Dag 8 - En leid ons niet in verzoeking

Stelt God ons op de proef?

Toelichting
Beproevingen komen niet van God
In de Bijbel kom je teksten tegen waarin God mensen op de proef stelt. Hij doet iets waarmee Hij wil uittesten hoe stevig de trouw of het geloof van mensen is. Toch is de ‘beproeving’ in het Onzevader van een andere orde. Want het is duidelijk dat in het Onzevader met ‘beproeving’ iets negatiefs, iets slechts bedoeld wordt. Het voorbeeld van Job is een goede brug tussen Oude en Nieuwe Testament. Job krijgt in het Oude Testament de ultieme test van trouw aan God. Het is daar Satan die de test uitvoert – die wil Job ontmaskeren als een mooi-weer-gelovige. Dat past bij wat er in het Nieuwe Testament bedoeld wordt met ‘beproeving’.

In het boek Openbaring – geschreven als bemoediging voor vervolgde christenen – lezen we een duidelijk voorbeeld van wat bedoeld is met ‘beproeving’, en wie er achter die beproeving zit: ‘Jullie zullen het moeilijk krijgen, maar daar moeten jullie niet bang voor zijn. De duivel zal sommigen van jullie in de gevangenis laten opsluiten. Zo zal hij proberen jullie van je geloof af te brengen (Grieks: peirazô, ‘op de proef stellen’). In de gevangenis zullen jullie tien dagen lang lijden. Maar als jullie tot aan je dood in mij blijven geloven, beloon ik jullie met het eeuwige leven’ (Openbaring 2:10). Een ander voorbeeld waar duidelijk uit blijkt wie de test uitvoert, vinden we in Lucas 22:31-32, waar Jezus tegen Petrus zegt: ‘Pas op, Simon! Satan staat klaar om het jullie moeilijk te maken. Dan zal duidelijk worden wie van jullie trouw aan mij is en wie niet. Maar ik heb gebeden dat jouw geloof sterk genoeg zal zijn, Simon.’ Het is niet God maar de duivel die klaar staat om Petrus van de goede weg af te trekken – en het gaat erom of zijn geloof sterk genoeg zal zijn of niet.

Breng ons niet in beproeving
In een beproeving komt het aan op volhouden, of anders gezegd, blijven kiezen voor God. Nu vragen we in het gebed aan God of Hij ons niet in zo’n situatie terecht wil laten komen. Wat heeft God dan precies te maken met die beproevingen?

Eigenlijk is het een typisch moderne vraag aan de Bijbel! De tekst zegt: ‘breng ons niet in beproeving’, en wij vragen: is het dan God die ons in beproeving brengt? We hebben gezien dat het volgens de eerste christenen de kwade machten zijn die proberen de christenen onderuit te halen met beproevingen. Het is dus niet God die dat doet. Maar het gebed suggereert wel dat God in staat is ons te behoeden voor zulke beproevingen. God is de controle niet kwijt, ook niet over het kwaad, over de kwade machten. Uiteindelijk bepaalt Hij wat er gebeurt in de wereld – zo zegt het gebed – dus ook of jij al dan niet in een situatie van beproeving terecht komt.

Het is precies als in het verhaal van de verzoeking in de woestijn (Matteüs 4:1-11): het is de Geest van God die Jezus naar de woestijn brengt. Maar het is de duivel die Jezus op de proef stelt en Hem wil laten zondigen. Hij wil Jezus stenen in brood laten veranderen, God laten uitdagen en Hem voor zichzelf laten knielen. Het is de ultieme test voor Jezus: blijft Hij in de moeilijkheden op God vertrouwen, of geeft Hij zich gewonnen?

Om zulke tests gaat het in de bede van het Onzevader: beproevingen die je als mens niet gemakkelijk kunt doorstaan. In Getsemane zegt Jezus tegen zijn leerlingen (die net in slaap zijn gevallen terwijl Jezus ze uitdrukkelijk vroeg wakker te blijven en voor Hem te waken): ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak’ (Matteüs 26:41, NBV). Deze woorden, bijna dezelfde als in het Onzevader, willen zeggen: vraag God of Hij ervoor wil zorgen dat jullie niet in een situatie komen waarin het erom gaat spannen. De kans is namelijk groot dat je het niet zult volhouden.

Net als in het Oude Testament is beproeving in het Nieuwe Testament uiteindelijk iets waarmee je als gelovige kunt schitteren, als je volhoudt. Maar er is wel een groot verschil: het zijn kwade machten die de beproeving uitvoeren, en dat maakt een beproeving tot iets slechts wat je kan overkomen. Gelovigen staan bloot aan beproevingen, die de gedaante aannemen van verleidingen, van ellende en vervolging, van aanvechting. Wanneer het erop aankomt, vraagt het geloof je te kiezen voor God en tegen de kwade machten, en zo te blijven leven dat je laat zien dat je bij Gods nieuwe wereld hoort. En in het Onzevader vraag je God: bescherm mij alstublieft, en zorg dat ik niet in zo’n keuzesituatie terechtkom.

