Dag 3 - Uw naam worde geheiligd

De naam van God

Toelichting
Tegen het vloeken?
In Exodus 20:7 lezen we: ‘Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen’ (BGT). Waar gaat het dan precies om? De mensen geloofden dat het uitspreken van een naam bijzondere kracht kon hebben, zeker het uitspreken van Gods naam. Die kracht kun je ten goede gebruiken: ‘Onze hulp is in de naam van de HEER die hemel en aarde gemaakt heeft’ (Psalm 124:8). De keerzijde was ook waar: je kon Gods naam ook ten kwade gebruiken. In Leviticus 24:10-16 kun je lezen hoe erg men het in het oude Israel vond als Gods naam misbruikt werd – iemand die Gods naam lasterde, moest zelfs ter dood gebracht worden. Een ander voorbeeld vinden we in Handelingen 19:13-16, waar niet-christenen met de naam van Jezus boze geesten proberen uit te drijven. Het gebruik, of in dit geval misbruik, van een heilige naam is een krachtig middel. Je zou kunnen zeggen dat het om iets anders gaat dan het vloeken zoals wij dat kennen. Het gaat om het ‘erbij roepen van God’ terwijl dat eigenlijk niet kan.

 

Gods naam heiligen
Het Griekse woord voor ‘heiligen’ (hagiazô) en ook het Hebreeuwse werkwoord (qadash) hebben iets te maken met het apart zetten van dingen. Je heiligt iets als je het op een bijzondere manier behandelt, met bijzondere eer. Gods naam is een bijzondere (heilige) naam: ‘Hij zal er zijn’.

De uitdrukking ‘Gods naam heiligen’ staat ook al in het Oude Testament. Het volk heeft het moeilijk, maar de profeet Jesaja voorspelt een betere tijd (Jesaja 29). De machthebbers van nu zullen verdwijnen, en het zal goed zijn in het land. In Jesaja 29:23 lezen we: als de mensen in Israel zien wat Ik, God, allemaal doe, zullen ze ‘mijn naam heiligen’ (letterlijke vertaling). Gods naam heiligen heeft te maken met erkennen dat Hij de machtige God is, en Hem de eer geven die Hem toekomt.

Een andere oudtestamentische tekst waarin ‘de naam heiligen’ voorkomt, is Ezechiël 36. Het volk is in ballingschap en God zegt tegen hen: jullie gedrag heeft ervoor gezorgd dat jullie in ballingschap gingen – Ik was zo boos op jullie dat Ik je heb weggejaagd uit het land. Maar het resultaat is dat mijn naam overal bespot wordt. Alle volken zeiden: kijk, die God is niets waard, die kan zijn volk niet eens beschermen. In vers 22 en 23 zegt Hij: Ik ga nu ingrijpen. ‘Ik zal mijn grote naam heiligen’ – die naam die door het volk ontheiligd is tussen al die andere volken. Doordat ik jullie help, zullen ‘de volken weten dat ik JHWH ben’. Dit is net iets ingewikkelder: God zélf zal zijn naam heiligen, oftewel: laten zien dat zijn naam heilig is. In gewone taal kun je zeggen: God zal zorgen dat de volken weer eerbied voor Hem krijgen.

Jesaja en Ezechiël leren ons dat ‘Gods naam heiligen’ op een bijzondere manier van toepassing is in een situatie waarin God niet de eer krijgt die bij Hem past. God kan dan ingrijpen. In sommige latere bijbelboeken wordt dat nog wat steviger gezegd. Bijvoorbeeld in Zacharia 14:9, waar het gaat over de dag van de Heer aan het eind van onze tijd. Op die dag zal God koning zijn over de hele aarde, en ‘dan zal JHWH de enige God zijn en zijn naam de enige naam.’

‘Uw naam worde geheiligd’ – het Onzevader
We bidden tot God: ‘uw naam worde geheiligd’. We vragen God of Hij ervoor wil zorgen dat zijn naam op de juiste manier geëerd wordt. Met die vraag erkennen we dat dat nu niet het geval is. En daar zit precies de moeilijkheid. Wie eert God niet op de juiste manier? Zijn wij dat zelf? Is dat de wereld om ons heen? Zijn het de machthebbers en wereldleiders? Wat vragen we eigenlijk aan God? Gaat het over nu of juist over later, het eind van de tijd?

De verschillende vertalingen van deze bede laten zien dat er twee uitlegtradities van zijn: 1. de ‘nu’-uitleg, waarin we God met de bede vragen of Hij wil zorgen dat iedereen, inclusief wijzelf, zijn naam met respect behandelen; 2. de ‘later’-uitleg, waarin we God vragen of Hij ervoor wil zorgen dat ooit, aan het eind van de tijd, iedereen ziet dat zijn naam heilig is, dat iedereen Hem eert. En we zullen zien dat het nu-perspectief en het dan-perspectief door het hele gebed heen spelen.

