Dag 9 - Maar verlos ons van de boze

Het kwaad in ons leven

Toelichting
‘Maar verlos ons van de boze’ is deel twee van de bede over de verzoeking of beproeving. De woorden sluiten direct aan bij het voorafgaande. Het is opmerkelijk dat deze regel in de Lucas-versie van het Onzevader ontbreekt. Veel uitleggers denken dat ‘maar verlos ons van de boze’ ergens in de eerste jaren van de vroege kerk is toegevoegd aan het gebed, om de regel over de beproeving uit te leggen. In elk geval is duidelijk dat je deze regel niet los kunt lezen van de voorafgaande. Expliciet wordt ´de boze´ genoemd of ´het kwaad´, en we zagen in het vorige hoofdstuk al dat de beproeving waarover gesproken wordt te maken heeft met ´het kwaad´ of ´kwade machten´.

In de Bijbel komt ‘het kwaad’ voor als abstracte term voor alles wat slecht is, maar in het Nieuwe Testament komen we daarnaast de duivel tegen, die ook wel beschreven wordt als ‘degene die het kwaad zelf is’ (of in oudere vertalingen: ‘de boze’). Het kwaad is daar dus helemaal los komen te staan van God, en wordt als persoon beschreven. Voor sommige mensen is dat beeld heel krachtig, voor anderen juist te mythologisch om iets mee te kunnen.

Verlossen of redden?
In de bede ‘verlos ons van de boze’ wordt een werkwoord gebruikt (Grieks: ruomai) dat ‘verlossen’, ‘redden’ of ‘bevrijden’ betekent. We vragen God dus om ons van het kwaad/de boze te redden. In het Nederlands van nu klinkt ‘verlos ons van de boze’ tamelijk abstract, terwijl het Griekse werkwoord net als ons ‘redden’ of ‘bevrijden’ heel concreet is: je bent in een noodsituatie, in een gevecht en je moet gered worden.

In oudtestamentische en Joodse gebeden was het gebruikelijk om God om redding te vragen. We zien het bijvoorbeeld in de Psalmen terug. In Psalm 22:20-22 bidt de dichter: ‘Heer, kom bij me en geef me kracht! Wacht niet langer, help mij. Red mijn leven, bescherm me tegen mijn vijanden.’ In Psalm 79:8-9 wordt redding gevraagd voor het volk dat treurt om het verwoeste Jeruzalem: ‘God, onze ellende is groot. Vergeef ons, wacht niet langer! Straf ons niet voor de fouten van onze voorouders. U bent machtig, help ons en red ons. U bent onze God, red ons en vergeef ons!’ En in Psalm 120:2 vraagt de dichter of God hem wil redden als hij tijdens de reis naar Jeruzalem gevaar loopt: ‘Heer, bescherm mij tegen mijn vijanden, bevrijd mij van bedriegers en leugenaars!’. In al deze gevallen gebruikt de Griekse vertaling van de Psalm hetzelfde werkwoord voor ‘redden’ als het Onzevader.

Dat Matteüs, of de kerk waar hij bij hoorde, in het Onzevader een regel heeft toegevoegd waarin God om redding gevraagd wordt, is dus goed te begrijpen vanuit de Joodse gebedspraktijk. Ook werd het woord ‘redden’ vaker gebruikt door de vroegste christenen. Zo lezen we in Matteüs 27:43 dat omstanders bij het kruis van Jezus staan en zeggen: ‘Hij vertrouwde toch op God? (…) Als God echt van hem houdt, moet hij hem maar redden!’ Hier is ‘redden’ echt fysiek redden van de dood, bevrijden van het kruis.

Een andere belangrijke tekst is 2 Petrus 2:9. In de verzen ervoor wordt beschreven hoe moeilijk Lot het had, de neef van Abraham, toen hij in Sodom en Gomorra woonde. Hij was omringd door goddeloze mensen die heel slechte dingen deden. God strafte de stad, maar redde Lot. En dan staat er in vers 9: ‘De Heer blijkt dus vromen uit de beproeving te kunnen redden’ (NBV). Hetzelfde woord ‘beproeving’ als in het Onzevader wordt gebruikt. God kan mensen uit zo’n situatie redden. We zagen in het vorige hoofdstuk al dat het bij beproevingen gaat om standhouden; we bidden God dat Hij ons niet in zo’n beproeving terecht laat komen. En het vervolg van de regel maakt dat nog duidelijker: sterker nog, red ons van het kwaad/de boze.

We hebben in het hoofdstuk over ‘uw koninkrijk kome’ gezien dat het Onzevader ons als bidders op het spoor van Gods nieuwe wereld zet. Dat is ons focuspunt; in ons doen en laten richten we ons op Gods koninkrijk. Het kwaad – hoe je je het ook voorstelt – staat tegenover dat koninkrijk. Het gaat het gevecht ermee aan, in alle keuzes en dilemma’s die we tegenkomen in ons leven. ‘Redden van het kwaad’ wil ook zeggen: gered worden uit het dagelijkse ‘gevecht’ dat we moeten leveren als mensen van het koninkrijk.

