Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

71

7:1
Gen. 2:7
Ps. 139:13-16
Sir. 17:1
Net als ieder ander ben ik een sterfelijk mens, een afstammeling van de eerstgeschapene, die uit aarde werd gevormd. In de buik van mijn moeder ben ik geboetseerd in vlees, 2in tien maanden ben ik gestold in bloed, uit het zaad van een man en de lust die met de slaap gepaard gaat. 3Toen ik geboren werd, ademde ik dezelfde lucht in als andere mensen. Mijn geboorte schokte de wereld niet en ik slaakte eenzelfde eerste kreet als iedereen. 4Ik heb in windsels gelegen, ik moest verzorgd worden. 5Want het leven van een koning heeft geen ander begin; 6
7:6
1 Kon. 2:2
voor alle mensen heeft het leven dezelfde ingang en dezelfde uitgang.

7

7:7
1 Kon. 3:6-9,12
5:9-14
Sir. 47:12-17
Dus bad ik om inzicht, en het werd mij gegeven; ik heb gesmeekt, en mij werd een wijze geest geschonken. 8Ik verkoos wijsheid boven scepters en tronen, rijkdom viel bij haar in het niet. 9
7:9
Job 28:15-19
Spr. 8:10-11
Ze was voor mij onvergelijkbaar met de kostbaarste edelsteen; naast haar waren bergen goud niet meer dan een hoopje zand, en met haar vergeleken was zilver maar slijk. 10Ik beminde haar meer dan gezondheid en schoonheid, ik verkoos haar boven het licht, want ze schitterde zonder ophouden. 11
7:11
1 Kon. 3:13
10:21-22
Tegelijk met haar ontving ik alle andere goede dingen, ze schonk mij onmetelijke rijkdom. 12
7:12
Wijsh. 8:5-6
Ik was verheugd over al die gaven, omdat zij het was die ze meebracht, hoewel ik toen nog niet besefte dat zij de bron was van dat alles. 13
7:13
Wijsh. 6:22
Onzelfzuchtig heb ik haar verworven, onbaatzuchtig geef ik haar door, zonder haar rijkdom te verbergen. 14
7:14
Luc. 12:33
Zij is voor mensen een onuitputtelijke schat; wie haar verwerft raakt bevriend met God, die mild gestemd is door de gaven die de wijsheid meegeeft.

15Moge God mij vergunnen met verstand te spreken en te denken in overeenstemming met de gaven die mij geschonken zijn. Hij is de gids van de wijsheid, hij is het die wijzen verbetert. 16

7:16
Job 12:10
Ps. 31:16
Sir. 10:5
Wij zijn in Gods hand, met alles wat we zeggen, met al ons inzicht en al onze kundigheid. 17Hij is het die mij betrouwbare kennis verschaft heeft van alles wat er is. Ik kreeg inzicht in de samenstelling van de kosmos en de werking van de elementen, 18in het begin en het eind en het midden van de tijden, in de baan die de zon doorloopt en de wisseling van de seizoenen, 19in de kringloop van het jaar en de stand van de sterren, 20
7:20
1 Kon. 5:13
in de aard van de dieren en de driften van wilde beesten, in de kracht van geesten en het denken van de mens, in de verschillende soorten planten en de werking van hun wortels – 21
7:21
Wijsh. 14:2
alles heb ik leren kennen, zowel wat zichtbaar als wat verborgen is. 22
7:22-23
1 Kor. 2:10
Jak. 3:17
7:22
Wijsh. 8:4-6
9:9
De wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht.

