Goede Vrijdag: Jezus’ ultieme mislukking (?) 

In mijn blog van gisteren heb ik geschreven over de zeven ‘kruiswoorden’ van Jezus: zeven uitspraken van de stervende Jezus, gericht aan de mensen om Hem heen, of aan zijn hemelse Vader. Het zijn korte zinnen, uitgesproken door een kapotgemaakt lijf dat smacht naar de verlossing van de dood. Ze laten Jezus zien in zijn allermenselijkste gestalte, murw geslagen, kapotgemaakt, uitgeknepen als een sinaasappel. Wat zegt in dat verband die ene intrigerende kreet, waarin Jezus zich godverlaten voelt? 

Die intrigerende schreeuw is de enige van de zeven kruiswoorden die door de evangelisten Marcus (15:34) en Matteüs (27:46) in het Aramees is bewaard. Hiermee wordt de suggestie gewekt dat het om de verba ipsissima Jesu gaat: letterlijke citaten van Jezus. Jezus zegt (in de transcriptie van Matteüs): ‘Eli, eli, lema sabachtani?’ – Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’, een rechtstreeks citaat van Psalm 22:2. 

Verlaten

De mensen om Jezus heen begrijpen het niet goed. Ze denken dat Jezus om de profeet Elia roept. Al eerder (in Matteüs 16:15) lezen we dat Elia onder het volk een bekende naam was. De spotters halen een spons met zure wijn en bieden die wel (Marcus) of niet (Matteüs) aan Jezus aan. Johannes 19:28 verbindt dit aanbod van (verdovende) zure wijn met Psalm 69:4 en 22: ‘Uitgeput ben ik van het roepen / mijn keel is schor geschreeuwd / mijn ogen zijn verzwakt / van het uitzien naar mijn God. (…) Nee, ze mengden gif door mijn eten /  en lesten mijn dorst met azijn.’
Na het wel/niet drinken van de zure wijn slaakt Jezus nog één kreet en overlijdt. Het ‘mijn God, mijn God’ is daarmee het laatste verstaanbare woord dat Jezus voor zijn sterven uitsprak, althans bij Matteüs en Marcus. Hiermee krijgt het eli, eli een nog nadrukkelijkere positie: het is het definitieve testament van Jezus, zijn ultieme zelfidentificatie. Het lijkt paradoxaal: Jezus, volgens de christelijke traditie de mensgeworden Zoon van God, roept op het allerlaatste moment zijn Vader aan om Hem niet alleen te laten. Dit moment van godsverlatenheid heeft commentatoren vanaf het eerste begin al kopzorgen bezorgd.

Dodenzang

De meeste commentatoren zien in het eli, eli ‘slechts’ het evoceren van Psalm 22, de traditionele dodenzang van een gelovige Jood, waarin Hij zijn leven en lijden in Gods rechtvaardige handen legt. Aan Hem alleen is het oordeel. Maar dat klinkt te gemakkelijk en te rationeel: het devalueert Jezus’ diepe emotie, ten gunste van dogmatische consistentie. Andere commentatoren zien in ‘mijn God, mijn God’ een van de diepste ‘bewijzen’ van de menselijke natuur van Gods zoon. Wat is immers menselijker dan het in pijn en ellende uit te schreeuwen om Gods rechtvaardigheid? 

Mislukt

Ik zou deze interpretatie nog wel een stapje verder willen voeren. Wie een ‘hoge christologie’ verkiest, ziet in Jezus vooral de mensgeworden God, die deelt in diens wijsheid, alwetendheid en almacht. Voor deze ‘superman’ is het kruis wel vervelend, maar niet onoverkomelijk, aangezien Jezus weet wat Hem te wachten staat en welke positieve gevolgen zijn dood en verrijzenis zullen hebben. Het lijden doet wel pijn, maar is nuttig en dus – op een bepaalde manier – dragelijk(er). 
Wie een ‘lage christologie’ verkiest, doet het tegenovergestelde. Hij ziet in Jezus vooral de door God uitgekozen mens, die door God tot zijn zoon is aangenomen, de mens in wie andere mensen God zelf kunnen herkennen. Deze Jezus ziet zijn ideaal en missie in snel tempo slinken en tenslotte in bloed en tranen smoren. Met Hem zou God het messiaans tijdperk inluiden en de Romeinen verdrijven. En toen God er wat te lang over deed, provoceerde Jezus eerst de Joodse en daarna de Romeinse overheid om Hem te veroordelen, hetgeen wel een reactie van Gods kant moest oproepen. 
Maar dat gebeurt niet: sterker nog, Hij krijgt niet een aframmeling, maar wordt tot de ergst denkbare straf veroordeeld, waarschijnlijk tot zijn eigen verbazing. Dit vermengde zich met een stiekem groeiende hoop dat nu toch echt het moment is waarop God zal ingrijpen. Die hoop blijft kloppen in zijn geslagen hart tot Hij bijna dood aan het kruis hangt en beseft: het is over, ik sterf, God grijpt niet in. Jezus’ lijden is zo beschouwd geen psychologische dip, maar een existentiële crisis: Hij beseft ineens dat zijn lijden zinloos is, dat God Hem versmaadt. En uit pure woede en wanhoop schreeuwt Hij – zoals eerder Job en de psalmist deden – tot de hemelen: ‘Waarom hebt u mij verlaten?’
Als gelovige hoef je van mij geen keuze te maken tussen deze twee christologieën. Wel is het goed om te beseffen dat Jezus’ lijden alleen achteraf universele heilzaamheid heeft gebracht. Het was geen automatisme met zekere causale relaties en voorzienbare scenario’s. Het was een goddelijke gok, die God met ons nam. En alleen door die te verliezen, kon Hij die winnen. En dat is precies wat Hij gedaan heeft.

Zalig Pasen.

Frank Bosman
Cultuurtheoloog en verbonden aan het Tilburg Cobbenhagen Center.

Dit bericht is geplaatst op maandag 20 april 2020
Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]