Dag 12: een hernieuwde roeping

In Jesaja 49 lezen we over de hernieuwde roeping van de dienaar van God. De eerste roeping is uitgelopen op een teleurstelling. Maar God blijft trouw, en uiteindelijk zal het volk juichend uit de ballingschap terugkeren.

Bijbeltekst(en)

Uitleg Jesaja 49:1-13
De dienaar spreekt
Jesaja 49 grijpt terug op Jesaja 42, een tekst die we eerder lazen. In hoofdstuk 42 wordt Israël voorgesteld als dienaar en krijgt het de opdracht om het licht voor de volken te zijn. Daarna wordt in hoofdstuk 44-45 Cyrus opgevoerd, die Israël komt terugbrengen naar zijn land. In hoofdstuk 48 wordt het volk Israël aangesproken door God, omdat het zijn werk als dienaar niet goed doet. Dan wordt in Jesaja 48:16 een nieuwe stem geïntroduceerd: ‘God, de HEER, heeft mij gezonden, met zijn geest.’ Deze persoon, zien we in hoofdstuk 49, zal Israël recht, licht en redding moeten brengen.
Zoals gisteren al gezegd wijzen de beschrijvingen van de moederschoot erop dat God hier het initiatief nam (vers 1 en 5). Het draait dus om het staan in Gods dienst en de taak die daarbij hoort.

Twee roepingen
In vers 1-3 gaat het over de eerste roeping van de dienaar door God, in vers 4 over zijn falen, en dan in vers 5-6 over de tweede roeping. In vers 3 wordt de dienaar Israël genoemd, maar tegelijk komt de dienaar om Israël te redden (vers 5). De dienaar is een beeld voor dat deel van het volk dat trouw blijft aan God. Vers 1-13 loopt parallel aan vers 14-26, waar het over Sion gaat. Daarheen moet het volk terugkeren. Maar toen het volk de vrijheid kreeg om uit Babylonië te vertrekken, blijven er toch velen in Babylonië wonen. Dat is de teleurstelling waar het in vers 4 over gaat. De eerste roeping heeft niet het verwachte succes gebracht. Dan krijgt de dienaar een hernieuwde roeping. God blijft zijn volk trouw. Ook andere volken worden genoemd (sterker nog, de dienaar wordt in vers 1 aan hen gepresenteerd). De dienaar moet, net als in Jesaja 42, een licht voor de volken zijn. Die aandacht voor de volken wordt in het stuk over Sion herhaald (vers 22). Ondanks dat dit een tweede roeping is, na een teleurstelling, staan hoop op God en Gods trouw centraal. Daarom sluit het stuk ook af in een feestelijke, hoopvolle stemming (vers 8-13). De laatste verzen (12-13) spreken over de juichende terugkeer van het volk uit de ballingschap: vertrouwen op God draagt vrucht.

Verband met andere teksten: Paulus en de dienaar
In zijn brief aan de Galaten grijpt Paulus terug op Jesaja 49 en andere dienaarsteksten. Hij schrijft dat hij, net als de dienaar, geroepen is en al voor zijn geboorte door God werd uitgekozen (Galaten 1:15). In Galaten 2:2 en 4:11 maakt Paulus zich zorgen dat hij tevergeefs hard heeft gewerkt. Hij wil niet dat zijn inspanningen voor zijn gemeente voor niets zijn geweest. Dit doet denken aan Jesaja 49:4, waar de dienaar zegt dat al zijn werk voor niets is geweest. In de brief aan de Galaten en in zijn andere brieven ziet Paulus zichzelf als iemand die, in navolging van Christus, dezelfde missie heeft als de dienaar van God uit het boek Jesaja. Ook de schrijver van Handelingen presenteert Paulus op die manier. In Handelingen 13:47 citeren Paulus en Barnabas Jesaja 49:6, waar ze de taak van de dienaar om licht te brengen naar de volken betrekken op henzelf.

Vragen

  1. In deze passage staan veel thema’s en beelden die ook elders in het boek Jesaja of de rest van de Bijbel voorkomen. Welke herken je? Worden ze overal op dezelfde manier gebruikt? (Schakel hiervoor eventueel de functie ‘dwarsverwijzingen’ in op debijbel.nl.)
  2. Volgens vers 6 maakt God de dienaar tot een licht voor alle volken. Wat wordt daarmee bedoeld, denk je?
  3. Steeds weer zegt God in deze passage iets over zijn bedoeling met Israël en de volken. Zou je die bedoeling in je eigen woorden kunnen weergeven?

Kader
Terugkeer uit Babylonië
In Jesaja 49 lezen we dat de eerste roeping van de dienaar op een teleurstelling uitliep. Niet iedereen verliet de ballingschap toen dat mogelijk was. In de boeken Ezra en Nehemia lees je over de opdracht om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen (Ezra 1:1-4). Cyrus, de koning van het Perzische rijk, richt die opdracht aan de Joden in zijn rijk. Hij had het Babylonische rijk veroverd, en onder zijn leiding laat hij verschillende groepen die in ballingschap waren gevoerd, weer terugkeren naar hun thuisland. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat lang niet alle Joodse families terugkeerden naar Jeruzalem. Velen bleven wonen in de streek waar ze door de Babyloniërs naartoe waren gebracht. Ook tijdens de regeringen van Cyrus (558-530 voor Christus) en Darius (522-486 voor Christus). Daar werkten ze bijvoorbeeld als boeren en hadden ze geen makkelijk bestaan. Het is goed mogelijk dat deze mensen niet eens in staat waren om terug te keren.
Voor de schrijver van het tweede deel van het boek Jesaja is het een teleurstelling dat een groot deel van het volk niet terugkeert. Iedereen zou terug moeten keren naar Jeruzalem en Juda. De ballingschap in Babylonië was een straf van God voor het onrecht dat het volk gedaan had. Het eind van de ballingschap was dan ook het einde van de straf en een geschenk van genade. Eindelijk kon het volk terugkeren naar de stad van God, Sion en daar in vrede met God leven. Zelfs de andere volken zouden uiteindelijk naar Sion trekken om samen met Gods volk God te eren.