Dag 6 - Geef ons heden ons dagelijks brood

God en ons voedsel

Toelichting
Brood is meer dan brood alleen
Misschien is het omdat brood het belangrijkste voedsel was, dat in teksten het woord voor brood ook in bredere zin gebruikt wordt dan bij ons. Je ziet in Psalm 136:25 bijvoorbeeld dat ‘brood’ soms gebruikt wordt om het voedsel aan te duiden dat je als mens of dier nodig hebt om te kunnen blijven leven. Ook in het Onzevader kun je ‘brood’ op die manier opvatten: God, geef ons wat we dagelijks aan voedsel nodig hebben om te kunnen blijven leven. In de praktijk was dat dus vaak vooral brood.

Je komt in de Bijbel vaak dankbaarheid tegen voor het eten dat God de mensen geeft. Men ervoer in de bijbelse tijd de afhankelijkheid van wat het land gaf aan den lijve. Geen regen betekent geen oogst, en dat betekent geen eten. Of er een goede regenbui komt of niet, is niet aan de mens. Ten diepste zijn we – ook nu nog – afhankelijk van wat we van de natuur krijgen. En de Bijbel zegt dan: God is daarbij betrokken. Het is uiteindelijk God die ons wil geven wat we nodig hebben (zie bijvoorbeeld Psalm 147).

Vertrouwen op God en op elkaar
Ook tijdens de lange tocht – veertig jaar – naar het beloofde land is eten en drinken herhaaldelijk het onderwerp van gesprek. In Exodus 16 is het volk in de woestijn, en klaagt het steen en been over het ontbreken van voedsel. Mensen durven niet op God te vertrouwen. Liever slavernij in Egypte met voedselzekerheid, dan vrijheid in de woestijn zonder eten. En God krijgt de schuld, Hij heeft ze immers weggehaald uit Egypte.

Het is bijzonder wat er dan gebeurt. In vers 4-5 zegt God tegen Mozes: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jullie weer brood krijgen. Het zal als regen uit de hemel komen. Elke dag moeten de mensen dan genoeg brood verzamelen voor één dag.’ God gaat – letterlijk – dagelijks het brood geven dat de mensen nodig hebben. En daarmee stelt Hij ze ook op de proef, want ze mogen niet meer nemen dan ze echt nodig hebben. Zo gebeurt het: het regent manna, en het volk hoort dat dat het brood is dat God hun geeft. En alsof de bede uit het Onzevader in vervulling is gegaan, staat er in vers 17-18: ‘Sommigen raapten meer op dan anderen, maar niemand had te veel of te weinig. Iedereen had genoeg.’ In vers 20 lezen we dat sommige mensen toch niet echt vertrouwen dat er de volgende ochtend weer manna zal zijn, dus ze bewaren een portie. De volgende ochtend blijkt het bedorven te zijn.

Het is een mooi verhaal, maar het is ook een spiegel. Weten wij als moderne mensen eigenlijk wel wat we nodig hebben, en wat ‘extra’ is? En durven we te vertrouwen dat God ons geeft wat we nodig hebben, of zoeken we ook naar zekerheid? Zo gemakkelijk is het niet om hardop tegen God te zeggen: ‘geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’ – want deze woorden zijn leeg als ze niet gebaseerd zijn op een diep besef van afhankelijkheid van God en van elkaar.

Een belangrijk aspect waar we ten slotte bij stil moeten staan is delen. Het delen van je brood laat zien dat je beseft dat dat brood een geschenk is. Bij brood delen denken we aan Jezus, aan het laatste avondmaal, maar ook aan de wonderbare spijsvermenigvuldiging (zie o.a. Marcus 6:35-44). Zonder ophouden komen de mensen naar Jezus toe. Hij heeft het zo druk, dat hij zelf niet eens kan eten (Marcus 6:31). De leerlingen attenderen Jezus erop dat Hij een probleem heeft: het wordt snel laat, er is geen eten voor de mensen. Maar Jezus geeft het probleem terug: ‘geven jullie hun maar te eten’. De leerlingen denken precies zoals wij ook zouden doen: hoe moeten we dat betalen? Jezus vraagt hun om te verzamelen wat er is, en opent dan de maaltijd: Hij dankt God voor het eten en breekt het brood.

