Dag 13: het vertrouwen van de dienaar

In Jesaja 50 lezen we over het intense vertrouwen dat de dienaar in God heeft. Hij luistert aandachtig naar God. Zelfs als de dienaar ernstig lijden moet ondergaan, blijft hij op God vertrouwen.

Uitleg Jesaja 50:4-11
De dienaar als leraar
In de tweede helft van Jesaja 49 weerlegt God de klachten van Sion over God. Daarna vertellen de eerste drie verzen van Jesaja 50 over Sions afwijzing van Gods redding (zie vers 2). Vervolgens verschijnt de dienaar ten tonele. Hij staat voor het deel van het volk dat wél luistert naar God. De dienaar wordt als leraar voorgesteld. Elke ochtend, dag na dag, wordt de dienaar gewekt om meer te leren van God (vers 4). God opent zijn oren, zodat de dienaar werkelijk kan horen. Het beeld van open en dichte oren komt vaker voor in het boek Jesaja. De profeet gebruikt het beeld van dichte oren als het volk God niet volgt omdat het niet goed naar God luistert (vers 5, zie Jesaja 42:20 en 43:8). De dienaar leert van God, zodat hij anderen weer kan onderwijzen en daarmee de moedelozen kan opbeuren.

Het vertrouwen van de dienaar
In vers 6 wordt het lijden van de dienaar voor het eerst uitgebreid omschreven. De situatie lijkt die van een strafproces te zijn, waarin hij wordt gefolterd en vernederd. In een cultuur waarin eer en schaamte een grote rol spelen, wordt zo’n vernedering des te heviger gevoeld. Toch moet de dienaar dit ondergaan in opdracht van God, en juist daaruit put hij kracht (vers 7). God zal hem helpen, daarom zal hij niet beschaamd staan. Het lijden en de vernedering die de dienaar moet ondergaan, worden vanaf hoofdstuk 49 tot 53 steeds erger. In Jesaja 49:7 werd hij smadelijk veracht, in Jesaja 50:6 wordt hij gefolterd, vernederd, beschimpt en bespuwd. In de tekst van morgen, Jesaja 52:13-53:12, zal het er nog heftiger aan toegaan, tot de dienaar sterft. Vers 4-9 is dus onderdeel van een stapsgewijze opbouw, waarin steeds meer wordt onthuld van het lot van de dienaar. Het laat een rotsvast vertrouwen zien van de dienaar. Ondanks zijn lijden blijft hij op God vertrouwen. God zal hem helpen. En als God voor je is, wie zal je dan veroordelen (vers 9)? Degenen die de dienaar doen lijden, vallen dan ook uit elkaar als een kledingstuk dat door motten is aangevreten. In vers 10 wordt opgeroepen om de dienaar na te volgen in zijn vertrouwen op God. Helaas wordt uit vers 11 duidelijk dat een deel van het volk deze oproep niet volgt.

Verband met andere teksten: Paulus schaamt zich niet
We hebben al eerder gelezen dat Paulus de dienaar uit Jesaja navolgt. Dat de dienaar zich niet zal schamen, doet denken aan Paulus, die zich niet schaamt. In Romeinen 1:16 verklaart Paulus dat hij zich niet schaamt voor het goede nieuws (evangelie) dat hij verkondigt. Hij citeert hierbij Jesaja niet, maar grijpt wel terug op de ideeën uit Jesaja 50. In Romeinen 8:31 haalt hij het idee uit Jesaja 50:9 aan: als God voor je is, wie kan je dan veroordelen? In Romeinen 1:1 noemt Paulus zichzelf ‘dienaar van God’. Ook hij was een leerling van Gods woorden, en luisterde aandachtig naar wat God al gezegd had, onder andere in Jesaja 50. Dat verwerkt hij vervolgens in zijn eigen verkondiging, om zo zowel Joden als niet-Joden bij God te brengen.

Vragen

  1. Aan welke hedendaagse figuren doet de dienaar je denken?
  2. De boodschap van vers 9 is: als God voor je is, wie zal je dan veroordelen? Herken je zelf iets van dit vertrouwen? Hoe komt dit naar voren in je eigen leven?
  3. God is zo dicht bij de dienaar (vers 4-5 en 7). Toch moet de dienaar ontzettend lijden. Sterker nog, in vers 5 wordt Gods nabijheid in één zin genoemd met het komende lijden. Wat vind je daarvan? Hoe kun je dat combineren met het feit dat de dienaar tóch zoveel vertrouwen op God heeft?

Kader
De dienaar van God
Vanaf Jesaja 41 komt de figuur van de dienaar voor. Deze dienaar wordt alleen in het tweede deel van het boek Jesaja genoemd. Er zijn vier centrale teksten die over de dienaar gaan (Jesaja 42:1-9; 49:1-7; 50:4-11; 52:13-53:12). Daarnaast wordt deze dienaar tussendoor nog een aantal keer genoemd (Jesaja 41:8-9; 42:19, 43:10, 44:1-2; 44:21, 44:26, 45:4, 48:20). In de vier centrale teksten wordt de dienaar omschreven als iemand die door God uitverkoren is om Israël te redden en een licht voor de volken te zijn. Er is door onderzoekers veel nagedacht over wie met die dienaar bedoeld kan zijn. Het blijkt lastig één persoon aan te wijzen. De eerste keer dat de dienaar wordt genoemd, in Jesaja 41:8, wordt hij namelijk al omschreven als het volk Israël zelf. Tegelijk moet hij Israël redden (Jesaja 49:5-6). Dat lijkt een tegenstelling te zijn, maar waarschijnlijk staat de dienaar voor het rechtvaardige deel van het volk, dat het hele volk moet redden. Soms staat de dienaar misschien wel voor een profeet. Aan het eind van het tweede deel van het boek Jesaja wordt het nageslacht van de dienaar genoemd (Jesaja 53:10) en vervolgens wordt er over hen gesproken: vanaf Jesaja 54:17 tot aan 66:14 gaat het over dienaren.
Later, in het Nieuwe Testament, wordt Jezus vaak geïdentificeerd als de dienaar. Voor veel nieuwtestamentische schrijvers is Jezus de ultieme belichaming van de lijdende dienaar, die Israël en de volken redding brengt (bijvoorbeeld Lucas 4:18-19 en 1 Petrus 2:22-25). In navolging van Jezus neemt ook Paulus een voorbeeld aan de dienaar uit Jesaja (zie Handelingen 13:47).