NBV21 (NBV21)
17

Hosea, koning van Israƫl; de val van Samaria

171

17:1-7
2 Kon. 18:9-12
Hosea, de zoon van Ela, werd koning van Israƫl in het twaalfde regeringsjaar van koning Achaz van Juda. Negen jaar regeerde hij in Samaria. 2Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, maar ging daarin niet zo ver als zijn voorgangers.

3Koning Salmanassar van Assyriƫ rukte tegen Hosea op en maakte hem tot zijn vazal. Voortaan moest Hosea schatting afdragen aan de koning van Assyriƫ. 4Na verloop van tijd ontdekte Salmanassar dat Hosea tegen hem samenspande en afgezanten had gestuurd naar koning So van Egypte. Ook had hij verzuimd de jaarlijkse schatting af te dragen. Daarom liet de koning van Assyriƫ Hosea in de boeien slaan en in de gevangenis opsluiten. 5Hij viel het land binnen, trok op tegen Samaria en belegerde de stad drie jaar lang. 6In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assyriƫ Samaria in. Hij voerde de Israƫlieten als ballingen mee naar Assyriƫ. Sommigen wees hij een woonplaats aan in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Mediƫ.

Beschouwing over de ondergang van Israƫl

7Dit alles gebeurde omdat de Israƫlieten zondigden tegen de HEER, hun God, die hen had bevrijd uit de macht van de farao, de koning van Egypte, en hen uit Egypte had weggeleid. Ze waren andere goden gaan vereren 8en volgden de levenswijze van de volken die de HEER voor hen verdreven had en de bepalingen die de koningen van Israƫl zelf uitvaardigden. 9Ze namen praktijken over die indruisten tegen de wil van de HEER, hun God. Overal waar ze woonden, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad, bouwden ze offerplaatsen. 10

17:10
1 Kon. 14:23
Op alle hoge heuvels en onder elke bladerrijke boom richtten ze gewijde stenen en Asjerapalen op 11en op al die offerhoogten ontstaken ze offers, naar het voorbeeld van de volken die de HEER van hen had weggevoerd. Met deze kwalijke praktijken tergden ze de HEER. 12
17:12
Ex. 23:24
Ze dienden afgoden, hoewel de HEER hun dat uitdrukkelijk verboden had. 13Telkens opnieuw vermaande de HEER IsraĆ«l en Juda bij monde van alle profeten en zieners: ā€˜Breek met jullie kwalijke praktijken en houd je aan mijn geboden en bepalingen, aan de wet die Ik jullie voorouders heb opgelegd en die jullie door mijn dienaren, de profeten, is overgeleverd.ā€™ 14
17:14
Deut. 9:13
Maar even halsstarrig als hun voorouders, die geen vertrouwen stelden in de HEER, hun God, weigerden de Israƫlieten te luisteren. 15Ze trokken zich niets aan van zijn bepalingen en van het verbond dat Hij met hun voorouders had gesloten, en sloegen zijn waarschuwingen in de wind. Ze liepen achter nietige goden aan en werden zo zelf nietswaardig. Ze volgden het voorbeeld van de hen omringende volken, hoewel de HEER hun dat verboden had. 16
17:16
Deut. 4:19
17:3
1 Kon. 12:28
Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjerapaal. Ze bogen zich in aanbidding neer voor de hemellichamen en dienden BaƤl. 17
17:17
Deut. 18:10
2 Kon. 21:6
23:10
2 Kron. 33:6
Ze verbrandden hun zonen en dochters als offer, deden aan waarzeggerij en probeerden voortekens te lezen. Zo tergden ze de HEER door zich erop toe te leggen te doen wat slecht is in zijn ogen. 18De HEER werd woedend op de Israƫlieten en verstootte hen. Niets bleef er van hen over, behalve de stam Juda. 19Maar ook de Judeeƫrs hielden zich niet aan de geboden van de HEER, hun God, en volgden de bepalingen die de Israƫlieten eigenmachtig hadden uitgevaardigd. 20Daarom verwierp de HEER alle nakomelingen van Israƫl. Hij vernederde hen door hen uit te leveren aan plunderaars, en uiteindelijk verstootte Hij hen allemaal. 21
17:21
1 Kon. 12:26-32
Want Israƫl had zich van het koningshuis van David losgescheurd en Jerobeam, de zoon van Nebat, als koning aangesteld. En Jerobeam dreef een wig tussen Israƫl en de HEER, door de Israƫlieten aan te zetten tot grote zonde. 22De Israƫlieten volgden in alle opzichten het slechte voorbeeld van Jerobeam en braken niet met zijn zondige praktijken. 23Uiteindelijk verstootte de HEER Israƫl, zoals Hij bij monde van alle profeten, zijn dienaren, had voorzegd, en de Israƫlieten werden in ballingschap van hun grondgebied weggevoerd naar Assyriƫ, waar zij wonen tot op de dag van vandaag.