Zij heeft een geest die verstandig en heilig is, uniek, veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder, rein, toegankelijk, onkwetsbaar, liefdevol, scherpzinnig, 23

7:23
Wijsh. 1:6-10
onstuitbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwrikbaar, onbezorgd, almachtig, alles overziend en alle geesten doordringend, hoe scherp, zuiver of subtiel ze ook zijn. 24De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt, ze doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid. 25
7:25
Sir. 24:3
Ze is de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige; niets dat onrein is kan haar binnendringen. 26
7:26
Joh. 1:9
Kol. 1:15
Hebr. 1:3
In haar schittert het eeuwige licht, in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld en zijn goedheid afgebeeld. 27
7:27
Ps. 102:27-28
Ze is één maar kan alles, ze is onveranderlijk maar vernieuwt alles. Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten. 28Want God heeft alleen degene lief die zijn leven deelt met de wijsheid. 29In schoonheid overtreft ze de zon, haar plaats is boven de sterren. Ze is schitterender dan het daglicht, 30
7:30
Joh. 1:5
want dat wordt gevolgd door de nacht, maar de wijsheid wordt nooit verduisterd door het kwaad.

8

81Haar macht omvat de wereld van het ene uiteinde tot het andere, alles bestuurt ze even voortreffelijk.

2

8:2
Sir. 15:2
Ik werd verliefd op de wijsheid, van jongs af aan heb ik haar begeerd. Ik aanbad haar schoonheid en trachtte haar als bruid te verwerven. 3Zij doet haar edele afkomst eer aan door met God te leven, en hij die over alles heerst heeft haar lief gekregen. 4
8:4
Spr. 8:22-31
Wijsh. 9:9
Ze is in Gods kennis ingewijd, ze stemt in met zijn daden. 5
8:5
Wijsh. 7:22
Indien rijkdom al begerenswaard is in het leven, wat is er rijker dan de wijsheid, die alles tot stand brengt? 6Indien inzicht al iets voortbrengt, hoeveel te meer dan de wijsheid, die maakster is van alles wat er is? 7Indien iemand de gerechtigheid liefheeft: het is de wijsheid die deugden voortbrengt. Zij leert bezonnenheid en scherpzinnigheid, rechtschapenheid en moed, en niets is nuttiger in het leven van een mens dan deze deugden. 8En indien iemand een schat aan kennis zoekt: zij kan verhalen van voorbije dingen en voorspellen wat komen gaat. Zij doorgrondt de wendingen in redeneringen en kent de oplossingen van raadsels. Van tekenen en wonderen is zij tevoren op de hoogte, zij weet ook waar de geschiedenis op uitloopt.

9

8:9
Spr. 7:4
Daarom besloot ik haar in huis te nemen, ik wilde met haar leven. Want ik wist dat zij mij goede raad zou geven en mij zou bemoedigen in tijden van zorg en verdriet. 10
8:10
1 Kon. 3:7-8
Ik dacht: Door haar zal ik alom roem verwerven, en aanzien bij ouderen, zo jong als ik ben. 11
8:11
1 Kon. 3:28
5:14,21
10:4-9
Ik zal bekendstaan om mijn scherpzinnig oordeel, en de groten der aarde zullen vol bewondering tegen mij opzien. 12Zolang ik zwijg wachten zij af, en als ik spreek luisteren ze aandachtig; zet ik het spreken voort, dan zijn zij sprakeloos. 13
8:13
Ps. 112:6
Sir. 39:9
Door haar zal ik onsterfelijkheid verwerven en voor altijd voortleven in de herinnering van allen die ik achterlaat. 14
8:14
1 Kon. 5:1
Volken zal ik regeren, nieuwe volken zal ik aan mij onderwerpen. 15Gevreesde tirannen worden door schrik bevangen als ze van mij horen. Onder het volk toon ik mijn vriendelijkheid en in de strijd mijn moed. 16
8:16
Spr. 3:17-18
Pred. 1:18
Wanneer ik weer thuis ben, zal ik bij haar rust vinden. Want de omgang met haar kent geen bittere momenten, leven met haar geen verdriet, maar louter vrolijkheid en vreugde.

