Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

51

5:1
Wijsh. 2:10-20
Mat. 13:43
Dan zal de rechtvaardige zijn vijanden volkomen vrijmoedig tegemoet treden, allen die hem verdrukten en zijn inspanningen belachelijk maakten. 2Als ze hem zien worden ze door hevige schrik bevangen, zijn wonderbaarlijke redding wekt grote ontsteltenis. 3Ze zullen zuchten en steunen van spijt en ontzetting, en tegen elkaar zeggen: 4
5:4
Wijsh. 2:15,20
‘Dat is de man die wij ooit tot het mikpunt van spot en hoon hebben gemaakt, dwazen dat we waren! We vonden zijn leven onzinnig en zijn dood een vernedering. 5
5:5
Wijsh. 2:13
Kol. 1:12
Maar kijk hoe hij nu als een kind van God wordt beschouwd en het lot van de engelen deelt! 6
5:6
Ps. 119:105
Spr. 21:16
Blijkbaar zijn wij van de weg van de waarheid afgedwaald. Het licht van de gerechtigheid heeft voor ons niet geschenen, de zon is voor ons niet opgegaan. 7We zijn verstrikt geraakt in dorens van wetteloosheid en verderf, we zijn door een ongebaande wildernis getrokken, en van de weg van de Heer wilden wij niet weten. 8Welk voordeel heeft onze hoogmoed ons gebracht, welke winst de rijkdom waarop we konden bogen? 9
5:9
Job 9:25-26
Wijsh. 2:5
Het is allemaal als een schaduw voorbijgegaan, als een gerucht voorbijgesneld. 10
5:10
Spr. 30:19
Zoals een schip dat het deinende water doorklieft: geen spoor laat het na, onvindbaar is het pad dat de kiel door de golven baant; 11zoals een vogel die voorbijvliegt door de lucht: geen teken van zijn vlucht laat hij achter, hij slaat de ijle lucht met zijn vleugelslag en splijt hem met de suizende kracht van zijn wiekslag, maar als hij voorbij is, is er van zijn tocht niets meer te bespeuren; 12of zoals een pijl die op het doelwit wordt afgeschoten: de doorsneden lucht herstelt zich dadelijk en vertoont geen spoor meer van het schot – 13zo zijn ook wij: geboren en vergaan zonder een teken van deugd na te laten, verteerd door onze slechtheid.’ 14
5:14
Ps. 1:4
37:20
68:3
Jes. 29:5
De hoop van de goddelozen is als kaf dat verwaait in de wind, hij is als stuifsneeuw, voortgejaagd door de storm, als rook die door de wind wordt weggeblazen. Hij vervliegt als de herinnering aan een gast die na één dag weer vertrekt.

15

5:15
Jes. 62:11
Maar de rechtvaardigen leven tot in eeuwigheid; de Heer zorgt voor hun loon, de Allerhoogste waakt over hun lot. 16
5:16
Ps. 7:11
Spr. 4:9
Jes. 28:5
Wijsh. 4:2
19:8
1 Kor. 9:25
Daarom ontvangen zij een schitterende kroon en een sierlijke diadeem uit de hand van de Heer. Hij beschermt hen met zijn rechterhand, achter het schild aan zijn arm zijn zij veilig. 17
5:17-18
Jes. 59:16-17
Ef. 6:13-17
Van zijn ijver maakt hij een wapenrusting, de schepping wordt zijn wapen in de strijd met zijn vijanden. 18Hij gordt het harnas van de gerechtigheid aan en zet de helm op van het onherroepelijke oordeel. 19Hij neemt onoverwinnelijke heiligheid als schild 20
5:20
Wijsh. 16:17
en scherpt zijn grimmige toorn tot een zwaard. De natuur trekt met hem ten strijde tegen de dwazen: 21
5:21
Ps. 7:13-14
18:15
goed gerichte bliksemschichten schieten van de gespannen wolkenboog recht op hun doel, 22een regen van hagelstenen wordt op hen af geslingerd, de golven op zee keren zich tegen hen, rivieren spoelen hen meedogenloos weg, 23
5:23
Jes. 30:27-28
een sterke wind blaast hen omver, een wervelstorm slaat hen uiteen.

Zo zal wetteloosheid heel de aarde verwoesten, zo stoot het kwaad de tronen van vorsten omver.