Kader
De boze of het kwaad?
Het woord dat we vertalen met ‘het kwaad’ of ‘de boze’ kan zowel een onzijdig woord zijn (Grieks: to ponêron, ‘het kwaad’) als een mannelijk woord (Grieks: ho ponêros, ‘de boze’, ‘hij die het kwaad zelf is’). Je kunt aan het Grieks van het Onzevader niet zien welke vorm bedoeld is, het kan dus allebei.

Het woord ponêros (en alle afgeleide vormen) wordt in het Nieuwe Testament bijna alleen gebruikt in de zin van moreel slecht, kwaadaardig. In Matteüs vind je het woord bijvoorbeeld als tegenover van ‘goed’ (Matteüs 5:45) of als tegenover van ‘rechtvaardig’ (Matteüs 13:49). We weten dat het in het Onzevader dus gaat om ‘het kwaad’ (alle slechte dingen die je treffen en die je doet), of ‘hij die het kwaad zelf is’ (de duivel). Maar kiezen is lastig!

Veel uitleggers kiezen voor ‘hij die het kwaad zelf is’. Omdat de regel alleen in Matteüs voorkomt en niet in Lucas, kijken ze vooral hoe het woord ponêros/ponêron in Matteüs gebruikt wordt. In Matteüs 13:19 vinden we een heel duidelijk voorbeeld waarin ho ponêros gebruikt wordt, de mannelijke vorm ‘hij die het kwaad zelf is’, ‘de boze. De gebedsregel sluit bovendien direct aan bij ‘breng ons niet in beproeving’ – een beproeving door kwade machten of de duivel zelf.

Maar er zijn ook argumenten voor de vertaling met ‘het kwaad’. Er zijn drie teksten uit iets latere christelijke boeken die bijna hetzelfde klinken als deze regel uit het Onzevader, waarin wél duidelijk is dat het om ‘het kwaad’ gaat. De eerste twee vinden we in het Nieuwe Testament. In 2 Timoteüs 4:18 staat: ‘De Heer zal me van alle kwaad redden en me veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen’ (NBV). De tweede tekst is 2 Tessalonicenzen 3:2-3: ‘Bid ook dat God mij beschermt tegen mensen die verkeerd en slecht zijn omdat ze niet geloven. De Heer is trouw. Hij zal jullie kracht geven en beschermen tegen de macht van het kwaad.’ Hier is duidelijk dat de ‘beproeving’ bestaat uit ontmoetingen met mensen die je bij het geloof weg proberen te halen; in vers 3 wordt dat getypeerd als ‘het kwaad’. De derde tekst vinden we in de Didache, een christelijk boek uit de eerste helft van de tweede eeuw na Christus. In Didache 10:5 lezen we: ‘Denk aan uw kerk, Heer, om haar te redden van alle kwaad.’

Er is eigenlijk geen doorslaggevend argument voor de ene of de andere uitleg, en voor de schrijvers van het Nieuwe Testament zullen het ook twee kanten van dezelfde medaille zijn geweest. Ze zijn allebei goed mogelijk op basis van het Grieks, beide passen ook goed in het wereldbeeld van de tijd waarin het gebed ontstaan is.

Reflectie
Bedenk eens bij jezelf wat beter bij jou past: ‘verlos ons van de boze’ of ‘red ons van het kwaad’. Misschien vind je de gedachte van een duivel met een leger demonen te mythologisch. Misschien ervaar je juist wel de realiteit van kwade machten in je leven. Hoe je het ook beleeft en gelooft, elk mens krijgt te maken met kwaad in zijn of haar leven. Kwaad dat je treft, kwaad dat je doet, zelfs als je probeert het juist niet te doen, kwaad dat we als mensheid doen, en waar we elkaar mee treffen. In het Onzevader vragen we God of Hij ons wil verlossen van het kwaad, van de kwade machten. Wij willen leven volgens de normen van Gods nieuwe wereld – maar telkens weer worden we ermee geconfronteerd hoe moeilijk dat is. Op alle mogelijke manieren komen we onder druk te staan vanuit de wereld om ons heen en vanuit onszelf.

We zoeken de weg terug naar het paradijs, de wereld waarin kwaad niet bestaat. De Bijbel is niet onrealistisch: het kwaad hoort bij de wereld zoals wij die nu kennen. Maar dat betekent niet dat je je erbij neer moet leggen. We hebben kennis van goed en kwaad, we weten dat de wereld niet kwaad bedoeld is. We kunnen, ondanks onze eigen beperkingen, toch ons best doen om zelf mensen van Gods nieuwe wereld te zijn. Want wij weten dat God het goede voor ons mensen wil. Hij heeft de wereld zo niet bedoeld, en wil uiteindelijk terug naar een wereld zonder kwaad. Dat verbindt alle bijbelverhalen over het kwaad, en dat maakt de bede ‘red ons van het kwaad’ ook zo belangrijk.