Salomo’s gebed om wijsheid

17Toen ik dit alles had overdacht en tot de slotsom was gekomen dat verwantschap met de wijsheid tot onsterfelijkheid voert, 18en vriendschap met haar tot zuivere verrukking, dat werken met haar tot onuitputtelijke rijkdom leidt, de voortdurende omgang met haar tot inzicht, en deelnemen aan haar gesprekken tot een goede naam – toen heb ik mij bezonnen op manieren om haar voor mij te winnen. 19Ik was een mooi kind en had een goede ziel ontvangen, 20of liever, omdat ik goed was kreeg ik een rein lichaam. 21

8:21
Sir. 1:1
Aangezien ik besefte dat ik de wijsheid alleen zou kunnen veroveren als God haar aan mij zou schenken – ook het besef dat zij een gave van hem is had ik aan haar te danken – wendde ik mij tot de Heer en bad tot hem uit de grond van mijn hart:

9

91

9:1-12
1 Kon. 3:6-9
2 Kron. 1:8-10
9:1
Sir. 42:15
Joh. 1:3
‘God van mijn voorouders, barmhartige Heer. U hebt door uw woord alles geschapen. 2
9:2
Gen. 1:26-28
Wijsh. 10:2
Door uw wijsheid hebt u de mens zo gemaakt dat hij over uw schepping zou heersen, 3dat hij de wereld rechtvaardig zou regeren, in vertrouwen op u, en dat hij oprecht zou vonnissen. 4
9:4
Sir. 1:1
Schenk mij de wijsheid die naast u troont, keur mij een plaats onder uw kinderen waardig. 5
9:5
Ps. 86:16
116:16
Ik ben immers slechts uw dienaar, de zoon van uw dienares. Ik ben een zwak mens, met een korte levensduur en een beperkt inzicht in recht en wetten. 6Maar zelfs als iemand een volmaakt mens zou zijn, dan nog is hij niets waard wanneer hij van uw wijsheid verstoken blijft.

7U hebt mij uitgekozen om koning van uw volk te zijn en rechter over uw zonen en dochters. 8

9:8
2 Sam. 7:13
1 Kon. 5:19
8:19
Sir. 47:13
U hebt mij de bouw opgedragen van een tempel op uw heilige berg, van een altaar in de stad waar u woont, naar het voorbeeld van de heilige tent die u al in het begin had ontworpen. 9
9:9
Spr. 8:27
Wijsh. 7:22
8:4
Bij u is de wijsheid, die uw werken kent en die erbij was toen u de wereld schiep. Zij weet wat u goedkeurt en wat met uw geboden in overeenstemming is. 10Zend haar hierheen vanuit de heilige hemel, van bij uw luisterrijke troon, om mij met raad en daad bij te staan, opdat ik weet wat u goed vindt. 11Zij weet en doorziet immers alles. Ze zal mij bedachtzaam leiden in mijn handelen, met haar luister zal zij mij behoeden. 12Zo zal alles wat ik doe u aangenaam zijn. Ik zal uw volk recht verschaffen en de troon van mijn vader waardig bekleden.

13

9:13
Jes. 40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Welke mens kent Gods bedoeling? Wie kan doorgronden wat de Heer wil? 14Armzalig is het denken van sterfelijke mensen, wisselvallig zijn onze overwegingen. 15
9:15
Job 4:19
Jes. 38:12
2 Kor. 5:1
2 Petr. 1:13-14
Ons vergankelijke lichaam drukt zwaar op de ziel, de aardse tent is een last voor de geest die rijk aan gedachten is. 16
9:16
Jes. 55:9
Joh. 3:12
En als we al nauwelijks kunnen bevatten wat er op aarde omgaat, en zelfs moeite hebben om te ontdekken wat onder handbereik is, wie kan dan doorgronden wat er in de hemel is? 17Wie kan uw bedoelingen kennen als u niet zelf wijsheid geeft en uw heilige geest naar beneden zendt?’

Van schepping tot uittocht

18

9:18
Bar. 4:4
Zo is het gegaan: de mensen op aarde werden op het rechte spoor geleid en ontvingen onderricht over wat u, Heer, goed vindt. De wijsheid heeft hen gered.