Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

41

4:1
Spr. 10:7
Sir. 16:3
Beter is het kinderloos te blijven dan te leven zonder deugd. Want de herinnering aan de deugd is onvergankelijk, omdat ze bij God en mensen aanzien geniet. 2
4:2
Wijsh. 5:16
Wanneer de deugd er is volgt men haar na, en men verlangt ernaar wanneer ze er niet is. Ze draagt voor altijd de krans van de overwinning, want ze heeft gestreden om een prijs die niet vergaat. 3
4:3
Sir. 23:25
40:15
Een groot kindertal zal goddelozen niet baten, het talrijke nageslacht van bastaards zal geen wortel schieten en niet kunnen standhouden. 4
4:4
Ps. 37:35-36
58:10
Zelfs al botten er een tijd lang twijgen uit, zodra de wind gaat waaien blijkt hoe wankel ze staan, en als er een storm opsteekt worden ze ontworteld. 5Hun takken breken voortijdig af, hun vruchten rijpen niet, ze zijn oneetbaar en onbruikbaar. 6Kinderen die uit een verboden verbintenis worden geboren, zijn op de dag van het oordeel een aanklacht tegen hun ouders.

7

4:7
Jes. 57:1-2
Wijsh. 3:3
Maar wanneer de rechtvaardige voortijdig sterft zal hij rust vinden. 8
4:8
Sir. 25:4-6
Want aanzien is niet te meten naar ouderdom of naar het aantal levensjaren. 9
4:9
Spr. 16:31
Inzicht geeft mensen de ware grijsheid, een zuiver leven de ware ouderdom. 10
4:10
Gen. 5:24
Sir. 44:16
Hebr. 11:5
Er is ooit iemand geweest in wie God vreugde vond en die hij zo liefhad dat hij hem weghaalde uit de kring van zondige mensen. 11Hij werd weggenomen opdat het kwaad zijn verstand niet zou misvormen en de leugen zijn ziel niet zou misleiden. 12Want de betovering van het slechte verduistert het goede en de draaikolk van de begeerte trekt de onbevangen rede naar de diepte. 13Al was zijn leven kort, toch is hij tot volle wasdom gekomen. 14
4:14
Jes. 57:2
Hij was een mens in wie de Heer vreugde vond en daarom ontvluchtte hij het kwaad. De mensen zagen het zonder het te begrijpen; ze leerden er niet uit 15
4:15
Wijsh. 3:9
dat er genade en barmhartigheid is voor zijn uitverkorenen, en redding voor zijn heilig volk.

16De rechtvaardige zal na zijn dood een oordeel vellen over de levende goddelozen, en wie al jong volwassen is over wie oud geworden is in het kwaad. 17

4:17
Wijsh. 3:2
De dwazen zien de dood van de wijze, maar ze doorzien niet wat de Heer met hem voorheeft en met welk doel hij hem in veiligheid brengt. 18
4:18
Ps. 2:4
37:13
59:9
Spr. 1:26
Zij hebben minachting voor wat ze zien, maar de Heer lacht om hen. 19Als ze straks dood zijn, zal hun lichaam geen eer worden bewezen en zal eeuwige spot onder de doden hun deel zijn. Hij zal hen van hun voetstuk stoten en hen stom voorover laten vallen. Ze zullen pijn lijden en totaal vernietigd worden, en niets zal nog aan hen herinneren.

20Vol angst zullen zij verschijnen wanneer de rekening van hun overtredingen wordt opgemaakt; hun misdragingen zullen tegen hen getuigen en hen beschuldigen.

