren en heel zijn volk, 20en alle vreemdelingen die er woonden; alle koningen van het land Us; alle koningen van het land van de Filistijnen: die van Askelon, Gaza, Ekron en wat er nog over was van Asdod; 21Edom, Moab en Ammon; 22de koningen van Tyrus, de koningen van Sidon en die van de overzeese gebieden; 23Dedan, Tema en Buz, en alle volken met kaalgeschoren slapen; 24de koningen van Arabië en de koningen van de andere volken die in de woestijn woonden; 25de koningen van Zimri, de koningen van Elam en de koningen van Medië; 26en de koningen van het noorden, de een na de ander, of ze nu dichtbij of veraf woonden. Alle koninkrijken op aarde moesten uit de beker drinken; de koning van Sesach25:26 Sesach – Sesach is een naam voor Babel, geschreven in een soort geheimschrift, waarin de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet vervangen wordt door de laatste, de tweede door de voorlaatste, enzovoort. als laatste.

27De HEER zei: ‘Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Drink, duizel en braak; als ik het zwaard op jullie afstuur, storten jullie neer en kunnen jullie niet meer opstaan. 28En als ze weigeren de beker aan te nemen, zeg dan tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Drinken zul je! 29

25:29
1 Petr. 4:17
Ik sta op het punt de stad waaraan mijn naam verbonden is ten onder te laten gaan. Zouden jullie dan ongestraft blijven? Nee! Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde – spreekt de HEER van de hemelse machten. 30
25:30
Jes. 63:3-6
En jij – profeteer dit alles, zeg tegen hen:

De HEER brult uit de hoge hemel,

hij gromt vanuit zijn heilige woning,

hij buldert over zijn kudde.

Als een druiventreder schreeuwt hij

tegen de bewoners van de aarde.

31Tot aan de einden der aarde klinkt krijgsrumoer,

want de HEER klaagt alle volken aan,

hij voert een rechtszaak tegen al wat leeft.

Die boosdoeners levert hij uit aan het zwaard

– spreekt de HEER.

32Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Rampen treffen volk na volk,

een orkaan steekt op van de uithoeken der aarde.

33

25:33
Jer. 8:2
De slachtoffers van de HEER liggen over de aarde verspreid.

Ze worden niet betreurd, niet weggehaald en niet begraven,

maar blijven liggen als mest op het land.

34Herders, jammer, schreeuw het uit!

Leiders van de kudde, wentel je in het stof!

Nu worden jullie geslacht,

jullie vallen in stukken als een kostbare kruik,

jullie worden verstrooid.

35De herders kunnen niet meer vluchten,

de leiders kunnen niet ontkomen.

36Hoor! De herders schreeuwen,

de leiders van de kudde jammeren,

want de HEER verwoest hun weidegrond.

37Hun vredige weiden worden vernietigd

door de grote woede van de HEER.

38Als een leeuw doemt hij op uit zijn schuilplaats,

ja, hun land wordt tot een woestenij

door het moordend geweld,25:38 door het moordend geweld – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘door de toorn van de verdrukker’.

door zijn grote toorn.’