Dag 7 - Vergeef ons onze schulden, zoals wij onze schuldenaars vergeven

Schuld en vergeving

Toelichting
Schuld en vergeving
Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt voor ‘schuld’ (ofeilêma) betekent gewoonlijk ‘financiële schuld’. Het woord dat wij vertalen met ‘vergeven’ kan ook heel goed gebruikt worden voor het kwijtschelden van een financiële schuld (bijvoorbeeld in Matteüs 18:27). Je zou de gebedsregel dus ook kunnen vertalen als ‘scheld ons onze schulden kwijt’.

Sommige uitleggers zeggen dat je in de woorden nog de oorsprong van het gebed in een boerencontext kunt zien. De geschiedenis van Jezus speelt zich immers grotendeels af op het platteland van Galilea en Judea, een boerengebied. Als je pachter bent, een boer die een stuk grond huurt van een landeigenaar, loop je grote risico’s: als de oogst mislukt, en je niks te verkopen hebt, heb je al snel een grote schuld bij je landheer. Je weet dat je móet betalen, maar je kunt het simpelweg niet. Dan komt het moment dat je tegen je heer moet zeggen: Heer, scheld mij alstublieft mijn schulden kwijt. Als de landheer dat weigert, moet je je land en je huis opgeven en sta je op straat met lege handen, of je wordt schuldslaaf. Zo concreet is dus het beeld dat in het Onzevader gebruikt wordt om onze verhouding met God weer te geven. Die beeldtaal doordringt ons ervan dat we niet zomaar even om vergeving vragen over iets kleins. Zonder Gods vergeving, zonder kwijtschelding van onze schulden, kunnen we eigenlijk niet doorleven. Gods vergeving is voor ons net zo nodig als het dagelijks brood. Daarom is het ook deel van het Onzevader.

Gedachten over schuld en vergeving in het Nieuwe Testament
Als we het hebben over schuld en vergeving in het Nieuwe Testament, denken we snel aan de kruisdood van Jezus. In 1 Korintiërs 15:3 schrijft Paulus: ‘Dit is het goede nieuws: Jezus Christus is voor ons gestorven, en daardoor worden onze zonden vergeven’. In het Nieuwe Testament wordt een duidelijke link gelegd tussen Jezus’ komst naar de aarde, zijn dood aan het kruis, en het overwinnen van de kwade machten. Het uitgangspunt lijkt sterkt op wat we in het Oude Testament zien: het besef dat mensen schuld hebben tegenover God, en nooit op eigen kracht die schuld helemaal kwijt kunnen raken.

Dat betekent echter niet dat je geen eigen verantwoordelijkheid meer hebt. Paulus beschrijft het mooi in Galaten 5:16-26: als je met Christus leeft, krijg je de heilige Geest. En die Geest probeert je in je leven op het goede pad te zetten. Lukt dat, dan zie je mensen op een goede manier leven – vriendelijk, geduldig, met oog voor elkaar. Maar het lukt niet altijd; de slechte verlangens in jezelf blijven aanwezig en het kost veel moeite om die te bedwingen.

En zoals eerder gezegd, de gebedsregel houdt hier niet op! Het ene moment staan wij als verantwoordelijke mens tegenover God, het volgende moment staat een ander mens tegenover ons als schuldige. En wat doen wij dan? Zo gemakkelijk is vergeven niet. In Matteüs 18:21-35 wordt dat met een prachtig verhaal geïllustreerd.

Jezus vertelt: Een koning organiseert een betaaldag: alle dienaren die hem geld schuldig zijn, moeten komen om te betalen. Dan komt er een man niets kan betalen. Eerst zegt de koning: verkoop die man maar als slaaf, samen met zijn vrouw en kinderen. Maar als de man heel nederig om geduld vraagt, krijgt de koning medelijden, en scheldt de schuld kwijt. Als de man het paleis verlaat, komt hij zelf iemand tegen die hem geld schuldig is, een veel kleiner bedrag. Ook die persoon heeft geen geld om te betalen. De man die zojuist zelf nog geholpen werd, laat die persoon opsluiten in de gevangenis. Jezus maakt vervolgens heel duidelijk dat dát dus niet de bedoeling is. Jouw schuld tegenover God is veel groter dan de schuld die anderen tegenover jou hebben. Dus ook jou wordt gevraagd te vergeven, anders moet je het ook niet aan God vragen.

