Dag 4: vertrouwen

In Jesaja 7 draait het om vertrouwen. Koning Achaz krijgt van God het aanbod om een vertrouwensband op te bouwen met hem. Achaz slaat dat aanbod af. Maar ondanks het falen van Achaz en andere koningen uit het huis van David, belooft God aan zijn volk: ik blijf bij jullie.

Bijbeltekst(en)

Uitleg Jesaja 7:1-17
Vertrouwen op God
Koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël sluiten een bondgenootschap tegen het Assyrische rijk. Koning Achaz van Juda wil geen deel van het bondgenootschap zijn, waarop Aram en Israël tegen Juda ten strijde trekken. God belooft Achaz dat hij niet bang hoeft te zijn voor de coalitie van Israël en Aram. Waarom hoeft Achaz niet bang te zijn? Dat wordt duidelijk gemaakt in vers 8-9. Het hoofd van Aram is koning Resin, die vanuit Damascus regeert, en het hoofd van Efraïm (Israël) is Pekach, die vanuit Samaria regeert. Resin en Pekach zijn slechts mensen, terwijl God zelf het hoofd van Juda is. Wat centraal staat in deze tekst is vertrouwen – vers 9: ‘Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand.’ Vertrouwen op God. En precies dat ontbreekt er nu bij het koningshuis van David. Vervolgens moet Jesaja een teken aan Achaz aanbieden (vers 10-11). Dat teken mag, aldus vers 11, uit de diepte van het dodenrijk komen of uit de hoge hemel. Zo wordt Gods macht duidelijk gemaakt. God heeft de macht over het dodenrijk en de hemel, en alles ertussenin, en daaruit kan hij een teken naar voren doen komen. Maar Achaz slaat het aanbod af. Hij wil God niet op de proef stellen, zegt hij. Dat klinkt erg eerbiedig, maar het is in feite een verkeerde uitleg van het aanbod dat Achaz via Jesaja krijgt. In zijn benarde situatie heeft hij de mogelijkheid om zijn vertrouwen op God te stellen door hem om een teken te vragen. Dat Achaz dat vervolgens invult als God ‘op de proef stellen’ laat zien dat die vertrouwensband tussen hem en God niet bestaat. Terwijl Jesaja het tegenover Achaz heeft over ‘de HEER, uw God’, reageert Achaz koeltjes met ‘de HEER’. Hij laat de woorden ‘mijn God’ weg. Zo komt de afwezigheid van een vertrouwensband tussen Achaz en God duidelijk naar voren.

Het huis van David
Bij zijn boze reactie hierop, verwijst Jesaja naar het ‘huis van David’ (vers 13), net als in vers 2, en niet alleen naar koning Achaz. Zijn kritiek betreft het hele huis van David. Die kritiek blijft niet zonder gevolg: in vers 17 wordt duidelijk dat Aram en Efraïm Juda dan wel niet zullen verslaan, maar dat de heerschappij van Assyrië over Juda zal komen. Maar te midden van die aankondiging van straf geeft God het teken waar Achaz in zijn ongeloof niet om wilde vragen: een jonge vrouw zal een zoon baren, en zij zal hem Immanuel noemen. Immanuel betekent: God met ons. Er is nog hoop voor Juda en het koningshuis van David. Hieruit wordt duidelijk dat God een straffende God is wanneer dat nodig is, maar dat zijn band met het volk niet kan worden verbroken. Zo is er midden in de straf een teken van hoop en van Gods voortdurende trouw verschijnt.

Verband met andere teksten: jonge vrouw en maagd
In Matteüs 1:23 wordt Jesaja 7:14 gebruikt om te laten zien dat Jezus voor de evangelist de volste vervulling is van ‘God (is) met ons’. Er is wel een klein verschil: Matteüs spreekt over een maagd, terwijl het in Jesaja 7 over een jonge vrouw gaat. Het Hebreeuwse woord dat hier in Jesaja voor gebruikt wordt, is almah. Een almah is een jonge vrouw aan het begin van de pubertijd. In de Griekse vertaling van het Oude Testament is dat vertaald met parthenos, dat ‘maagd’ betekent. Zo verschoof de betekenis iets. Die Griekse vertaling is vervolgens door Matteüs gebruikt. Zo kan hij de link leggen tussen de vrouw die Immanuel zou baren en de maagd Maria en haar zoon Jezus.

Vragen

  1. Hoe zou je deze bijbeltekst aan een kind kunnen uitleggen?
  2. Herken je je in Achaz en zijn zorgen?
  3. In welke situatie had je zelf graag een teken van God willen ontvangen, of heb je ervaren dat je inderdaad een teken kreeg?

Kader
De Syro-Efraïmitische oorlog
In de jaren dertig van de achtste eeuw voor Christus probeerde Tiglat-Pileser III, koning van Assyrië, zijn macht steeds verder uit te breiden naar het westen. Hij wilde graag de macht hebben over het gebied aan de kust van de Middellandse Zee, waar ook Israël en Juda lagen. Dat gebied was van groot belang om zich te kunnen verdedigen tegen de grote vijand in het westen, Egypte. Ook lag er een aantal belangrijke havens en belangrijke handelsroutes in het gebied. Koning Resin van Aram (Syrië) en koning Pekach van Israël (Efraïm) sloten een bondgenootschap tegen Assyrië, om Tiglat-Pileser tegen te houden. Tot het bondgenootschap hoorden ook een aantal steden in het kustgebied, Filistijnse heersers en mogelijk ook Edom, Ammon en Moab. Alleen Juda nam geen deel aan het bondgenootschap. Het is goed mogelijk dat het kleine Juda zich bedreigd voelde door de andere bondgenoten, en bang was om zijn gebied aan hen kwijt te raken. Of de Judese leiders geloofden niet dat een coalitie tegen het machtige Assyrië zin had, en wilden er daarom niet bij betrokken raken. In ieder geval riepen zij daarmee de woede van de omliggende volken over zich af. Uiteindelijk bleek het bondgenootschap inderdaad te zwak: Assyrië veroverde alle gebieden van de bondgenoten, waardoor ze allemaal onder de heerschappij van Tiglat-Pileser kwamen te staan. Juda had de hulp van Tiglat-Pileser ingeroepen en werd daarom niet in een oorlog veroverd door Assyrië. Wel kwam ook Juda, net als de omringende gebieden, onder de heerschappij van Tiglat-Pilesers Assyrië.