Woensdag 17 maart

-door zuster Katharina-

Waarover gaat het in het christendom? Hoe kunnen wij naderen tot God? Wat is de weg om echt als christen te leven?

In dit stukje uit de brief aan de Efeziërs schrijft Paulus (of iemand die dicht bij hem stond) over de twee werelden waarin wij leefden, of leven. In de tijd waarin de brief geschreven werd, ging het over de wereld van de heidenen, de onbesnedenen en de wereld van de christenen. Die twee werelden stonden tegenover elkaar: je behoorde tot de ene of tot de andere, nooit tot beide. Ook vandaag ben je christen of je bent het niet, maar we zullen het niet zo vaak opvatten alsof we tot twee verschillende werelden behoren, we stellen ze meestal niet zo scherp tegenover elkaar.

En toch. Als we diep in ons eigen hart kijken, herkennen we daar dan geen twee werelden in ons eigen zelf, twee werelden binnen in ons waarin wij leven: de wereld met Christus en de wereld zonder Christus? In ieder van ons die zich christen noemt, al zijn wij gedoopt of belijdende christenen, in ieder van ons steekt een stukje heiden, een stukje waar Christus en zijn evangelie niets mee te maken hebben, een stukje waar we Christus niet toelaten, een stukje dat we ego noemen, en waar egoïsme de boventoon voert. Het is de wereld van de oude mens, die nog altijd een stukje van ons wezen bewoont en beheerst.

Die eerste wereld, dat oude stuk in ieder van ons noemt Paulus: niet verbonden met Christus. Dit betekent dat we op onszelf staan en op onszelf leven, zonder verbinding met die diepste kern in onszelf, waar God in ons woont. Paulus vervolgt: dan heb je geen deel aan het burgerschap van Gods Rijk, dat hier Israël genoemd wordt, dan ben je niet betrokken bij de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden. De etymologische oorsprong van het woord ‘religie’ ligt in het Latijnse religare: verbinden. Verbinding, verbond – het zijn kernbegrippen binnen ons christelijk geloof. God sloot een verbond met de mens: Hij zal onze God zijn en wij zullen zijn volk zijn.

We komen allemaal uit een wereld zonder hoop en zonder God. Wij zijn dood, in spirituele bewoordingen, niet biologisch dood, maar dood voor het ware leven, dood voor het diepe leven in God. Dit is het startpunt voor iedere mens, voor ieder van ons. Het is een startpunt dat we eens voorgoed achter ons lieten door onze doop. Tegelijk is het een punt waar we vaak in terugvallen en waarvan we ons telkens weer moeten afwenden, omkeren in de richting van God. Het is de oude wereld die nog altijd resten in ons achterliet. Onze zonden en misstappen, onze zelfzuchtige gedachten en verlangens – wie van ons kan zeggen dat hij of zij die niet kent, niet heeft? Wie kan zeggen dat zij of hij die voorgoed achter zich gelaten heeft?

Wij komen van ver, zegt Paulus, en in Christus komen we dichtbij door zijn bloed. Hij is onze vrede. Hij heeft die twee werelden één gemaakt, de scheidingsmuur die dwars door het hart van elke mens loopt heeft Hij afgebroken door zijn dood. We worden één nieuwe mens in Hem. Hij heeft de weg vrijgemaakt naar de Vader, naar God, voor ieder van ons, ongeacht onze zondigheid, daar dwars doorheen. Hij heeft de wet met zijn voorschriften, die in die tijd de toegang verschaften tot God, afgeschaft. Het gaat niet langer over wetten en voorschriften, het gaat over een liefdesverbond, over trouw tot in de dood, over verzoening. Want Jezus is de kruisdood gestorven, veroordeeld door de wet, maar die heeft niet het laatste woord. Door zijn verrijzenis bleek dat liefde sterker is dan elke wet, en dat Christus voorgoed de weg opende voor ieder van ons, onderworpen en zondig bevonden door de wet, om toch een nieuwe mens te worden en te leven in verbondenheid met God.

Allen waren wij onderworpen aan het oordeel, allen hebben wij gezondigd, niemand gaat vrijuit. In die gegevenheid kwam Christus vrede brengen, verzoening. De eeuwige spanning tussen de oude en de nieuwe mens is voorgoed opgeheven. Christus maakt ons tot een nieuwe mens. In het vervolg van de brief krijgt die nieuwe mens prachtige titels: we zijn ‘geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen. Vanuit hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest.’

We stonden allemaal onder het oordeel, maar Jezus heeft ons vrijgemaakt door zijn bloed. Hij heeft ons hersteld in onze oorspronkelijke schoonheid. Wij worden geroepen om huisgenoten van God te worden! Huisgenoten van God! Wij wonen met God en God woont bij ons, in ons.

Vanuit die nieuwe schepping wordt het hele gebouw, de mensheid, opgebouwd tot een plaats waar God voorgoed kan wonen. Hij mag zijn intrek nemen in elke mens. Wij zijn een tempel, door zijn Geest die in ons leeft, werkt, bidt, lief heeft.

Door heel deze prachtige tekst van Paulus heen voel je een van de kernparadoxen van het christelijke leven: de spanning tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’. Christus heeft ons verlost, wij zijn een nieuwe mens, wij zijn één met Hem, en toch weten we dat het nog niet helemaal gebeurd is, dat we ons telkens opnieuw moeten inspannen, dat we moeten werken, en Hem in ons laten werken. Herken je die spanning ? Waar, wanneer voel je dat er een nieuwe mens in je geboren is en waar voel je dat de oude mens nog trekt?

 

Heer Jezus,
ons hart verlangt en zucht naar U,
wil één worden in en met U,
maar we voelen in onszelf de oude mens
dat ego dat zijn rechten opeist en van U verwijdert.
Zend ons uw Geest die ons leidt en gidst,
voorgaat op de weg.
Maak ons steeds meer één in U
want in U is onze hoop, onze Verlossing.