Als je even terugdenkt aan de regel over Gods wil, dan is er nog een interessante overeenkomst. Daar moet de aarde een spiegel zijn van de hemel: op aarde moet Gods wil gebeuren, net als in de hemel. Hier vragen we God in de hemel om ons te vergeven, net zoals wij zelf op aarde anderen vergeven. We kunnen eigenlijk pas bij God terecht met een vraag om vergeving, als we zelf ook vergeven. Je ziet zo op een aantal plaatsen in het gebed dat er toegewerkt moet worden naar harmonie tussen hemel en aarde, tussen God en mens. Dan zal het leven goed zijn!

Kader
Gedachten over schuld en vergeving in het Oude Testament
In Exodus 34 is Mozes op de berg Sinai, om van God de tien geboden te krijgen. Goed om erbij te bedenken dat het de tweede keer is dat Mozes ze krijgt. Tijdens De eerste keer had het volk een gouden kalf gemaakt en was dat als god gaan dienen (Exodus 32). Mozes was woedend geworden, had de stenen platen met de regels kapot geslagen, en had in opdracht van God het volk gestraft.

Daarna vraagt Mozes God of Hij tóch met het volk verder wil gaan. God stemt daarmee in. Nu is Mozes opnieuw op de berg, en dit is wat God tegen hem zegt: ‘Ik ben de Heer! Ik ben een goede God. Ik zorg voor de mensen. Ik ben geduldig, trouw en vol liefde. Mijn liefde voor mensen duurt duizenden generaties. Ik vergeef mensen alles wat ze verkeerd doen, ook als ze grote fouten maken’ (Exodus 34:6-7). Maar direct erna zegt Hij: ‘Maar ik straf mensen als ze mij ontrouw zijn. En ik straf ook hun kinderen, tot en met de vierde generatie’ (Exodus 34:7). Er is bij God ruimte voor vergeving, maar tegelijk is het Hem wel menens als er tegen Hem gezondigd wordt. Mozes grijpt de ruimte die God biedt aan om te bidden om vergeving (Exodus 34:9).

In veel teksten uit het Oude Testament wordt ook een verband gelegd tussen welbevinden (van een individu of groep) en de zonden die begaan zijn (zie bijvoorbeeld Psalm 38:4-6). Het overtreden van Gods regels werd in de tijd van de Bijbel gezien als een oorzaak voor ziekte of ongeluk. Dat illustreert dat schuld iets met je mens-zijn doet. Je moet er iets mee, om te zorgen dat je met een schone lei kunt beginnen. Je kunt denken aan het goedmaken met iemand, de problemen die je (mede) veroorzaakt hebt bestrijden en oplossen, of – als het om misdaden gaat – een straf of een boete.

In het Oude Testament is het brengen van een offer een van de manieren waarop je met God een nieuwe start kunt maken. Voor bepaalde overtredingen zijn specifieke offers beschreven, bijvoorbeeld in het boek Leviticus. Je zou de indruk kunnen krijgen dat in het Oude Testament vergeving iets mechanisch is, iets wat onafhankelijk is van de intentie van mensen. Maar als je de profetenboeken leest, kom je heel andere teksten tegen. Jesaja 1:11-15 laat zien dat offers of religieuze praktijken zonder de juiste intentie helemaal geen zin hebben – vrome praatjes zonder oprechte bedoelingen en een bijpassende leefwijze leiden niet tot vergeving. God laat zich niet voor de gek houden.

En zoals gezegd is er in de Bijbel ook een sterk besef van collectieve verantwoordelijkheid – van een volk, van een groep. Die verantwoordelijkheid gaat mee naar de volgende generatie. Zo horen we in Ezra 9:6-8 de priester Ezra voor en namens het Judese volk bidden. ‘Vergeef ons onze schulden’ reikt verder dan onze persoonlijke verantwoordelijkheid in de afgelopen dagen. Het gaat óók om wat we als groep veroorzaken, als volk, als westerlingen, als kerk.

Reflectie
Misschien is deze regel wel de moeilijkste van het hele Onzevader. Er wordt echt iets van ons gevraagd: inzicht in ons eigen falen, en een groot hart richting andere mensen. Kunnen we dat eigenlijk wel? Geloof geeft vreugde in je leven, geborgenheid en hoop. Maar het is ook een spiegel die soms geen fraai beeld teruggeeft. Misschien heb je niet elke (zon)dag de behoefte om in die spiegel te kijken. Aan de andere kant: is er niet elke dag wel een moment waarop je je schuldig voelt – als persoon, als lid van een groep? Jezus gaf het Onzevader ook voor de momenten dat we de woorden zelf niet zo goed kunnen vinden. Juist ook deze gebedsregel geeft woorden aan wat we vaak zo moeilijk onder ogen kunnen zien, zeker in deze tijd.