XIV. Jezus wordt in het graf gelegd

Jozef van Arimatea legt Jezus in het graf, en de steen wordt voor de opening gerold. Het lijk wordt opgeborgen, het laatste ritueel wordt uitgevoerd, de stilte en de rouw kunnen beginnen.

 

Terwijl in de stad het pesachfeest in volle gang is, verbergen Jezus’ vrienden, leerlingen en moeder zich samen in de kamer waar het laatste avondmaal werd gehouden. Ze sluiten zich af van de drukte en het feest. Bang wachten ze af tot het weer rustig wordt en ze weer naar huis kunnen. Ze kunnen zich beter niet vertonen, want buiten gaan de verdachtmakingen en de roddel gewoon door.

 

Is het dan allemaal voor niets geweest: de hoop, de liefde en het geloof? Het koninkrijk van God lijkt zo ver weg. Drie jaar lang hebben ze Jezus gevolgd, gesteund, van Hem geleerd, maar vaak begrepen ze Hem niet. Samen zijn ze op tocht geweest, ze hebben veel mensen ontmoet en bijzondere gebeurtenissen meegemaakt. Er ging iets van Hem uit, maar nu kunnen ze het niet goed meer vatten.

Wat betekende dit alles? De situatie lijkt terug bij af, maar ze kunnen Jezus ook nooit meer uit hun leven wegdenken. Het verdriet en gemis zal altijd aanwezig zijn. Jezus heeft hen voorgoed getekend.

 

Lieve vrienden van Jezus, blijf nog even wachten, want jullie zien nog niet in welke heerlijkheid Jezus nu vertoeft. Weldra zal gebeuren wat Jezus en de Schrift hebben beloofd.

 

Heer, we bidden voor alle mensen die rouwen, dat ze in het geloof leven dat hun geliefde in de handen van God verder leeft.