Dag 2 - Die in de hemel zijt

De woonplaats van God

Toelichting
De hemel als Gods woonplaats: wat betekent dat in de Bijbel?
Veel bijbelteksten spreken over God die in de hemel woont. Wat wilden de schrijvers ermee zeggen? Vanuit welke geloofsvragen of -overtuigingen schreven ze over God in de hemel?

Een mooie voorbeeld is Jesaja 40:21-27. Deze tekst staat in een langer gedeelte dat erover gaat dat God met niets en niemand te vergelijken is. Hij woont in de hemel, ver boven ons mensen. Wij kunnen wel denken dat wij de macht in handen hebben, maar in werkelijkheid is dat God. Jesaja vraagt de mensen: hebben jullie dan niet door wie God is en hoe Hij God is? Misschien merken jullie niks van God, en denken jullie dat Hij je vergeet in al je ellende. Maar dan begrijp je er niks van. Dat God in de hemel woont, is hier dus een troostrijke gedachte: ook al merk je niet altijd iets van God, dat komt niet doordat Hij je vergeet, maar doordat Hij zo anders is dan wij mensen, en zo ver boven ons verheven!

De stap van God in de hemel die alles ziet als een positieve, bemoedigende gedachte naar God in de hemel die jouw manier van leven in de gaten houdt, is niet zo groot. In Psalm 11:4-7 zien we die kant goed terug. Er zijn mensen die tegen de psalmdichter zeggen: moet jij niet naar de bergen wegvluchten? Maar de dichter weet dat God voor hem zal zorgen. Vanuit de hoge hemel, vanuit zijn heilige paleis, ziet God de mensen. Hij weet wat ze denken, hij kijkt of ze rechtvaardig leven. God overziet alles, en Hij zal rechter zijn over de mensen. Het is dus een tekst die gerust wil stellen, maar tegelijk een tekst die impliciet waarschuwt: God ziet vanuit de hemel wat wij mensen doen.

In veel bijbelteksten wordt de hemel als Gods woonplaats niet ter discussie gesteld. Maar dat God altijd kijkt, en de mensen nooit vergeet, dat zie je niet altijd terug. In Jesaja 63 beschrijft de profeet dat het volk in een moeilijke situatie terecht gekomen is. En het volk merkt niets van Gods betrokkenheid. In vers 15-16 zegt Jesaja: ‘Heer, kijk toch naar ons vanuit uw heilige hemel! Kijk naar ons vanuit uw schitterende woning. Waarom vecht u niet meer voor ons? Waarom laat u geen machtige daden meer zien? U houdt niet meer van ons, u zorgt niet meer voor ons! U bent toch onze vader? U hebt ons toch steeds bevrijd?’ Deze tekst is extra interessant voor ons, omdat net als in het Onzevader én de hemel én Gods vaderschap genoemd worden. Gods hemelse woonplaats staat hier voor het ver weg zijn van God, het hoog verheven zijn, terwijl het vader-zijn juist genoemd wordt vanwege zijn liefde, zorg en nabijheid voor ons.

Vlak daarna, in Jesaja 63:19-64:4, smeekt de profeet God of Hij toch uit zijn hoge hemel naar ons toe wil komen. Hoe geef je woorden aan hulpeloosheid en onmacht? Door God te vragen of Hij er nog wel is. Waar is God precies in deze situatie van wanhoop? In zijn hoge hemel? Ziet Hij ons wel? Kwam Hij maar naar beneden! Kwam Hij maar naar ons toe.

We weten nu iets meer over de vraag waarom in de Bijbel gezegd wordt dat God in de hemel woont. Om te beginnen willen de teksten daarmee laten zien dat God veel groter is dan wij, en de touwtjes op aarde in handen heeft. Zelfs als wij dat niet zien, mogen we daarop vertrouwen. Dat God in de hemel woont, illustreert ook dat Hij naar ons mensen kijkt en overzicht heeft over alles wat we doen. En dat is een aansporing om vooral het goede te blijven doen. En het mooie is dat ook het gevoel dat God soms erg ver weg is, en dat je Hem wel naar je toe zou willen schreeuwen, een plaats heeft in de Bijbel. God in de hemel is dus niet alleen maar een ouderwets beeld dat niet meer bij ons past. Misschien gaat het wel meer over wie God is dan waar Hij is.

