Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101

10:1
Deut. 11:14
Ps. 135:7
Wanneer het voorjaar wordt,

vraag dan de HEER om regen.

Hij is het die onweerswolken maakt,

hij schenkt de mensen stortregens

en gewas op het veld.

2

10:2
Num. 27:17
1 Kon. 22:17
Ezech. 34:5
Mat. 9:36
Marc. 6:34
Orakels zijn bedrog

en waarzeggers vertellen leugens:

wat zij dromen komt niet uit,

hun troost bestaat uit holle woorden.

De mensen dolen rond als schapen,

ontredderd, want een herder is er niet.

3

10:3
Ezech. 34:2
Woedend ben ik op de herders, en de bokken zal ik weten te vinden. De HEER van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, zijn kudde, en het tot zijn prachtig strijdros maken. 4Uit dit volk komt de hoeksteen voort, de tentpin en de oorlogsboog, uit dit volk komen alle overwinnaars. 5Krijgshaftig zullen ze in de strijd de vijand in het slijk vertrappen. Ze zullen overwinnen, want de HEER staat hen bij, maar zij die hoog te paard zitten gaan roemloos ten onder.

6

10:6
Zach. 12:5
Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof ik hen nooit verstoten had, want ik ben de HEER, hun God, en ik zal hun gebeden verhoren. 7Het krijgshaftige Efraïm zal dronken zijn van vreugde, en wanneer hun kinderen dat zien, zullen ook die zich verheugen en vol overgave juichen voor de HEER.

8Ik zal hen bij mij fluiten en hen samenbrengen, want ik heb hen vrijgekocht. Ze zullen weer even talrijk worden als vroeger. 9

10:9
Deut. 30:1-3
Bar. 2:30-32
In den vreemde zal ik hen vrucht laten dragen, in verre streken zullen ze mij gedenken en hun kinderen grootbrengen,10:9 hun kinderen grootbrengen – Volgens de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘met hun kinderen leven’. en dan zullen ze terugkeren. 10Ik zal hen terughalen uit Egypte en Assyrië, en hen samenbrengen in Gilead en de Libanon, maar daar zal niet genoeg plaats zijn voor hen. 11Wanneer ze door de zee trekken, die hen omspoelt, zal de HEER de golven bedwingen en de beddingen van de Nijl zullen droogvallen. Zo wordt de hoogmoed van Assyrië ten val gebracht en de scepter van Egypte gebroken.

12

10:12
Zach. 12:5
Met mijn hulp zullen ze onoverwinnelijk zijn, en zij zullen optrekken in mijn naam – zo spreekt de HEER.

11

111Open je poorten, Libanon!

Vuur zal je ceders verteren.

2Klaag, cipres, want gevallen is de ceder:

de machtigen zijn geveld.

Huil, eiken van Basan,

want gevallen is het ondoordringbare woud.

3Hoor de herders jammeren,

want verwoest is hun lustoord.

Hoor de leeuwen brullen,

want verwoest is de trots van de Jordaan.

4Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: ‘Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. 5Hun kopers kunnen ze zonder wroeging slachten, de verkopers danken de HEER dat ze er rijk van worden, en de herders sparen het vee niet. 6Ik zal immers de bevolking van dit land niet langer sparen – spreekt de HEER. Ik lever de mensen aan elkaar en aan hun koningen uit; ze zullen het land vernielen zonder dat ik ingrijp.’ 7Dus weidde ik het slachtvee dat aan de veehandelaars toebehoorde.11:7 dat aan de veehandelaars toebehoorde – Volgens de Septuaginta. MT: ‘daarom de ellendigste van de schapen’. Ik nam twee stokken – de ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere Eenheid – en daarmee weidde ik het vee. 8In één maand ontdeed ik me van drie herders. Ik verloor mijn geduld met het vee, dat een afkeer van mij kreeg, 9en zei: ‘Ik weid jullie niet langer. Laat maar sterven wie sterven moet, laat maar verdwijnen wie verdwaalt, en laat de rest elkaar maar verslinden.’ 10Toen nam ik mijn staf Vriendelijkheid en sloeg hem aan stukken om het verbond te verbreken dat ik gesloten had met alle volken, 11en daarmee was het verbroken. De veehandelaars,11:11 De veehandelaars – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Zo de ellendigste van de schapen’. die goed op mij letten, begrepen dat ik dit deed in opdracht van de HEER. 12

