God zal mij dragen

Als je een nieuwe levensfase  in gaat, laat je een verleden achter. Je visie op wie je bent, verandert. Waar droomde je van? Waar ging je voor? Macht, rijkdom, kennis? Misschien heb je je net als koning David op grootse projecten gestort, de grenzen afgetast van wat mogelijk is, steeds op zoek naar meer. 

In psalm 131 neemt de dichter afstand. Wat hij heeft gedaan en bedacht, wordt verleden tijd. De dadendrang  die zo onrustig maakte, komt tot bedaren. Er komt tijd voor stilstaan, ruimte voor rust, voor loslaten. De rust en stilte zijn in deze psalm verbeeld door de peuter op de arm van de moeder.

In het Hebreeuws wordt duidelijk dat het kind net de overstap maakt van borstvoeding naar zelf eten. Dat beeld  is het begin van een nieuwe tijd. Het is de tijd dat een kind gaat leren. Het gaat de wereld in, om het onbekende te ontdekken en te onderzoeken. Soms is het gewaagd, soms gaat het er gevaarlijk aan toe. Maar het kind kan terugvallen op de vertrouwde aanwezigheid van zijn moeder. Bij haar hoeft het zich niet te bewijzen. Het is welkom, het mag er zijn zoals het is. Het mag falen, en het vindt troost.
Al ons zoeken en streven is onuitsprekelijk vermoeiend, maar we mogen op adem komen.

De stilte in psalm 131 is een teken van vertrouwen in God. Als je je aan hem toevertrouwt, vind je rust. Dan herken je je in het kind op de arm van zijn moeder, en je weet: God zal mij dragen.

Dr. Jaap van Dorp is bijbelwetenschapper bij het Nederlands Bijbelgenootschap. Als vertaler werkte hij onder andere mee aan de Nieuwe Bijbelvertaling en de Bijbel in Gewone Taal.