Kader
JHWH – de naam van God
In culturen met meer dan één God hebben de goden namen. Bekende goden zijn Zeus, Hera en Athene, uit de Griekse mythologie. In de tijd van het oude Israël hadden volken hun eigen goden, en die noemden ze bij hun naam. Zo had je bij de Kanaänieten de god Baäl (‘heer’, ‘meester’) en de godin Asjera. Beide goden kom je in de Bijbel tegen; als afgoden, goden die bestreden moeten worden – maar ook goden die soms door de Israelieten vereerd werden.

Het is niet helemaal zeker hoe de naam van de God van Israël klonk. Het Hebreeuws gebruikt alleen medeklinkers – de medeklinkers van Gods naam zijn er nog wel: JHWH. Maar de precieze klank van de naam is door de eeuwen heen verloren gegaan. Veel geleerden denken dat het Jahwè moet zijn geweest. Zeker zullen we dat niet weten, en trouwens ook niet wat Gods naam betekent. Wel vermoeden veel uitleggers dat de naam iets te maken heeft met het Hebreeuwse werkwoord ‘zijn’. In elk geval zien we dat er in sommige bijbelse teksten een verband gelegd wordt tussen JHWH en ‘zijn’. Gods naam betekent dus volgens de bijbelschrijvers iets als ‘hij is (er)’ of ‘hij zal (er) zijn’. De naam werd vroeger gewoon uitgesproken, maar in de tijd van het Nieuwe Testament waarschijnlijk al niet of nauwelijks meer, vermoedelijk uit eerbied voor de naam. In plaats van Jahwè zeiden de Joden ‘Adonai’, ‘Heer’. Tegenwoordig is dat nog steeds zo; sommige Joden gebruiken ook ‘Eeuwige’ of ‘de Naam’.

Anders dan veel Joden lezen wij niet de Hebreeuwse tekst, en zien we dus niet hoe mooi en betekenisvol Gods naam eigenlijk is: ‘hij is er’, ‘hij zal er zijn’. Gods naam geeft heel kernachtig aan wie Hij wil zijn voor ons mensen. Er is in de Bijbel een prachtig verhaal waarin God laat zien dat zijn naam en de manier waarop hij God wil zijn voor de mensen, helemaal bij elkaar aansluiten. In Exodus 3 lezen we dat Mozes een opdracht van God krijgt: God heeft gezien hoe zijn volk lijdt en wil ze bevrijden uit de macht van de Egyptenaren. Mozes krijgt de opdracht om namens God naar de farao te gaan, en het volk te bevrijden. Mozes ziet deze opdracht helemaal niet zitten. Hij vraagt zich af wat hij moet zeggen tegen de Israëlieten:

‘Mozes zei: “Ik moet dus tegen de Israëlieten zeggen dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft. Maar wat moet ik zeggen als ze vragen hoe die God heet?” Toen zei God: “Ik ben degene die er altijd is. Je moet tegen de Israëlieten zeggen dat ‘Ik ben er altijd’ je gestuurd heeft. Dat zal mijn naam zijn. Zo moeten ze mij voortaan noemen. Ik ben de Heer, de God van hun voorouders, de God van Abraham, Isaak en Jakob.”’ In deze prachtige passage zien we hoe krachtig Gods naam is: ‘Hij die er altijd is’.

Reflectie
De bede ‘uw naam worde geheiligd’ brengt ons bij de vraag hoe wij naar God kijken en hoe we met Hem omgaan. Zijn naam JHWH, die we niet uitspreken, houdt een belofte in: ik zal er zijn voor jullie. De Bijbel laat zien dat je niet lichtzinnig met Gods naam mag omgaan, de naam is een krachtige belofte. Het Onzevader brengt met deze bede teksten uit het Oude Testament in herinnering, waar Gods naam niet wordt geheiligd, door zijn eigen mensen en ook door de omgeving. Gods moet zelf ingrijpen om daar verandering in aan te brengen.

Als het in de bede om het nu gaat – geven wij God dan in ons leven de eer die Hem toekomt? Niet vloeken is een begin, maar Gods naam goed gebruiken gaat verder dan dat! En als het om een toekomst gaat waarin alles goed zal zijn en iedereen God erkent, leven wij daar dan echt naartoe, en laten we in ons eigen leven al iets zien van die nieuwe toekomst? Niemand weet welke uitleg de beste is. Misschien is het wel goed om beide kanten mee te nemen. Om onszelf steeds weer af te vragen hoe we Gods naam in concrete situaties kunnen eren, en wat voor perspectief het aan ons leven geeft als we uitzien naar een moment waarop dat altijd en overal het geval is.