24De koning van AssyriĆ« voerde mensen uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en SefarwaĆÆm naar de steden van Samaria, waar hij hun een woonplaats toewees in plaats van de IsraĆ«lieten. Deze mensen namen Samaria in bezit en gingen er wonen. 25De eerste tijd dat zij daar woonden, vereerden ze de HEER niet. Daarom liet de HEER leeuwen op hen los, die een aantal van hen verscheurden. 26Men zei tegen de koning van AssyriĆ«: ā€˜De volken die u naar Samaria hebt weggevoerd om in de steden daar te gaan wonen, zijn niet op de hoogte van de regels die de God van dat land heeft gesteld. Nu heeft Hij leeuwen op hen losgelaten omdat de mensen de regels van de God van dat land niet kennen, en die hebben al een aantal van hen gedood.ā€™ 27Daarop beval de koning van AssyriĆ«: ā€˜Stuur een van de priesters die jullie hebben weggevoerd terug naar het land waar hij vandaan komt. Hij moet daar gaan wonen en de mensen de regels van de God van dat land onderwijzen.ā€™ 28Zo keerde een van de priesters die waren weggevoerd terug naar Samaria en vestigde zich in Betel, waar hij de mensen leerde hoe ze de HEER moesten vereren. 29Toch bleven al die volken hun eigen godenbeelden maken, die ze in hun nieuwe woonplaats neerzetten in de tempels die de bewoners van Samaria op de offerhoogten gebouwd hadden. 30De mensen uit Babel maakten een beeld van Sukkot-Benot, de mensen uit Kuta maakten een beeld van Nergal, de mensen uit Hamat maakten een beeld van Asima, 31de Awwieten maakten beelden van Nibchaz en Tartak, en de Sefarwieten verbrandden hun kinderen als offer voor hun goden Adrammelech en Anammelech. 32

17:32
1 Kon. 12:31
Daarnaast vereerden zij de HEER en stelden ze uit hun eigen midden priesters aan om dienst te doen in de tempels op de offerhoogten. 33Ze vereerden dus wel de HEER, maar dienden ook hun eigen goden zoals ze in hun land van herkomst gewoon waren geweest.

34

17:34
Gen. 32:29
35:10
Ook de Israƫlieten zelf vervielen telkens opnieuw in hun oude gewoonten en doen dat tot op de dag van vandaag: ze vereren de HEER niet en houden zich niet aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die de HEER heeft opgelegd aan de nakomelingen van Jakob, aan wie Hij de naam Israƫl heeft gegeven. 35
17:35
Ex. 20:5
Deut. 5:9
De HEER had met hen een verbond gesloten en hun opgedragen: ā€˜Jullie mogen geen andere goden vereren: niet voor hen neerknielen, hen niet dienen en hun geen offers brengen. 36
17:36
Deut. 6:12-13
Alleen de HEER, die jullie met sterke hand en opgeheven arm uit Egypte heeft weggeleid, moeten jullie vereren, voor Hem moeten jullie neerknielen en aan Hem moeten jullie offers brengen. 37Jullie moeten je altijd houden aan de voorschriften, regels, wetten en geboden die Hij heeft vastgelegd, en geen andere goden vereren. 38Jullie mogen het verbond dat Ik met jullie heb gesloten niet vergeten en geen andere goden vereren; 39alleen de HEER, jullie God, moeten jullie vereren, dan zal Hij jullie redden uit de greep van al jullie vijanden.ā€™ 40Maar ze hebben niet geluisterd en houden nog altijd vast aan hun oude gewoonten.

41De nieuwe bewoners van het land vereerden de HEER, maar dienden ook hun eigen godenbeelden. Hun kinderen en kindskinderen volgden het voorbeeld van hun ouders en leven tot op de dag van vandaag op dezelfde wijze voort.