XIII. Jezus wordt van het kruis afgenomen

De schok, het verdriet en de angst die de gruwelijke dood van Jezus bij de vrienden teweegbrengt, zijn ontzettend groot. Hoe kon dit gebeuren? Dit kan toch niet waar zijn?

Toch zijn er mensen die in alle stilte de achtergebleven moeder komen helpen en doen wat er gedaan moet worden. De dode ophalen, Hem wassen, verzorgen met olie, omwikkelen. Hoe triest de situatie ook is, door de goede zorgen kunnen ze een beetje van het leed verzachten. Door de rituelen maken ze van een naamloos, vernederd lichaam weer een geliefd mens. Ze geven Hem zijn Joodse identiteit terug en brengen Hem een laatste eer. Ze maken Jezus klaar om naar het paradijs te gaan, en gaan zo een heel klein stukje mee.

 

Ook vandaag zijn er mensen die anderen helpen bij een groot verlies. Ze helpen bij de uitvaart, ze brengen soep, ze brengen een laatste groet of ze schenken gewoon hun aanwezigheid. Ze staan naast de getroffen familie, en met rituelen begeleiden ze de dode en leggen hem in Gods handen. De gebeden en gezangen vergezellen de dode, in de hoop dat hij aan de overkant de engelen Gods lof hoort zingen.

 

Bij Jezus was er geen stoet, geen rouwbetuiging, maar er waren wel twee mannen en enkele vrouwen die hun angst en schaamte overwonnen om te doen wat er gedaan moest worden. De liefde in hun hart voor Jezus was groter.

 

Heer, geef ons een hart dat angst en schaamte overwint, zodat we mensen met verdriet kunnen bijstaan.