Dag 4 - Uw koninkrijk kome

Gods koninkrijk, Gods nieuwe wereld

Toelichting
Gedachten over het koninkrijk van God in het vroege Jodendom
In de tweede eeuw voor Christus maakte het voormalig koninkrijk Juda deel uit van het hellenistische rijk. De Griekse overheersers probeerden de Joodse godsdienst aan te passen. Bij sommige Joodse groepen zie je in die tijd de hoop op een stevig ingrijpen van God opbloeien, een ingrijpen waarbij alle aardse koninkrijken zouden verdwijnen: God – de koning in de hemel – zal ooit de aarde helemaal nieuw maken, alles wat slecht is wegdoen, en zelf ook koning worden van de aarde.

De teksten waarin we dit idee tegenkomen (voornamelijk Joodse teksten van rond het begin van de jaartelling – bijv. de Qumranrollen), delen de geschiedenis in tweeën: de tijd voordat Gods nieuwe wereld begint (de oude wereld), en de tijd erna. De schrijvers van die teksten waren overtuigd dat zij, samen met de groep waar ze bij hoorden, aan de vooravond leefden van Gods nieuwe wereld. Soms voorspelden ze ook dat God een nieuwe koning zou sturen, de messias, om zijn nieuwe wereld te laten beginnen. De belofte dat er altijd een opvolger van David zou heersen (zoals in Psalm 89) werd zo onderdeel van de verwachting van Gods koninkrijk. Het nieuwe koninkrijk zou totaal anders zijn dan de aardse koninkrijken. Waar het op aarde draait om geweld en macht, draait het in Gods koninkrijk om vrede en rechtvaardigheid.

Gewapend met deze kennis uit het vroege Jodendom, kunnen we een eerste antwoord geven wat ‘uw koninkrijk kome’ betekent. Als je het gebed bidt, zeg je eigenlijk: ik leef in de ‘oude wereld’, maar ik weet dat God een nieuwe, betere wereld wil laten komen. Een wereld van recht en gerechtigheid, zonder overheersing en zonder machtsmisbruik. Nu is er nog de oude wereld, maar ik vraag of God de nieuwe wereld, zijn koninkrijk, laat aanbreken.

Gedachten over het koninkrijk in het Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament is van a tot z doordrongen van de gedachte dat het koninkrijk van God gaat komen. We horen dat Jezus de messias is – de christus. Sterker nog, soms wordt Hij expliciet de nieuwe David genoemd.

Joodse teksten over Gods koninkrijk en Gods messias gaan altijd over de toekomst. De messias is er nog niet. Dat is dus écht anders in het Nieuwe Testament: Jezus is de messias, de verwachtingen zijn uitgekomen, God heeft ingegrepen in de geschiedenis.

Gods koninkrijk is al aangebroken, de messias is gekomen. Als je het Joodse idee van een oude en een nieuwe wereld volgt, zou je denken dat de oude nu voorbij zou moeten zijn. Maar dat is in het Nieuwe Testament niet zo. Het koninkrijk is al begonnen, maar het is er nog niet helemaal. We staan met één been in de nieuwe tijd, en met één been in de oude. Jezus liet in zijn leven al zien hoe dat koninkrijk eruit zou zien. Hij genas zieken, liet blinden zien, doorbrak uitsluiting van bijvoorbeeld onaanraakbaren en hoeren, en hielp mensen in nood. De nieuwe wereld is begonnen, Jezus is de messias. Het is geen koninkrijk naar normale aardse maatstaven, waar het gaat om macht en om pracht en praal. Het is totaal anders.

Eigenlijk leven we als christenen dus in een soort tussentijd: de oude wereld is nog niet verdwenen, en de nieuwe is al begonnen, maar nog niet echt doorgebroken. Als je dit ‘schema’ in je achterhoofd houdt bij het lezen van het Nieuwe Testament, begrijp je veel teksten beter. We leven in een tussentijd. En bij die tussentijd hoort dat je niet altijd ervaart dat Gods koninkrijk al begonnen is.

Gods koninkrijk is geen vrijblijvend idee. Net als in de Joodse teksten zijn de passages in het Nieuwe Testament bedoeld om het geloof te versterken. Maar er zit ook een waarschuwing in: je moet er wel iets voor doen. Zo vertelt Marcus 10:17-27 het verhaal van een rijke man die bij Jezus komt, en vraagt hoe hij het eeuwige leven kan krijgen. Jezus vertelt dat hij alles moet verkopen en aan de armen geven. Dat kan hij niet, dat is te moeilijk. Jezus zegt dan tegen zijn leerlingen: ‘Denk je dat rijke mensen in Gods nieuwe wereld kunnen komen? Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’ Als de leerlingen dan vragen wie er dan nog gered kan worden, zegt Jezus: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af. En voor God is alles mogelijk.’

Kader
Is er een rol voor ons mensen?
Als we terugdenken aan de teksten over de ‘dag van de Heer’ in het Oude Testament, zien we dat God zelf het initiatief neemt om in te grijpen. Niet de mens, maar God bepaalt of en wanneer zijn nieuwe wereld komt. Dat zien we ook in het Nieuwe Testament. In Marcus 13:32 zegt Jezus: ‘Niemand weet precies wanneer het gaat gebeuren. Ook de engelen in de hemel weten het niet. En ikzelf ook niet. Alleen God, de Vader, weet het.’