5

51

5:1
Wijsh. 2:10-20
Mat. 13:43
Dan zal de rechtvaardige zijn vijanden volkomen vrijmoedig tegemoet treden, allen die hem verdrukten en zijn inspanningen belachelijk maakten. 2Als ze hem zien worden ze door hevige schrik bevangen, zijn wonderbaarlijke redding wekt grote ontsteltenis. 3Ze zullen zuchten en steunen van spijt en ontzetting, en tegen elkaar zeggen: 4
5:4
Wijsh. 2:15,20
‘Dat is de man die wij ooit tot het mikpunt van spot en hoon hebben gemaakt, dwazen dat we waren! We vonden zijn leven onzinnig en zijn dood een vernedering. 5
5:5
Wijsh. 2:13
Kol. 1:12
Maar kijk hoe hij nu als een kind van God wordt beschouwd en het lot van de engelen deelt! 6
5:6
Ps. 119:105
Spr. 21:16
Blijkbaar zijn wij van de weg van de waarheid afgedwaald. Het licht van de gerechtigheid heeft voor ons niet geschenen, de zon is voor ons niet opgegaan. 7We zijn verstrikt geraakt in dorens van wetteloosheid en verderf, we zijn door een ongebaande wildernis getrokken, en van de weg van de Heer wilden wij niet weten. 8Welk voordeel heeft onze hoogmoed ons gebracht, welke winst de rijkdom waarop we konden bogen? 9
5:9
Job 9:25-26
Wijsh. 2:5
Het is allemaal als een schaduw voorbijgegaan, als een gerucht voorbijgesneld. 10
5:10
Spr. 30:19
Zoals een schip dat het deinende water doorklieft: geen spoor laat het na, onvindbaar is het pad dat de kiel door de golven baant; 11zoals een vogel die voorbijvliegt door de lucht: geen teken van zijn vlucht laat hij achter, hij slaat de ijle lucht met zijn vleugelslag en splijt hem met de suizende kracht van zijn wiekslag, maar als hij voorbij is, is er van zijn tocht niets meer te bespeuren; 12of zoals een pijl die op het doelwit wordt afgeschoten: de doorsneden lucht herstelt zich dadelijk en vertoont geen spoor meer van het schot – 13zo zijn ook wij: geboren en vergaan zonder een teken van deugd na te laten, verteerd door onze slechtheid.’ 14
5:14
Ps. 1:4
37:20
68:3
Jes. 29:5
De hoop van de goddelozen is als kaf dat verwaait in de wind, hij is als stuifsneeuw, voortgejaagd door de storm, als rook die door de wind wordt weggeblazen. Hij vervliegt als de herinnering aan een gast die na één dag weer vertrekt.

15

5:15
Jes. 62:11
Maar de rechtvaardigen leven tot in eeuwigheid; de Heer zorgt voor hun loon, de Allerhoogste waakt over hun lot. 16
5:16
Ps. 7:11
Spr. 4:9
Jes. 28:5
Wijsh. 4:2
19:8
1 Kor. 9:25
Daarom ontvangen zij een schitterende kroon en een sierlijke diadeem uit de hand van de Heer. Hij beschermt hen met zijn rechterhand, achter het schild aan zijn arm zijn zij veilig. 17
5:17-18
Jes. 59:16-17
Ef. 6:13-17
Van zijn ijver maakt hij een wapenrusting, de schepping wordt zijn wapen in de strijd met zijn vijanden. 18Hij gordt het harnas van de gerechtigheid aan en zet de helm op van het onherroepelijke oordeel. 19Hij neemt onoverwinnelijke heiligheid als schild 20
5:20
Wijsh. 16:17
en scherpt zijn grimmige toorn tot een zwaard. De natuur trekt met hem ten strijde tegen de dwazen: 21
5:21
Ps. 7:13-14
18:15
goed gerichte bliksemschichten schieten van de gespannen wolkenboog recht op hun doel, 22een regen van hagelstenen wordt op hen af geslingerd, de golven op zee keren zich tegen hen, rivieren spoelen hen meedogenloos weg, 23
5:23
Jes. 30:27-28
een sterke wind blaast hen omver, een wervelstorm slaat hen uiteen.

Zo zal wetteloosheid heel de aarde verwoesten, zo stoot het kwaad de tronen van vorsten omver.

