NBV21 (NBV21)
30

301

30:1-13
Spr. 13:24
23:13-14
29:15
Wie zijn zoon liefheeft, geeft hem regelmatig met de stok,

en uiteindelijk zal hij vreugde in hem vinden.

2Wie zijn zoon opvoedt, zal plezier van hem hebben

en onder bekenden trots over hem spreken.

3Wie zijn zoon onderwijst, zal zijn vijanden jaloers maken

en onder zijn vrienden vol vreugde over hem spreken.

4Ook al is de vader van zo’n zoon gestorven,

het lijkt of hij er nog is, omdat hij voortleeft in zijn zoon.

5Bij zijn leven zag hij hem met vreugde,

bij zijn einde had hij geen verdriet.

6Zijn vijanden liet hij een wreker na,

zijn vrienden een man die hun goedheid beloont.

7Wie zijn zoon vertroetelt, moet voortdurend zijn wonden verbinden,

en bij elke kreet slaat de schrik hem om het hart.

8Een ongetemd paard wordt koppig,

een zoon die niet wordt beteugeld eigenzinnig.

9Verwen een kind, en het treft je met ontzetting,

speel met hem, en het doet je verdriet.

10Maak geen plezier met hem, anders lijd je samen pijn

en blijf je tandenknarsend achter.

11Geef hem in zijn jeugd niet te veel vrijheid,

zie zijn fouten niet door de vingers.

12Buig zijn nek als hij nog jong is,

geef hem geregeld slaag zolang hij een kind is;

dan wordt hij niet koppig en ongehoorzaam

en heb je geen verdriet door hem.

13Voed je zoon op, laat hem voor je werken,

anders zul je je ergeren aan zijn onbeschaamdheid.

Gezondheid

14Beter arm maar gezond en sterk van gestel

dan rijk maar lichamelijk een wrak.

15Een gezond gestel is beter dan alle goud,

een sterke geest is beter dan onmetelijke rijkdom.

Hier volgen uitspraken over spijzen.

16Geen enkele rijkdom gaat gezondheid te boven,

geen enkele blijdschap overtreft de vreugde van het hart.

17Beter de dood dan een bitter leven,

beter eeuwige rust dan een slepende kwaal.

18Goede spijzen, neergezet voor iemand die niet in staat is te eten,

zijn als spijsoffers bij een graf.

19

30:19
Deut. 4:28
Ps. 115:4-6
Wat heeft een afgod aan een offergave?

Hij kan immers eten noch ruiken.

Zo is het met hem die door de Heer met ziekte wordt vervolgd.

20

30:20

Hij ziet de spijzen voor zich staan en zucht,

zoals een eunuch zucht wanneer hij een meisje omarmt.

Zo is het met hem die met geweld zijn recht wil laten gelden.

21Geef je niet over aan verdriet

en kwel jezelf niet met gepieker.

22

30:22
Spr. 15:13
Blijdschap doet een mens leven,

en een vrolijk mens leeft lang.

23Ontspan je, spreek jezelf moed in

en houd verdriet op een afstand,

want verdriet heeft velen te gronde gericht

en dient geen enkel doel.

24Jaloezie en woede verkorten je leven,

zorgen maken je oud voor je tijd.

25

30:25
Spr. 15:15
Wie vrolijk en opgewekt is, heeft een goede eetlust

en geniet van zijn maaltijd.