Het is misschien een beetje frustrerend, want zou niet juist de kerk het ideaal van een betere wereld wat dichterbij moeten brengen? In Marcus 4:26-29 lijkt het of Jezus deze frustratie voorvoelt, en daarom nog eens goed uitlegt dat het aanbreken van Gods koninkrijk echt niet door mensen beïnvloed kan worden. De man die zaad strooit, staat voor de gelovige mensen die Gods boodschap voor de mensen doorgeven aan anderen. Dat is iets wat mensen kunnen doen – het goede nieuws doorgeven. Maar het groeien en rijpen, dat gebeurt zonder invloed van de mens: ‘Hoe dat gebeurt, weet de man niet.’ Uiteindelijk breekt het koninkrijk ‘gewoon’ aan.

Is dit het hele verhaal? Nog niet helemaal. Volgens de bijbelse tijdrekening leven we in de tussentijd – de tijd waarin het koninkrijk al begonnen is, maar nog niet helemaal doorgebroken. In de brieven in het Nieuwe Testament vind je meer beschrijvingen van het leven in die tussentijd dan in de evangeliën, ze gaan directer over de mensen in de vroegste kerk. We zagen al dat Paulus in Romeinen 8 beschrijft hoe we als gelovigen de heilige Geest hebben gekregen, als geschenk om ons te helpen de tussentijd door te komen. Zo hebben we al een soort ‘voorschot’ gekregen van Gods nieuwe wereld (Romeinen 8:23).

Die Geest laat bijzondere dingen gebeuren onder christenen; Paulus schrijft erover in 1 Korintiërs 12:1-11. En als we goed luisteren naar wat de heilige Geest ons influistert, zullen we ook in ons dagelijks leven laten zien dat we al bij die nieuwe wereld horen. In Galaten 5:16-26 beschrijft Paulus hoe ons ‘oude ik’ (dat hoort bij de oude wereld) strijdt met ons ‘nieuwe ik’ (dat hoort bij de nieuwe wereld). Luister naar de Geest, is zijn dringende advies. En in vers 22-23 beschrijft hij wat er dan zal gebeuren: ‘Mensen die zich laten leiden door de heilige Geest, leven heel anders. Zij houden van elkaar. Ze zijn blij en leven in vrede. Ze hebben geduld en zijn goed voor elkaar. Ze geloven in Christus. Ze zijn vriendelijk en gedragen zich goed.’ En niet luisteren naar de Geest heeft consequenties: je slechte gedrag zal maken dat je uiteindelijk geen deel uit zult maken van Gods koninkrijk (5:21).

We kunnen als mensen het koninkrijk niet sneller definitief laten aanbreken, daarover gaat alleen God zelf. Maar het koninkrijk is al wel begonnen. Wat we dus wel kunnen doen, is in ons doen en laten uitstralen dat wij bij Gods nieuwe wereld horen, en zo al iets aan anderen laten zien van wat die nieuwe wereld betekent.

Reflectie
Het is voor moderne mensen vaak moeilijk om echt te verlangen naar het koninkrijk van God, zeker als je je dat voorstelt als een totale omkering van de wereld. Wat moet je met dat beeld? Er zijn maar weinig mensen in onze tijd die echt in twee tijdperken denken – een oude tijd en een komende, nieuwe tijd. Maar zonder die bijbelse indeling van de geschiedenis is het moeilijk het bijbelse thema van het koninkrijk echt mee te beleven. Een aansporing om goed te leven is te weinig, en ‘stil maar, wacht maar’ is te passief, en kan na 2000 jaar eigenlijk ook niet meer. De vraag dringt zich op: wat verwachten we eigenlijk nog?

Het koninkrijk van God is dé centrale gedachte in het vroegste christendom. Daar zijn twee duidelijke redenen voor. De eerste is dat het de kleine groepen christenen, die het vanwege hun geloof erg moeilijk hadden om staande te blijven, veel hoop gaf. Ze hadden het moeilijk, maar uiteindelijk zou het goedkomen – God zelf zou daarvoor zorgen. Het christendom is een godsdienst waarin hoop centraal staat. Maar de beelden die de eerste christenen gebruikten passen allereerst bij de tijd en cultuur waarin zij leefden. Misschien hebben wij aanvullende beelden nodig om de hoop te beschrijven, beelden die meer aansluiten bij onze tijd en onze uitdagingen. De bijbelse teksten helpen ons wel om ons te realiseren dat het niet alleen op ons eigen kunnen aankomt. Uiteindelijk overwint Gods liefde!

De tweede reden is dat het Nieuwe Testament eigenlijk een ‘derde tijd’ toevoegt: de tijd waarin Gods nieuwe wereld al is begonnen, terwijl de oude nog niet is afgelopen. Ook zonder de indeling in oude en nieuwe tijd voor jezelf helemaal over te nemen, kun je zeggen: als christenen horen we bij Gods nieuwe wereld, de wereld zoals Hij die bedoeld heeft. Samen kijken we waar we die wereld tegenkomen in ons leven, en waar we als christenen ook iets van die wereld kunnen laten zien. Ons focuspunt is niet de oude wereld, de wereld waarin geld, macht, oorlog en ellende de dienst uitmaken, maar de wereld zoals die bedoeld is, de wereld van Gods liefde. De bijbelschrijvers wisten maar al te goed dat wij die wereld als mensen niet konden laten aanbreken, en daarom is het ook goed om te lezen dat God zelf ook werkt aan zo’n wereld, onafhankelijk van wat wij mensen presteren. De bede ‘uw koninkrijk kome’ geeft dus focus aan ons leven, en geeft woorden aan ons diepe vertrouwen dat het bij God uiteindelijk goed zal komen.