6

Oproep om de wijsheid in ere te houden

61

6:1-3
Spr. 8:15-16
6:1
Ps. 2:10
Wijsh. 1:1
Sir. 33:19
Luister daarom, koningen, en toon inzicht. Laat u onderrichten, rechters over de hele wereld. 2Geef gehoor, u die menigten gebiedt en pronkt met uw vele volken. 3
6:3
1 Kron. 29:12
Dan. 2:21,37
Rom. 13:1
U hebt uw macht ontvangen van de Heer, u ontleent uw heerschappij aan de Allerhoogste. Hij zal uw daden beoordelen en uw voornemens toetsen. 4Hoewel u zijn koningschap vertegenwoordigt, hebt u niet eerlijk gevonnist, de wet niet gehandhaafd en niet naar Gods wil gehandeld. 5Daarom zal hij snel en schrikwekkend tegen u optreden, want machthebbers wacht een streng oordeel. 6
6:6
Job 34:17-19
De onaanzienlijke zal genade en vergeving vinden, maar machtigen worden aan een machtig oordeel onderworpen. 7
6:7
Job 31:15
Spr. 22:2
Hij die over allen heerst bekommert zich niet om het aanzien dat iemand geniet, hij deinst niet terug voor iemands grootheid. Groot en klein heeft hij zelf geschapen en voor iedereen zorgt hij op dezelfde wijze, 8maar wie sterk is zal een strenger onderzoek ondergaan. 9Daarom richt ik mijn woorden tot u, vorsten, opdat u leert wat wijsheid is en niet zult afdwalen. 10
6:10
Wijsh. 5:5
Zij die alles wat heilig is zorgvuldig in ere houden, zullen zelf geheiligd worden, en zij die deze les ter harte nemen, zullen worden ontzien. 11Verlang er dus vurig naar om mijn woorden te horen en ik zal u onderricht geven.

12

6:12
Spr. 8:17
Sir. 6:27
Schitterend en onvergankelijk is de wijsheid. Ze laat zich gemakkelijk zien aan wie haar liefheeft, ze laat zich vinden door wie haar zoekt; 13wie naar haar verlangt leert haar dadelijk kennen. 14
6:14
Sir. 6:36
39:5
Wie voor zonsopgang opstaat om haar te zoeken, wordt niet moe: hij vindt haar pal voor zijn deur. 15Een mens kan zijn verstand niet beter gebruiken dan door aan haar te denken. Wie om haar wakker ligt zal spoedig vrij van zorgen zijn. 16
6:16
Spr. 1:20-21
8:2-4
Jes. 65:1-2
Sir. 15:1-2
De wijsheid is op zoek naar mensen die haar waard zijn, ze treedt hun welwillend tegemoet en vertoont zich aan hen in elke gedachte. 17
6:17
Spr. 4:7
Wijsheid begint met oprecht verlangen naar onderricht, 18
6:18
Wijsh. 3:4
verlangen naar onderricht is haar liefhebben, liefde is het eerbiedigen van haar wetten, eerbiediging van haar wetten is het fundament van onvergankelijkheid, 19onvergankelijkheid brengt een mens dicht bij God – 20
6:20
Wijsh. 3:7-8
5:16
verlangen naar wijsheid leidt dus tot heerschappij. 21Houd daarom, vorsten van de wereld, wanneer u aan uw tronen en uw scepters gehecht bent, de wijsheid in ere, opdat uw heerschappij duurt tot in eeuwigheid.

Salomo’s lofzang op de wijsheid

22

6:22
Ps. 78:2
Mat. 13:35
Wat de wijsheid is en hoe ze is ontstaan, zal ik u vertellen zonder iets te verbergen. Ik zal haar op de voet volgen, vanaf het eerste begin. Alles wat ik over haar weet zal ik aan het licht brengen. Ik zal niet aan de waarheid voorbijgaan 23
6:23
Sir. 51:23
Jak. 3:14-16
en haar niet angstvallig voor mezelf houden, want dat heeft met de wijsheid niets gemeen. 24
6:24
Spr. 29:4
Sir. 10:1-3
Een menigte wijzen betekent redding voor de wereld, een verstandige koning voorspoed voor het volk. 25Laat u dus door mij onderrichten, u zult er baat bij hebben.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]