De eerste regel van het Onzevader luidt: ‘Onze Vader, die in de hemel zijt’. We zeggen ermee dat we erop vertrouwen dat God de touwtjes in handen heeft, dat Hij ons niet loslaat. Ook zeggen we dat we ons realiseren dat het Hem niet koud laat wat wij doen. Hij is liefdevol bij ons betrokken, maar verwacht ook van ons dat we de goede keuzes maken in ons leven.

Kader
Andere woonplaatsen
In het Oude Testament komen we ook andere ideeën tegen over de woonplaats van God. Zo hoor je met enige regelmaat dat God op een berg woont – bijvoorbeeld op de berg Sinai (bijv. Rechters 5:5) of de berg Sion (waar ook de tempel staat – Psalm 48:2-4). Het is een oude gedachte dat goden op bergen wonen – je komt deze gedachte bijvoorbeeld ook tegen bij de oude Grieken: de Griekse goden zouden wonen op de berg Olympus. Een prachtige tekst over God die van de Sinai naar Sion, de tempelberg gegaan is, vinden we in Psalm 68:16-18.

Deze psalm laat nog een vaakgenoemde woonplaats van God zien: de tempel. In 1 Koningen 6:11-13 lezen we over de bouw van de tempel. God belooft aan Salomo dat als de Israëlieten zich aan de wet houden, Hij in hun midden komt wonen in de tempel). Die tekst lijkt een beetje op de belofte die God doet in Exodus 25:8-9. De Israëlieten trekken dan nog door de woestijn, en God geeft opdracht om een draagbaar heiligdom te maken, de tabernakel of heilige tent.

De tekst uit Exodus wordt in het Nieuwe Testament geciteerd in de brief aan de Hebreeën. In Hebreeën 8:4-5 wordt uitgelegd dat de aardse tabernakel eigenlijk een kopie is van de tempel in de hemel. Deze gedachte kom je ook wel tegen in oude Joodse teksten. En daarmee komen twee voorstellingen bij elkaar: God woont in de hemelse tempel, in een hemels paleis, én Hij woont in een aardse tempel. Het is niet voor niets dat er straks ‘op aarde zoals in de hemel’ zal klinken in het gebed. In de Bijbel gaat het erom dat er harmonie is tussen wat er in de hemel gebeurt, en op de aarde.

Daar tegenover staan teksten waarin juist gezegd wordt dat tempels verleden tijd zijn, en dat God niet op één plaats vereerd hoeft te worden, zoals Johannes 4:21-22. In latere teksten uit de Bijbel kom je nog weer andere ideeën tegen. In 1 Johannes 4:13-16 wordt verteld dat God in ons is, als we geloven.

En zo zijn er nog meer voorstellingen in het Nieuwe Testament te vinden. In Efeziërs 2:19-22 lezen we bijvoorbeeld dat de kerkelijke gemeente Gods huis is. De christenen vormen samen de plaats waar God woont. En in 1 Timoteüs 6:15-16 wordt gezegd dat God ‘in het licht’ woont: ‘Want God is de volmaakte en enige heerser. Hij is de hoogste Heer en koning. Hij is de enige die eeuwig bestaat. Hij woont in het licht, waar geen mens kan komen. En geen mens heeft hem ooit gezien, of kan hem zien.’ Misschien wordt daarmee ook wel de hemel bedoeld, maar het wordt op een veel abstractere manier gezegd.

Reflectie
Eerlijk is eerlijk: ‘die in de hemel zijt’ komt vaak gedachteloos over onze lippen. Maar als je je er even in verdiept, kom je onherroepelijk bij de vraag uit hoe je zelf God ziet, waar jij Hem ervaart, of juist niet ervaart. Dat het Onzevader benoemt dat God in de hemel is, geeft God eer: Hij is boven ons verheven, Hij heeft de touwtjes in handen, zorgt voor ons en ziet wat we doen.

Dit klinkt allemaal mooi, maar ervaren we het ook zo? Gods macht, Gods zorg voor ons? De Bijbel geeft veel ruimte voor andere gedachten. Spreken over Gods woonplaats is uiting geven aan wat je gelooft, hoe je op God vertrouwt en soms ook hoe je aan Hem twijfelt en hoe je wanhopig kunt zijn. Het uitspreken van ‘die in de hemel zijt’ kan een goede aanleiding zijn om eens te bedenken waar jij God ziet, en waar je Hem graag meer zou willen zien.