Kader
‘Peirasmos’: verleiding, aanvechting en test
Het Griekse woord voor ‘verzoeking’ is peirasmos. In moderne vertalingen wordt dat vaak met ‘beproeving’ vertaald. Zo zullen we de bede in dit hoofdstuk ook lezen: we vragen God of Hij ons niet in beproeving wil brengen.

Er zitten verschillende aspecten in het Griekse woord peirasmos. Als iets aantrekkelijk is, maar tegelijk het risico in zich bergt dat je verkeerde dingen gaat doen, noemen we dat in het Nederlands een verleiding. Peirasmos kan ‘verleiding’ betekenen. Dat zie je bijvoorbeeld in 1 Timoteüs 6:9: ‘Wie rijk wil worden, staat bloot aan verleiding (peirasmos, NBV).’

Als iemand een ander expres in een situatie brengt waarin hij of zij gemakkelijk een verkeerde keuze kan maken, dan wordt zo iemand op de proef gesteld, of getest. Ook dat heet een peirasmos. Een bijbels voorbeeld vinden we in Matteüs 16:1: ‘De farizeeën en de sadduceeën kwamen hem op de proef stellen (peirazô, het werkwoord dat bij peirasmos hoort) met de vraag hun een teken uit de hemel te tonen’ (NBV).

Je zou peirasmos ook kunnen vertalen met ‘aanvechting’. We gebruiken dat woord om het inwendige proces te beschrijven dat je doormaakt in een situatie van verleiding of beproeving – een aanvechting is een moeilijk weerstaanbare neiging om de verkeerde keuze te maken. De drie betekenissen liggen in elkaars verlengde, en hoeven niet als tegenstellingen gezien te worden, maar in een bijbelvertaling moet je wel kiezen.

Je kunt peirasmos in het Onzevader uitleggen als ‘verleiding’: ‘breng ons niet in verleiding’. Concreet kun je dan denken aan situaties waarin de verleiding groot is om iets te doen wat niet goed is, om te zondigen. De vroegere Rooms-katholieke versie van deze regel van het Onzevader luidde: ‘leid ons niet in bekoring’ (een ander woord voor verleiding), en wordt uitgelegd als ‘laat ons niet in zonde vervallen’.

Peirasmos wordt in het Nieuwe Testament meestal gebruikt voor een situatie waarin mensen moeilijkheden ervaren (op allerlei manieren, o.a. door verleidingen) en waarin hun geloof onder druk komt te staan. Ons woord ‘beproeving’ dekt de lading in die gevallen het beste. Daarom wordt tegenwoordig ook vaak voor ‘beproeving’ gekozen in de vertaling van het Onzevader. Maar dan worden we ook direct geconfronteerd met de vraag: is het God zelf die ons mensen aan zo’n test onderwerpt?

Reflectie
Het is misschien een opluchting dat het Onzevader niet suggereert dat God ons op de proef stelt, het zijn de kwade machten die ons op de proef stellen. Dat is misschien een wat lastige manier van spreken voor ons moderne mensen. Beleven wij het vroegchristelijke wereldbeeld mee? Hoe kijken wij aan tegen het idee van kwade machten die ons bedreigen en van het geloof willen afbrengen?

Onze situatie is heel anders dan die van de eerste christenen, en ons wereldbeeld ook. Maar de boodschap van het koninkrijk, Gods nieuwe wereld, doet ook op ons een beroep. De dingen waar Gods nieuwe wereld voor staat (liefde in plaats van uitsluiting, recht in plaats van onrecht, delen in plaats van verrijking) staan voor een groot deel haaks op de werkelijkheid zoals alle mensen en ook wij die vaak ervaren. De meesten van ons hebben niet te maken met vervolging of onderdrukking om ons geloof. Maar toch kan het ook voor ons moeilijk zijn om nu al te leven als mensen die horen bij de nieuwe wereld. Want ‘meegaan’ is veel makkelijker dan ergens tegen ingaan. Onrecht laten bestaan (‘omdat ik er in m’n eentje toch niets tegen kan doen’) is veel makkelijker dan te bedenken wat je wél kunt doen. We bidden of God ons wil behoeden voor situaties waarin we onze trouw aan Hem opgeven. En eigenlijk nodigt die bede ons uit om met elkaar na te denken over wat trouw aan God en aan de nieuwe wereld betekent, ook in onze tijd. Welke confrontaties brengt dat met zich mee, welke dilemma’s? En hoe kunnen wij ervoor zorgen dat we God in dat alles trouw blijven?

Wat zeg je tegen God als je deze regel bidt? In elk geval erken je dat het soms heel moeilijk is om te blijven geloven. Omdat je God vraagt om je niet aan dat soort momenten bloot te stellen, geef je ook aan dat je gelooft dat Hij dat kan. Je geeft aan dat je bij Hem hoort, en zijn hulp nodig hebt.

Het betekent helaas niet dat wij altijd gespaard blijven voor beproevingen. Dat wisten de schrijvers van het Nieuwe Testament maar al te goed. We lazen in 1 Korintiërs 10: God zal ons helpen om vol te houden als wij het moeilijk hebben. God heeft de wereld niet bedoeld als een plaats waar slechtheid, ellende, ziekte en dood heersen. Hij wil ons redden van het kwaad. Dat zal nog extra duidelijk worden in de volgende regel in het Onzevader.