Dag 7: een wereld zonder dood

In Jesaja 25 lees je over een prachtig feestmaal. Dat feestmaal luidt een nieuw tijdperk in. God maakt een eind aan de machten die het in de huidige wereld voor het zeggen hebben. Er breekt een nieuwe tijd aan waarin een nieuwe verhouding ontstaat tussen God en de volken.

Bijbeltekst(en)

Uitleg Jesaja 25:1-12
Een nieuw tijdperk
Jesaja 25 is onderdeel van een groep teksten die over de eindtijd gaan (hoofdstuk 24-27). Na de profetieën van oordeel over de verschillende volken (Jesaja 13-23), gaat Jesaja 24-27 weer over Israël en het tijdperk ná Gods oordeel. Jesaja 25 is een danklied en een reactie op Gods oordeel en Gods komende redding. De spreker dankt God voor alles wat hij voor zijn volk gedaan heeft. In vers 2 lees je over de vernietiging van ‘hun stad’, waarna er in vers 6 een feestmaal wordt aangericht. Van wie die stad is, wordt pas later duidelijk. De stad staat symbool voor al het kwaad, het oude tijdperk. De stad staat voor alle machtscentra van de wereld waarover God een oordeel zal vellen (zie vers 3). Wat de oorzaak van dat oordeel was, wordt in vers 2-5 duidelijk. De stad herbergde gewelddadige, wrede volken. Wanneer de stad vernietigd is, kan God armen en onderdrukten, de slachtoffers van die stad, beschermen. Centraal staat hier dus het machtsmisbruik van de sterke heersers van die tijd tegen de zwakken. Die verhouding wordt door God omgekeerd als hij de armen beschermt en de stad van de machthebbers kapotmaakt. Op de berg Sion, Jeruzalem dus, wordt het nieuwe tijdperk ingeluid. Dit nieuwe tijdperk is niet alleen voor Israël: alle volken worden uitgenodigd. Dit thema zal in de tweede helft van het boek Jesaja nog vaak terugkomen (bijvoorbeeld in Jesaja 56:6-7).

Een geweldig visioen
Bij de ‘sluier waarmee alle volken omhuld zijn’, ‘het waas’, zou je aan geestelijke blindheid kunnen denken. Maar het gaat over een sluier van rouw die vervangen wordt door een feestelijk kleed. Het duidt op het tenietdoen van de dood. De sluier en de waas die de volken het zicht ontneemt en die God wegdoet, is de dood. Vers 7 en 8 zijn parallel en omschrijven hetzelfde in verschillende woorden. Dat de dood nu afwezig is, geeft het beeld van het feestmaal op de berg een perfectie die tot nu toe in Jesaja niet is voorgekomen. In Jesaja 26:19 wordt dit idee herhaald, maar verder komt het niet voor in het eerste deel van het boek Jesaja. In de laatste twee hoofdstukken van het boek Jesaja komt het idee van een nieuwe hemel en nieuwe aarde naar voren. Hier wordt daar alvast een voorschot op genomen. De visie van een perfecte, harmonieuze wereld die al vaker voorkwam in het boek Jesaja, wordt nog perfecter gemaakt door haar voor te stellen als een wereld waar ook de dood niet meer bestaat. Het stuk eindigt met drie verzen over het vertrappen van Moab (vers 10-12). Waarom eindigt een tekst over een geweldig feestmaal met zo’n gewelddadig beeld? Hiermee laat de schrijver zien dat het ook mogelijk is om de uitnodiging tot het feestmaal af te wijzen. Moab, de aartsvijand van Israël, wordt het symbool gemaakt van deze arrogante afwijzing. Zelfs als Gods uitnodiging naar iedereen uitgaat, is het mogelijk om hem af te wijzen, en dat blijft niet zonder gevolgen.

Verband met andere teksten: maaltijd op de Sinai
Het feestmaal op de berg grijpt terug naar de maaltijd op de berg Sinai in Exodus 24:11. Daar werd het verbond met God gesloten. Mozes, Aäron en allerlei vooraanstaande Israëlieten aten daar in aanwezigheid van God op de berg. Zoals Israël op de berg in verbond trad met God, zo staan in Jesaja de volken vanaf het feestmaal op de berg in een nieuwe verhouding met God, waardoor ze vanaf dan kunnen zeggen: ‘Hij is onze God!’ (Jesaja 25:9).

Vragen

  1. Wat leer je in de eerste zes verzen van deze bijbeltekst over Gods persoonlijkheid?
  2. Hoe kun je vers 10-12 samen lezen met vers 6-9?
  3. In de evangeliën vertelt Jezus gelijkenissen waarin mensen worden uitgenodigd voor een feestmaal. Zou je die gelijkenissen samen kunnen lezen met deze tekst uit Jesaja? Hoe verrijkt dit beide bijbelteksten?

Kader
Opstanding van de doden
Het idee van een opstanding uit de dood komt zelden voor in het Oude Testament. Hoewel Gods macht over de dood soms wel wordt genoemd (1 Samuel 2:6), is een opstanding uit de dood geen standaard verwachting in het Oude Testament. Soms wordt voor de dood de metafoor van de slaap gebruikt (bijvoorbeeld Job 14:12). Maar gebruikelijker is de voorstelling van het dodenrijk. Wanneer een mens sterft, daalt hij daarheen af. En uit dat dodenrijk leidt geen weg terug. Het idee dat God de dood vernietigt (Jesaja 25:7-8) en dat de doden zullen herleven (Jesaja 26:19) komt alleen in de genoemde Jesaja-teksten voor, en in Daniël 12:2. De teksten uit Jesaja lijken een uitzondering, want Daniël is een late tekst (tweede eeuw voor Christus). In andere Joodse teksten uit dezelfde tijd als de tekst uit het boek Daniël komt het idee van de opstanding terug: volgens 2 Makkabeeën 7:14 worden martelaren beloond met het eeuwige leven. Later, in het Nieuwe Testament, lezen we ook over het dodenrijk (Lucas 10:15). Ook is er nu een verdeling tussen rechtvaardigen en onrechtvaardigen, de eerste groep gaat naar het paradijs (Lucas 23:43), de tweede naar Gehenna (Matteüs 5:22-30). In de brieven van Paulus wordt duidelijk dat er ook een opstanding uit de doden verwacht wordt (1 Tessalonicenzen 4:16).