Dag 19: het genadejaar komt

In Jesaja 61 lezen we over een persoon die erg lijkt op de dienaar van God, over wie we al eerder hebben gehoord. Deze persoon komt in opdracht van God, om het goede nieuws en troost te brengen.

Bijbeltekst(en)

Uitleg Jesaja 61:1-11
Wie is er aan het woord?
De persoon waar het in de eerste elf verzen van Jesaja 61 over gaat, doet erg denken aan de dienaar van God, die vaak in het tweede deel van Jesaja voorkomt. Hoewel de spreker hier niet geïdentificeerd wordt met de dienaar, lijkt hij wel sterk op hem. Meerdere keren grijpt Jesaja 61 terug op teksten uit het tweede deel van het boek Jesaja. Net zoals in Jesaja 42:1 van de dienaar gezegd wordt (behandeld op dag 10), rust de geest van God op deze persoon (zie ook Jesaja 48:16). De persoon van Jesaja 61 heeft ook een soortgelijke taak als de dienaar: in Jesaja 42:7 en 49:9 wordt van de dienaar ook gezegd dat hij gevangenen weer zal vrijlaten, net als hier in Jesaja 61:1. Toch wordt in het midden gelaten wie het is die in vers 1-7 aan het woord is.

De opdracht
De spreker wordt met de geest van God gezalfd. En hij wordt door God gezonden. Maar de focus ligt niet op de ervaring van de persoon (zoals wel vaak bij roepingen van profeten het geval is). Het gaat hier puur om zijn missie. Die staat centraal. Daarover lees je in de eerste drie verzen. Die missie bestaat uit twee delen: het goede nieuws verkondigen en troost brengen. In vers 1 en het eerste stuk van vers 2 wordt uitgelegd wat dat goede nieuws inhoudt. Aan allerlei onderdrukte mensen wordt een omkering van hun situatie beloofd. God zal hen uit hun benarde positie bevrijden. Als hier vrijlating en bevrijding genoemd worden, gaat het niet om bevrijding uit een gevangenis of uit de ballingschap. Het woord dat hier voor bevrijding gebruikt wordt, is hetzelfde als in Leviticus 25:10. Het gaat in beide gevallen om bevrijding uit schuldslavernij. De boodschap van bevrijding geldt voor mensen die het economisch zwaar hebben en onderdrukt worden.
In het tweede deel van vers 2 en vers 3 gaat het over de troost die de spreker brengt. Daarmee sluit hij aan bij de troost die de vreugdebode brengt, over wie we gelezen hebben in Jesaja 40 (vers 1 en 9). In deze nieuwe maatschappij zullen Gods volk en de andere volken samen in het land leven (Jesaja 61:5). Zo wordt in de periode na de ballingschap, als een deel van het volk weer teruggekeerd is naar zijn land, gewerkt aan een maatschappij waar recht en orde heerst.

Verband met andere teksten: Jezus leest Jesaja 61
In Lucas 4:18-19 wordt Jesaja 61:1-2 (met een stukje uit Jesaja 58:6) voorgelezen door Jezus. Deze tekst is in het evangelie volgens Lucas een model voor Jezus’ missie. Jezus kondigt, door Jesaja, het genadejaar aan, wat verwijst naar het sabbatsjaar en het jubeljaar. Het jubeljaar zorgde één keer per vijftig jaar voor (als het tenminste gepraktiseerd werd) een verlossing van alle schulden, rust voor het land en een terugkeer van mensen naar hun thuis (Leviticus 25). In overdrachtelijke zin verwijst dit volgens Jezus naar zijn missie. Zijn boodschap had concrete gevolgen voor de mensen die hij tegenkwam. Dat wordt goed samengevat in Lucas 7:22. Jezus zegt daar: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’

Vragen

  1. Kun je groepen of personen bedenken die bij elk van de omschrijvingen van onderdrukten passen?
  2. Wat zou je tegenwoordig nog kunnen doen om het jubeljaar of genadejaar in onze wereld in de praktijk te brengen? Jubilee 2000 was een internationale beweging die ervoor lobbyde om de schulden van arme landen kwijt te schelden. Daarbij beriepen ze zich op de tekst van Leviticus over het jubeljaar. Wat vind je hiervan?
  3. Hoe past de boodschap van Jesaja 61 bij onze huidige tijdsgeest?

Kader
Genadejaar, jubeljaar, sabbatsjaar
Het jubeljaar was in de tijd van het Oude Testament een heilig jaar. Dit jaar herinnerde de Israëlieten eraan dat zijzelf en hun grond van God waren. Het bijzondere jaar moest één keer in de vijftig jaar (telkens na 49 jaar, zeven maal zeven) plaatsvinden: elk zevende jaar was er een sabbatsjaar, en na zeven keer zeven jaar brak het jubeljaar aan.
In Leviticus 25 zijn regels te vinden voor het sabbatsjaar en het jubeljaar. Het sabbatsjaar was elk zevende jaar. In dat zevende jaar moest de grond rust krijgen, want dat jaar was bestemd voor God. Niemand mocht dan zaaien of oogsten (behalve wat vanzelf groeide).
Na zeven keer zeven jaar was er dan een extra bijzonder jaar: het jubeljaar. In dat jaar moest de grond, net als in het sabbatsjaar, rust krijgen. Daarnaast moest de grond teruggegeven worden aan het oorspronkelijke stamgebied, hoefden schulden niet meer terugbetaald te worden, en mochten slaven terug naar hun eigen grondgebied en familie.
Het is niet zeker of het jubeljaar ook daadwerkelijk in de praktijk gefunctioneerd heeft. Op den duur kreeg de term in de Bijbel in ieder geval een symbolische functie: het werd minder gezien als iets dat tussen mensen plaatsvond, en meer gezien als een genadejaar waartoe God het initiatief nam. Het werd een teken van een tijd van geluk en vrede (Jesaja 61:2, Lucas 4:19).