NBV21 (NBV21)
1

11Dit is de geschiedenis van Tobit. Hij was een zoon van Tobiƫl, die een zoon was van Ananiƫl, de zoon van Aduel, de zoon van Gabaƫl, de zoon van Rafaƫl, de zoon van Raguel, en afkomstig uit het geslacht van Asiƫl, uit de stam Naftali. 2

1:2
2 Kon. 18:9-11
Tobit werd tijdens de regering van Salmanassar, de koning van Assyriƫ, vanuit Tisbe in ballingschap weggevoerd. Tisbe ligt ten zuiden van Kedes in Naftali, in Boven-Galilea, ten noordwesten van Hasor en ten noorden van Fogor.

Tobits vroomheid

3Ik, Tobit, ben mijn leven lang rechtvaardig en oprecht geweest. Mijn verwanten en volksgenoten, die samen met mij in ballingschap waren weggevoerd naar Nineve in AssyriĆ«, was ik altijd tot steun. 4In mijn jeugd, toen ik nog in mijn eigen land IsraĆ«l woonde, brak de hele stam van mijn voorvader Naftali met het huis van David1:4 het huis van David ā€“ Volgens de Vetus Latina. In de Griekse tekst staat: ā€˜het huis van David mijn voorvaderā€™. en met Jeruzalem, de stad die uit alle stamgebieden van IsraĆ«l gekozen was als de plaats waar elke stam moest offeren. Daar was de tempel gebouwd en gewijd tot de plaats waar God tot in eeuwigheid zou wonen. 5

1:5
1 Kon. 12:26-32
Maar al mijn verwanten en de hele stam van mijn voorvader Naftali brachten op alle bergen van Galilea offers aan het stierkalf dat koning Jerobeam van Israƫl in de stad Dan had laten neerzetten. 6
1:6-8
Deut. 14:22-29
1:6
Ex. 23:19
Deut. 16:16
Ik was de enige die de feestdagen zo veel mogelijk in Jeruzalem doorbracht, zoals dat door een eeuwig gebod aan heel Israƫl is voorgeschreven. Ik ging er altijd tijdig naartoe met de eerste opbrengst van de akker, de eerste vruchten, het tiende deel van het vee, en met de eerste schapenwol. 7
1:7
Num. 18:12-13
Deut. 18:3-5
Dat alles gaf ik als offer aan de priesters, de nakomelingen van AƤron. Verder gaf ik de Levieten die dienstdeden in Jeruzalem een tiende deel van het graan, de wijn, de olijfolie, de granaatappels, de vijgen en allerlei andere vruchten. Ook maakte ik elk jaar, behalve in een sabbatsjaar, het tweede tiende deel te gelde en besteedde het geld in Jeruzalem. 8Daarvan gaf ik ook een deel aan weduwen en wezen, en aan vreemdelingen die zich bij de IsraĆ«lieten hadden aangesloten. Dat deed ik elk derde jaar. We gebruikten dit deel voor een maaltijd, zoals de regel in de wet van Mozes voorschrijft en zoals me was geleerd door Debora, de moeder van mijn vader.1:8 Debora, de moeder van mijn vader ā€“ Volgens de korte tekst. In de lange tekst staat: ā€˜Debora, de moeder van AnaniĆ«l, mijn vaderā€™. AnaniĆ«l is echter Tobits grootvader, niet zijn vader (1:1). Mijn vader had me toen hij stierf namelijk als wees achtergelaten. 9Toen ik volwassen was, trouwde ik met een vrouw uit mijn vaders familie. Ik kreeg bij haar een zoon, die ik Tobias noemde.

10Nadat ik als balling naar Assyriƫ was weggevoerd, ging ik naar Nineve. Al mijn verwanten en volksgenoten aten onrein voedsel, 11maar ik hoedde me daarvoor. 12Met heel mijn hart bleef ik God trouw. 13

1:13
Dan. 2:48
Daarom zorgde de Allerhoogste ervoor dat koning Salmanassar mij opmerkte en dat ik bij hem in de gunst kwam. Ik werd door hem belast met de inkoop van de hofvoorraden. 14Zolang Salmanassar leefde moest ik daarvoor geregeld naar Mediƫ. Daar in Mediƫ gaf ik aan Gabaƫl, de broer van Gabri, geldzakjes met in totaal tien talent zilver in bewaring. 15Toen Salmanassar stierf, volgde zijn zoon Sanherib hem op. De wegen naar Mediƫ werden afgesloten, zodat ik daar niet langer naartoe kon.

16In de jaren van Salmanassars koningschap was ik mijn volksgenoten vaak tot steun; 17

1:17
Job 31:16-20
ik deelde mijn voedsel met wie honger leed, mijn kleding met wie geen kleren had, en als ik zag dat het lichaam van een gestorven Israƫliet buiten de muren van Nineve was gegooid, begroef ik het. 18Ik begroef ook de slachtoffers die Sanherib na zijn terugtocht uit Judea had gemaakt. Als straf voor zijn godslasterlijk gedrag had de koning van de hemel hem namelijk uit Judea verjaagd, en in zijn woede daarover doodde Sanherib na zijn terugtocht talloze Israƫlieten. Ik haalde hun lichamen heimelijk weg en begroef ze. Sanherib liet naar de lichamen zoeken, echter zonder resultaat. 19
1:19
Ex. 2:15
Maar iemand uit Nineve vertelde de koning dat ik het was die ze begraven had. Eerst hield ik me schuil, maar toen ik te weten kwam dat de koning naar me op zoek was omdat hij me ter dood wilde laten brengen, werd ik zo bang dat ik op de vlucht sloeg. 20Mijn hele bezit, alles wat ik had, werd in beslag genomen en verviel aan het rijk. Het enige wat me nog restte waren mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias.

21

1:21
Jes. 37:38
Maar nog geen veertig dagen later werd Sanherib door twee van zijn zonen vermoord, die daarop naar het Araratgebergte vluchtten. Sanheribs zoon Esarhaddon werd nu koning. Hij stelde Achikar, de zoon van mijn broer AnaĆ«l, aan als beheerder van alle financiĆ«le zaken van het koninkrijk, waardoor Achikar zeggenschap kreeg over de hele rijksadministratie. 22Hij was onder koning Sanherib al hofschenker, administrateur, zegelbewaarder en schatbewaarder, maar Esarhaddon maakte hem zelfs tot de tweede man van AssyriĆ«1:22 Esarhaddon maakte hem zelfs tot de tweede man van AssyriĆ« ā€“ Volgens de Aramese tekst. Griekse tekst (betekenis onzeker): ā€˜Esarhaddon nam hem opnieuw in dienstā€™.. En hij was dus ook familie van mij, een neef. Daarom pleitte hij voor mij bij Esarhaddon, en kon ik naar Nineve terugkeren.