Dag 10: Gods dienaar

In Jesaja 42 komt een antwoord op de klacht van Israël uit het tweede deel van hoofdstuk 40: waar blijft het recht? God laat het recht brengen door zijn dienaar. Die dienaar introduceert hij in Jesaja 42. Hij stelt hem voor als iemand die op een nederige, kalme manier recht brengt, waarbij hij de zwakken beschermt.

Bijbeltekst(en)

Uitleg Jesaja 42:1-13
God brengt recht door zijn dienaar 
Nadat Israël in Jesaja 40:27 heeft geklaagd dat God geen oog heeft voor zijn recht, antwoordt God in hoofdstuk 41 dat hij alle macht heeft, en dat hij Israël trouw blijft. In hoofdstuk 42 zal hij laten zien hoe hij Israël redt. Dat doet hij door zijn dienaar, die met Gods geest vervuld is, en die voor recht zal zorgen bij alle volken (vers 1). Deze dienaar is dus het directe antwoord op de klacht van Israël uit Jesaja 40:27. Wanneer hij recht en orde brengt, gaat de dienaar zorgvuldig om met zwakken (vers 2-3). Hij zal een licht voor de volken zijn, en voor bevrijding zorgen (vers 6-7). Er wordt niet verteld hoe de dienaar zijn opdracht precies zal uitvoeren. Hij zal zorgen voor recht. Maar hoe dan? Er wordt in vers 2-3 alleen genoemd wat hij níét zal doen. Zo komt juist het geweldloze, nederige karakter van de dienaar nadrukkelijk naar voren.

Hier is mijn dienaar
Aan wie presenteert God deze dienaar? Vanaf Jesaja 41:21 spreekt God tegen de goden van de andere volken, die hij machteloos noemt. Hij daagt ze uit hun macht te tonen, en zet daar het tastbare resultaat van zijn eigen macht tegenover. Zo eindigt God in Jesaja 41:29 met ‘wind en leegte zijn jullie beelden’. Dit staat in schril contrast met de scheppende God en zijn macht, waar weer op teruggegrepen wordt in Jesaja 42:5. Terwijl God zijn uitverkoren dienaar presenteert, blijft hij tegen de volken en hun goden spreken. Hij stelt zijn dienaar aan hen voor en vertelt dat die bij al die volken voor recht zal zorgen (zie vers 8). De volken staan daar nu ook voor open: ze kijken uit naar het onderricht van de dienaar (vers 4)! Hier draait het dus om in deze passage en haar context: (1) God is de enige God en (2) hij zorgt (via zijn dienaar) voor recht voor iedereen. Wie is deze dienaar? Dat is een lastige vraag. In Jesaja 41:8-16 wordt het volk Israël Gods dienaar genoemd. In de rest van het hoofdstuk komt de term ‘dienaar’ niet voor. Als het dan in Jesaja 42:1 weer over Gods dienaar gaat, lijkt het nog steeds over Israël te gaan.

Verband met andere teksten: Jezus als Gods dienaar
Voor Matteüs is Jezus de dienaar over wie het vanaf Jesaja 41 regelmatig gaat. In Matteüs 12:17-21 wordt Jesaja 42:1-4 geciteerd (de tekst verschilt op sommige punten van Jesaja 42 in ons Oude Testament, doordat Matteüs de Griekse vertaling van Jesaja gebruikt en zelf aanpast). Door de woorden die Jezus spreekt en doordat hij demonen uitdrijft en mensen geneest, krijgen de profetieën van Jesaja voor Matteüs nieuwe betekenis. Matteüs bekijkt hier het werk en leven van Jezus door de bril van Jesaja 42. Net als de dienaar in het boek Jesaja laat Jezus geen agressiviteit zien. Door zijn woorden en daden verspreidt Jezus recht. Hij confronteert de leiders van het volk met hun hypocrisie en onrecht, en door er voor armen en zieken te zijn, kiest hij partij voor de zwakken, die vaak met onrecht te maken hebben. De nadruk op ‘alle volken’ in het citaat lijkt niet direct bij de context van Matteüs 12 te passen, maar past wel bij de nadruk die Matteüs in de rest van zijn evangelie legt op de verspreiding van het goede nieuws onder de niet-Joden.

Vragen

  1. Waarom is het voor de profeet belangrijk dat God de enige God is?
  2. De dienaar wordt als een geweldloze persoon omschreven. De omschrijving van God in vers 13 lijkt hier het tegenovergestelde van. Wat kun je met twee zo verschillende omschrijvingen van wat God wil?
  3. Hoe kun je in je eigen leven de dienaar van God als voorbeeld nemen?

Kader
Monotheïsme in het boek Jesaja
In Jesaja 44:9-20 drijft de profeet de spot met mensen die godenbeelden aanbidden. Uiteindelijk zijn ze van hetzelfde hout gemaakt als waarmee je vuur maakt om brood te bakken. Zoiets alledaags en waardeloos aanbid je toch niet? Op meerdere plekken in het tweede deel van het boek Jesaja laat de profeet de machteloosheid van andere goden zien (zie ook Jesaja 41:7, 23-24). Tegelijk benadrukt hij dat de God van Israël de enige God is. Als de Perzische machthebber Cyrus wordt voorgesteld in Jesaja 45, laat de profeet duidelijk zien dat ook deze machtige heerser door God aangestuurd wordt. Telkens weer ligt de nadruk op het feit dat de enige god die werkelijk bestaat en macht heeft de God van Israël is (Jesaja 45:5-7). Deze God heeft werkelijk alles geschapen, er bestaat en gebeurt niets wat hij niet zelf gemaakt heeft. Zo gaat de schrijver van het tweede deel van het boek Jesaja een stap verder dan sommige oudere bijbelboeken. Ook daar was God steevast de machtigste, maar soms was er wel ruimte voor andere goden. God stond dan aan het hoofd van alle goden en machten in de wereld, en hij was de enige die aanbidding verdiende. Met de rechtszaak tussen God en de andere goden in Jesaja 41:21-29 laat de schrijver zien dat die andere goden niet eens bestaan. In het tweede deel van het boek Jesaja is helemaal geen plaats meer voor andere goden: alléén God bestaat.