6

Oproep om de wijsheid in ere te houden

61

6:1-3
Spr. 8:15-16
6:1
Ps. 2:10
Wijsh. 1:1
Sir. 33:19
Luister daarom, koningen, en toon inzicht. Laat u onderrichten, rechters over de hele wereld. 2Geef gehoor, u die menigten gebiedt en pronkt met uw vele volken. 3
6:3
1 Kron. 29:12
Dan. 2:21,37
Rom. 13:1
U hebt uw macht ontvangen van de Heer, u ontleent uw heerschappij aan de Allerhoogste. Hij zal uw daden beoordelen en uw voornemens toetsen. 4Hoewel u zijn koningschap vertegenwoordigt, hebt u niet eerlijk gevonnist, de wet niet gehandhaafd en niet naar Gods wil gehandeld. 5Daarom zal hij snel en schrikwekkend tegen u optreden, want machthebbers wacht een streng oordeel. 6
6:6
Job 34:17-19
De onaanzienlijke zal genade en vergeving vinden, maar machtigen worden aan een machtig oordeel onderworpen. 7
6:7
Job 31:15
Spr. 22:2
Hij die over allen heerst bekommert zich niet om het aanzien dat iemand geniet, hij deinst niet terug voor iemands grootheid. Groot en klein heeft hij zelf geschapen en voor iedereen zorgt hij op dezelfde wijze, 8maar wie sterk is zal een strenger onderzoek ondergaan. 9Daarom richt ik mijn woorden tot u, vorsten, opdat u leert wat wijsheid is en niet zult afdwalen. 10
6:10
Wijsh. 5:5
Zij die alles wat heilig is zorgvuldig in ere houden, zullen zelf geheiligd worden, en zij die deze les ter harte nemen, zullen worden ontzien. 11Verlang er dus vurig naar om mijn woorden te horen en ik zal u onderricht geven.

12

6:12
Spr. 8:17
Sir. 6:27
Schitterend en onvergankelijk is de wijsheid. Ze laat zich gemakkelijk zien aan wie haar liefheeft, ze laat zich vinden door wie haar zoekt; 13wie naar haar verlangt leert haar dadelijk kennen. 14
6:14
Sir. 6:36
39:5
Wie voor zonsopgang opstaat om haar te zoeken, wordt niet moe: hij vindt haar pal voor zijn deur. 15Een mens kan zijn verstand niet beter gebruiken dan door aan haar te denken. Wie om haar wakker ligt zal spoedig vrij van zorgen zijn. 16
6:16
Spr. 1:20-21
8:2-4
Jes. 65:1-2
Sir. 15:1-2
De wijsheid is op zoek naar mensen die haar waard zijn, ze treedt hun welwillend tegemoet en vertoont zich aan hen in elke gedachte. 17
6:17
Spr. 4:7
Wijsheid begint met oprecht verlangen naar onderricht, 18
6:18
Wijsh. 3:4
verlangen naar onderricht is haar liefhebben, liefde is het eerbiedigen van haar wetten, eerbiediging van haar wetten is het fundament van onvergankelijkheid, 19onvergankelijkheid brengt een mens dicht bij God – 20
6:20
Wijsh. 3:7-8
5:16
verlangen naar wijsheid leidt dus tot heerschappij. 21Houd daarom, vorsten van de wereld, wanneer u aan uw tronen en uw scepters gehecht bent, de wijsheid in ere, opdat uw heerschappij duurt tot in eeuwigheid.

Salomo’s lofzang op de wijsheid

22

6:22
Ps. 78:2
Mat. 13:35
Wat de wijsheid is en hoe ze is ontstaan, zal ik u vertellen zonder iets te verbergen. Ik zal haar op de voet volgen, vanaf het eerste begin. Alles wat ik over haar weet zal ik aan het licht brengen. Ik zal niet aan de waarheid voorbijgaan 23
6:23
Sir. 51:23
Jak. 3:14-16
en haar niet angstvallig voor mezelf houden, want dat heeft met de wijsheid niets gemeen. 24
6:24
Spr. 29:4
Sir. 10:1-3
Een menigte wijzen betekent redding voor de wereld, een verstandige koning voorspoed voor het volk. 25Laat u dus door mij onderrichten, u zult er baat bij hebben.