Jezus doorbreekt de menselijke neiging om eerst aan jezelf te denken: jij wilt geen probleem, dus de mensen moeten naar huis. Jij wilt niet failliet gaan, dus de mensen moeten zelf maar eten kopen. Maar als je deelt, als je samen brood breekt, als je genoegen neemt met een eenvoudig brood en een eenvoudige vis, dan zie je Gods koninkrijk al even op aarde. De Bijbel is geen toverboek, maar een boek van hoop voor mensen die niets hebben, juist ook omdat het een aanmoediging is om te delen voor diegenen die wel iets hebben.

Kader
Brood in de tijd van de Bijbel
Rond de Middellandse Zee was brood gedurende millennia hét voedingsmiddel voor mensen. Je kunt zelfs stellen dat de productie van granen heel bepalend was voor het aantal mensen dat kon leven op een bepaald stuk land. Het was namelijk niet gemakkelijk om graan te importeren en bovendien erg duur. Illustratief is het verhaal van Jozef die graan liet opslaan voor slechtere tijden. Hongersnood was (en is) een reden om een land te verlaten – je kunt er niet meer wonen (denk aan Ruth 1:1).

In de Bijbel kom je een aantal soorten brood tegen. Er is variatie in de gebruikte graansoort (bijv. gerst of tarwe), er zijn gerezen en ongerezen broden (met of zonder desem), en er zijn verschillende vormen brood (bijv. dik of dun). Gerstebrood was goedkoper dan tarwebrood, zo blijkt en passant uit bijbelteksten zoals 2 Koningen 7:1 en Openbaring 6:6. Tarwe(bloem) was volgens deze teksten zo’n twee tot drie keer duurder dan gerst. Ook Exodus 29:2 is een interessante tekst als het om soorten brood gaat; in het vers is sprake van ‘dikke broden, met olijfolie bereid, en dunne broden, met olijfolie bestreken – alles ongedesemd en gebakken van tarwebloem’.

Mensen bakten meestal zelf hun brood, in een broodoven bij hun huis of op een vuur. Ze bewaarden meel of graan in stenen vaten of potten, om het tegen bederf en ongedierte te beschermen. Professionele akkers vond je alleen in tempels, paleizen en steden.

In de bijbelse teksten kom je ook regelmatig elementen uit het proces van broodbereiding tegen, soms ook als beeldspraak. Denk aan het zeven van het graan (Lucas 22:31), de molen waarmee het meel gemalen wordt (bijvoorbeeld Matteüs 24:41), het meel en zuurdesem, of in andere vertalingen, gist (Matteüs 13:33). Met name zuurdesem/gist wordt ook als beeldspraak gebruikt (zie 1 Korintiërs 5:6-7).

Brood was, zoals gezegd, een hoofdbestanddeel van de maaltijd in de bijbelse tijd. Soms werd brood samen met vlees gegeten (Exodus 12:8; 29:32), soms met olijfolie of soep (Genesis 25:34; Matteüs 26:23). Samen dankzeggen en het brood breken staat in de Bijbel symbool voor het beginnen met een gezamenlijke maaltijd, het delen van je eten met anderen. Dit gebruik kennen we natuurlijk het best uit het verhaal van de instelling van de Maaltijd van de Heer (bijvoorbeeld in Marcus 14:22).

“De mens leeft niet van brood alleen,” zegt Jezus tegen Satan als deze Hem op de proef stelt in de woestijn (Matteüs 4:4). Het feit dat in deze uitspraak brood genoemd wordt, onderstreept nog eens hoe sterk mensen hun basisbehoefte associeerden met brood. Dat Jezus de leerlingen in Marcus 6:8 op draagt om ‘op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok,’ laat opnieuw zien hoe basaal brood was. Als je zelfs geen brood bij je hebt, dan ben je geheel afhankelijk van wat anderen jou geven.

Reflectie
De bede ‘geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’ brengt ons bij een aantal vragen: welk voedsel hebben wij écht nodig? Realiseren we ons genoeg dat we voor ons voedsel (en dus voor onze eerste levensbehoeften) afhankelijk zijn? Afhankelijk van de landbouw, van het weer, van elkaar? En als we dat tot ons door laten dringen, waar leidt dat dan toe? Durven we het aan om afstand te doen van ons ‘teveel’? Durven we te delen – heel direct, als iemand voor je deur staat, maar ook indirect, door te geven van onze overvloed? De bede over het koninkrijk is nog maar net geweest, en hier kunnen we laten zien dat we bij dat koninkrijk willen horen. De broodbede gaat niet over mij, maar over ons. Als we God vragen: ’geef ons heden ons dagelijks brood,’ dan zijn we niet klaar als ons eten op tafel staat…