Dag 3: straf en reiniging

Pas in het zesde hoofdstuk van Jesaja vertelt de profeet hoe God hem geroepen heeft. Centraal staat daarbij de onreinheid van het volk en van Jesaja zelf. Die onreinheid moet worden bestraft. En die straf volgt ook. Toch blijft er hoop.

Uitleg Jesaja 6:1-13
De roeping van Jesaja?
Jesaja 6:1-13 lijkt op een roepingsverhaal. Juist daarom is het opvallend dat dit pas in het zesde hoofdstuk staat. Dat is anders dan bij Jeremia, Ezechiël en Hosea, die aan het begin van hun boeken hun roepingsverhaal beschrijven. Het lijkt dan ook niet alsof Jesaja hier voor het eerst als profeet geroepen wordt. Wat je in de eerste vijf hoofdstukken van Jesaja gelezen hebt, is zelfs nodig om dit verhaal goed te begrijpen – het volk Israël dat zich afkeert van God en Gods aanklacht tegen het volk. Dat is informatie die ervoor zorgt dat je Jesaja 6 goed kunt begrijpen. De tijdsaanduiding in vers 1, het sterfjaar van Uzzia, is niet alleen een datering (het jaar 742 of 736 voor Christus), maar wijst vooral op een keerpunt in de geschiedenis van God met zijn volk. Het is het eind van een periode van stabiliteit, want straks zullen de Assyriërs komen. Maar Jesaja wordt er bewust van gemaakt dat God regeert, welke menselijke koning er ook aan de macht is. Het uiteinde van Gods mantel vult de hele tempel, en serafs eren God. Zij noemen God keer op keer heilig. God staat apart van al het andere. Hij is hoogverheven en werkelijk anders. Tegelijk is hij betrokken bij zijn volk, is hij zelfs aanwezig op aarde, en mag Jesaja een glimp van zijn kleding opvangen.

Onreinheid en straf
Anders dan de serafs, die zichzelf en hun gezicht kunnen bedekken, kan Jesaja dat niet. Hij voelt zich onzuiver tegenover God, hij is onrein en hij komt uit een onrein volk. ‘Onrein’ wordt hier gebruikt als het tegenovergestelde van ‘heilig’, net als in Jesaja 35:8 en 52:1. Het verschil tussen God en Israël, en ook Jesaja, kan niet groter zijn. Maar door een van de serafs strekt God zijn hand in genade naar Jesaja uit. Dan durft Jesaja zich in dienst te stellen van God. Hij mag een boodschap brengen aan het volk. De hardheid van die boodschap lijkt onbegrijpelijk (vers 9-10). Jesaja moet het hart van het volk ongevoelig maken voor God. Dat is zowel een initiatief van God als een gevolg van de daden van Israël zelf. In het vorige hoofdstuk lazen we over de vernietiging van de wijngaard. Die zal nu uitgevoerd worden. Jesaja vraagt: ‘Hoe lang, Heer?’ (vers 11). Het antwoord is hard: de straf zal komen, en de straf is definitief en zonder genade (vers 11-12).

Verband met andere teksten: hoop
Toch blijft het niet bij uitzichtloze ellende. Dat Jesaja in vers 7 gereinigd wordt van zijn onreinheid, geeft hoop voor het onreine volk. De straf zal geheel zijn, compleet (vers 11-12). Maar toch zal er hoop overblijven voor het volk. In vers 13 lezen we over een stronk die overblijft. Die stronk zal later weer terugkomen, in Jesaja 11. Het thema van een rest die overblijft, zagen we al in Jesaja 1. Net als Jesaja, die onrein was, maar toch gereinigd werd (door vuur!), zal er uiteindelijk iets overblijven van het volk, waarmee God verder zal gaan. Dat zie je ook in het vervolg van deze tekst, Jesaja 7:3, waarin we lezen dat Jesaja’s zoon Sear-Jasub heet: een rest zal terugkeren.

De boodschap van Jezus
Jezus haalt de oordeelstekst uit Jesaja 6:9-10 aan in Matteüs 13:14-15. Nadat hij de gelijkenis van de zaaier heeft verteld aan zijn toehoorders, vragen zijn leerlingen waarom hij in gelijkenissen spreekt. Hij antwoordt dat alleen zijn leerlingen de geheimen van het koninkrijk van de hemel mogen kennen, de andere mensen niet. Dan citeert hij de tekst uit Jesaja 6: hij spreekt in gelijkenissen zodat zijn toehoorders zullen luisteren, maar niets zullen begrijpen. Deze harde boodschap wijst erop dat Jezus zijn situatie vond lijken op die van Jesaja 6. Hij wilde aan het licht brengen dat velen God niet kennen, en daarom niet tot inkeer komen. Tegelijk blijft die mogelijkheid wel bestaan, net als de hoop die in Jesaja 6 blijft bestaan. ‘Laat wie oren heeft goed luisteren!’ zegt Jezus in Matteüs 13:9. Zijn boodschap kán wel begrepen worden, en zijn leerlingen zijn daar een voorbeeld van.

Vragen

  1. Waarom zou God de harde boodschap van vers 9-10 aan Jesaja geven?
  2. Tempels en serafs staan ver af van onze huidige beleving. Waar of wanneer ervaar jij iets van de heiligheid van God?
  3. Wat vind je van de houding van Jesaja in vers 5-8, en wat zou je daar zelf van kunnen leren?

Kader
De roeping van profeten
In de Bijbel wordt de roeping van een aantal profeten beschreven. Het merendeel van die roepingen volgt een vast patroon. Een bekend voorbeeld is die van Mozes. God spreekt tot Mozes in een brandende doornstruik (Exodus 3:2-9). Dan draagt hij Mozes op om zijn boodschap over te brengen en zijn wil te doen (Exodus 3:10). Aanvankelijk protesteert Mozes (Exodus 3:11-13). Maar God stelt hem gerust (Exodus 3:12). Uiteindelijk geeft God een teken aan Mozes (Exodus 4:1-9). Hetzelfde patroon zie je bij de roeping van Gideon. Gideon wordt aangesproken (Rechters 6:12) en krijgt een opdracht (Rechters 6:14). Eerst protesteert hij (Rechters 6:15), dan wordt hij gerustgesteld (Rechters 6:16) en krijgt hij een teken (Rechters 6:17-24). Ook de roeping van Jeremia (Jeremia 1:3-19) verloopt op die manier. De roeping van Jona volgt het patroon niet precies, maar laat ook zien dat Jona aanvankelijk protesteert (Jona 1:1-3). De profeten Samuel (1 Samuel 3), Ezechiël (Ezechiël 2-3) en Hosea (Hosea 1:2-3) daarentegen, gehoorzamen meteen. De roeping van Jesaja lijkt dan ook meer op die van de laatste drie. Bij Jesaja staat het roepingsverhaal echter niet aan het begin van zijn bijbelboek, zoals bij Samuel, Jeremia, Ezechiël, Hosea en Jona wel het geval is. Daardoor lijkt het erop dat het roepingsverhaal van Jesaja niet over de eerste roeping van de profeet gaat. Het verhaal van de profeet Micha in 1 Koningen 22:19-23, toont overeenkomsten met het roepingsverhaal van Jesaja. Net als bij Jesaja hoort Micha Gods woord tijdens een goddelijk overleg.