7

71

7:1
Gen. 2:7
Ps. 139:13-16
Sir. 17:1
Net als ieder ander ben ik een sterfelijk mens, een afstammeling van de eerstgeschapene, die uit aarde werd gevormd. In de buik van mijn moeder ben ik geboetseerd in vlees, 2in tien maanden ben ik gestold in bloed, uit het zaad van een man en de lust die met de slaap gepaard gaat. 3Toen ik geboren werd, ademde ik dezelfde lucht in als andere mensen. Mijn geboorte schokte de wereld niet en ik slaakte eenzelfde eerste kreet als iedereen. 4Ik heb in windsels gelegen, ik moest verzorgd worden. 5Want het leven van een koning heeft geen ander begin; 6
7:6
1 Kon. 2:2
voor alle mensen heeft het leven dezelfde ingang en dezelfde uitgang.

7

7:7
1 Kon. 3:6-9,12
5:9-14
Sir. 47:12-17
Dus bad ik om inzicht, en het werd mij gegeven; ik heb gesmeekt, en mij werd een wijze geest geschonken. 8Ik verkoos wijsheid boven scepters en tronen, rijkdom viel bij haar in het niet. 9
7:9
Job 28:15-19
Spr. 8:10-11
Ze was voor mij onvergelijkbaar met de kostbaarste edelsteen; naast haar waren bergen goud niet meer dan een hoopje zand, en met haar vergeleken was zilver maar slijk. 10Ik beminde haar meer dan gezondheid en schoonheid, ik verkoos haar boven het licht, want ze schitterde zonder ophouden. 11
7:11
1 Kon. 3:13
10:21-22
Tegelijk met haar ontving ik alle andere goede dingen, ze schonk mij onmetelijke rijkdom. 12
7:12
Wijsh. 8:5-6
Ik was verheugd over al die gaven, omdat zij het was die ze meebracht, hoewel ik toen nog niet besefte dat zij de bron was van dat alles. 13
7:13
Wijsh. 6:22
Onzelfzuchtig heb ik haar verworven, onbaatzuchtig geef ik haar door, zonder haar rijkdom te verbergen. 14
7:14
Luc. 12:33
Zij is voor mensen een onuitputtelijke schat; wie haar verwerft raakt bevriend met God, die mild gestemd is door de gaven die de wijsheid meegeeft.

15Moge God mij vergunnen met verstand te spreken en te denken in overeenstemming met de gaven die mij geschonken zijn. Hij is de gids van de wijsheid, hij is het die wijzen verbetert. 16

7:16
Job 12:10
Ps. 31:16
Sir. 10:5
Wij zijn in Gods hand, met alles wat we zeggen, met al ons inzicht en al onze kundigheid. 17Hij is het die mij betrouwbare kennis verschaft heeft van alles wat er is. Ik kreeg inzicht in de samenstelling van de kosmos en de werking van de elementen, 18in het begin en het eind en het midden van de tijden, in de baan die de zon doorloopt en de wisseling van de seizoenen, 19in de kringloop van het jaar en de stand van de sterren, 20
7:20
1 Kon. 5:13
in de aard van de dieren en de driften van wilde beesten, in de kracht van geesten en het denken van de mens, in de verschillende soorten planten en de werking van hun wortels – 21
7:21
Wijsh. 14:2
alles heb ik leren kennen, zowel wat zichtbaar als wat verborgen is. 22
7:22-23
1 Kor. 2:10
Jak. 3:17
7:22
Wijsh. 8:4-6
9:9
De wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht.

Zij heeft een geest die verstandig en heilig is, uniek, veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder, rein, toegankelijk, onkwetsbaar, liefdevol, scherpzinnig, 23

7:23
Wijsh. 1:6-10
onstuitbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwrikbaar, onbezorgd, almachtig, alles overziend en alle geesten doordringend, hoe scherp, zuiver of subtiel ze ook zijn. 24De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt, ze doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid. 25
7:25
Sir. 24:3
Ze is de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige; niets dat onrein is kan haar binnendringen. 26
7:26
Joh. 1:9
Kol. 1:15
Hebr. 1:3
In haar schittert het eeuwige licht, in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld en zijn goedheid afgebeeld. 27
7:27
Ps. 102:27-28
Ze is één maar kan alles, ze is onveranderlijk maar vernieuwt alles. Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten. 28Want God heeft alleen degene lief die zijn leven deelt met de wijsheid. 29In schoonheid overtreft ze de zon, haar plaats is boven de sterren. Ze is schitterender dan het daglicht, 30
7:30
Joh. 1:5
want dat wordt gevolgd door de nacht, maar de wijsheid wordt nooit verduisterd door het kwaad.