11:12
Mat. 27:3-10
Ik zei tegen hen: ‘Als u tevreden bent, keer me dan mijn loon uit; zo niet, laat het dan maar.’ En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver. 13Toen zei de HEER tegen mij: ‘Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, 14
11:14
Zach. 11:7
en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken.

15Toen zei de HEER tegen mij: ‘Rust je nogmaals toe als een herder, als een die niet deugt. 16

11:16
Ezech. 34:2-4
Ik zal immers in dit land een herder laten optreden die zich om het verdoolde schaap niet bekommert en het afgedwaalde niet zoekt, die het gekwetste niet geneest en het gezonde niet verzorgt, maar die het vlees van de vette dieren opeet en afkluift tot op het bot.’

17Wee de nietsnut van een herder

die de kudde in de steek laat!

Moge het zwaard zijn rechterarm treffen

en zijn rechteroog uitsteken.

Moge zijn arm verschrompelen

en het licht in zijn oog doven.

12

121

12:1
Gen. 2:7
Jes. 42:5
Profetie. De woorden van de HEER over Israël.

Zo spreekt de HEER, die de hemel heeft uitgespannen en de aarde heeft gegrondvest, die de mens het leven heeft gegeven: 2

12:2
Jer. 25:15
Ik zal van Jeruzalem een beker wijn maken die de omringende volken bedwelmt. Als Jeruzalem wordt belegerd, zal ook Juda onder de voet gelopen worden. 3Op de dag dat alle volken op aarde tegen Jeruzalem oprukken, zal ik van de stad een zware steen maken waaraan haar belagers zich vertillen. 4Op die dag – spreekt de HEER – maak ik de paarden schichtig en zaai ik paniek onder hun berijders. Terwijl ik de paarden van de vijand verblind, zullen mijn ogen over het volk van Juda waken. 5
12:5
Zach. 10:6,12
Dan zullen de stamhoofden van Juda bij zichzelf zeggen: Onze kracht ligt bij de inwoners van Jeruzalem, dankzij de HEER van de hemelse machten, hun God. 6
12:6
Zach. 14:10
Op die dag maak ik de stamhoofden van Juda tot een fakkel in een takkenbos, tot een vonk in een korenschoof, zodat de vlammen om zich heen grijpen en de omringende volken verzengen. Jeruzalem zal blijven staan waar het staat.

7Eerst zal de HEER de dorpen van Juda de overwinning schenken, opdat de roem van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem niet groter zal zijn dan die van de Judeeërs. 8Maar de HEER zal tegelijkertijd de inwoners van Jeruzalem steunen: de zwakste onder hen zal op die dag zo sterk zijn als David en het huis van David zal hen leiden alsof God zelf hen leidde, alsof er een engel van de HEER voor hen uit ging.

9

12:9
Zach. 14:3
Op die dag zal ik alles in het werk stellen om de volken uit te roeien die Jeruzalem belagen. 10
12:10
Amos 8:10
Joh. 19:37
Op. 1:7
Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal ik vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich weer naar mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken,12:10 Ze zullen zich weer naar mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Ze zullen naar mij kijken, die ze hebben doorstoken’. zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon. 11Op die dag zal men in Jeruzalem zo luid weeklagen als er in de vlakte van Megiddo wordt geweeklaagd om Hadad-Rimmon. 12Het hele land zal rouwen: de nakomelingen van David en die van Natan, 13de nakomelingen van Levi en die van Simi, 14en alle overige families, elke familie afzonderlijk en de vrouwen steeds afzonderlijk van de mannen.