Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21

2:1
Job 7:9
14:1-2
Ps. 39:5-7
Pred. 8:8
Ten onrechte houden ze zichzelf het volgende voor: Het leven is kort en vol moeite. Geen mens kan zijn einde ontlopen; er is niemand die een uitweg kan bieden uit het dodenrijk. 2Wij zijn bij toeval ontstaan en uiteindelijk zal het zijn of we nooit hebben bestaan. De adem in onze neusgaten is vluchtig als damp, het verstand niet meer dan een vonk in ons binnenste. 3Als de vonk gedoofd is, vergaat het lichaam tot as en vervliegt de geest als ijle lucht. 4
2:4
Job 7:9
18:17-19
Pred. 1:11
2:16
9:5
Onze naam wordt op den duur vergeten, niemand herinnert zich onze daden nog. Ons leven verdwijnt als nevel, het lost op als mist die door de stralen van de zon wordt verjaagd en door haar warmte verdreven. 5
2:5
1 Kron. 29:15
Job 8:9
14:2
Ps. 39:7
144:4
Pred. 6:12
8:13
We leven niet langer dan een schaduw die voorbijgaat, en ons einde is onafwendbaar: het ligt vast en niemand kan het ongedaan maken.

6

2:6-9
Jes. 22:13
2:6
Pred. 9:7
1 Kor. 15:32
Welaan dan, laten we genieten van al het goede dat er is. Laten we de schepping met gretigheid benutten, zorgeloos als de jeugd. 7We zullen ons te goed doen aan kostbare, geurige wijn. We laten geen lentebloesem aan ons voorbijgaan, 8we vlechten kransen van rozenknoppen, eer ze verwelken. 9Elk veld zal ons zien dansen, overal laten we sporen van vrolijkheid achter. Dat is toch waarvoor we leven, dat is toch ons lot?

10

2:10
Ex. 22:21
Lev. 19:32
25:35-37
Laten we de rechtvaardige die in armoede leeft uitbuiten, laten we de weduwe niet ontzien en ons niet bekommeren om de grijze haren van iemand op hoge leeftijd. 11Onze kracht zal bepalen wat gerechtigheid is, want iets dat zwak is heeft geen waarde. 12
2:12-13
Joh. 5:18
2:12
Jer. 11:19
20:10
Laten we de rechtvaardige in het nauw drijven, want hij is ons alleen maar tot last. Hij dwarsboomt ons in alles wat we doen, hij verwijt ons dat we de wet overtreden en houdt ons voor dat we verloochenen wat ons geleerd is. 13
2:13
Wijsh. 5:5
Mat. 11:27
Luc. 22:70
Hij beweert over kennis van God te beschikken en noemt zich kind van de Heer. 14Hij is een levende aanklacht tegen onze opvattingen geworden. Zijn verschijning alleen al is ons een doorn in het oog, 15
2:15
Est. 3:8
omdat hij anders leeft dan anderen en zich afwijkend gedraagt. 16Wij zijn in zijn ogen minderwaardig en hij mijdt onze levenswijze alsof die besmet is. Hij geeft hoog op van de bestemming van rechtvaardige mensen en beroemt zich erop dat God zijn vader is.

17Laten we zien of hij gelijk heeft en afwachten wat er bij zijn dood gebeurt. 18Als de rechtvaardige echt een zoon van God is, zal die hem toch te hulp komen en hem uit de greep van zijn vijanden redden? 19

2:19
Jes. 53:7
Mat. 26:67-68
27:12-13
Laten we hem aan geweld en marteling onderwerpen om zijn oprechtheid te leren kennen, laten we zijn uithoudingsvermogen op de proef stellen. 20
2:20
Ps. 22:9
Mat. 27:43
We zullen hem veroordelen tot een vernederende dood, want hij beweert toch dat hij gered zal worden?

21Aldus de gedachtegang van de goddelozen. Maar ze vergissen zich, verblind als ze zijn door hun slechtheid. 22Ze zijn niet bekend met Gods geheimen: ze verwachten niet dat vroomheid beloond wordt en geloven niet dat wie onberispelijk leeft, gelauwerd wordt. 23

2:23
Gen. 1:26-27
God heeft de mens immers geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van zijn eigen wezen. 24
2:24
Gen. 3:1-19
Joh. 8:44
Rom. 5:12
Maar de duivel heeft uit jaloezie de dood in de wereld gebracht; ieder die hem toebehoort roept de dood over zich af.

3

Het lot van rechtvaardigen en goddelozen vergeleken

31

3:1
Deut. 33:3
Ps. 89:22
Jes. 51:16
Joh. 10:29
De zielen van de rechtvaardigen zijn in Gods hand, geen marteling kan hun deren. 2
3:2
Wijsh. 4:17
Dwazen menen dan wel dat de rechtvaardigen dood zijn, dat het ellendig is dat ze ons moesten verlaten 3
3:3
Jes. 57:2
en rampzalig dat ze afscheid moesten nemen – de rechtvaardigen zijn evenwel in vrede. 4
3:4
Wijsh. 1:15
2:23
Rom. 5:2-3
Ook al ziet iedereen hun lot als een straf, zij koesterden de hoop op onsterfelijkheid. 5
3:5
Deut. 8:2
Ps. 17:3
26:2
Spr. 17:3
Rom. 8:18
2 Kor. 4:17
En na een korte tijd van lijden is hun onmetelijk geluk ten deel gevallen, want God heeft hen op de proef gesteld en hen waardig gekeurd om bij hem te zijn. 6
3:6
Job 23:10
Hij heeft hen als goud in een oven gelouterd en hen als een brandoffer aanvaard. 7
3:7
Dan. 12:3
Mat. 13:43
Wanneer de tijd aanbreekt dat hij zich over hen ontfermt, zullen ze opvlammen en als vuur door een stoppelveld razen. 8
3:8
Ps. 149:7-9
Dan. 7:27
1 Kor. 6:2
Op. 5:10
20:4-6
Ze zullen een oordeel vellen over alle volken en over hen heersen, en de Heer zal hun koning zijn tot in eeuwigheid. 9
3:9
Spr. 28:5
Wijsh. 4:15
Luc. 18:7
1 Kor. 13:12
1 Joh. 3:2
Wie op hem vertrouwen zullen de waarheid kennen, en wie trouw zijn zullen in liefde met hem verkeren. Want er is genade en barmhartigheid voor zijn heilig volk, en redding voor zijn uitverkorenen.

10De goddelozen echter zullen om hun wijze van denken gestraft worden. Zo vergaat het hun die de rechtvaardige verachten en zich van de Heer afkeren. 11Wee degenen die wijsheid versmaden en onderricht afwijzen: hun hoop is ijdel, hun moeite vergeefs, en hun daden zijn zonder zin. 12

3:12
Sir. 41:5-6
Hun vrouwen zijn dwaas en hun kinderen slecht, heel hun nageslacht is vervloekt.

13

3:13
Jes. 54:1
Wijsh. 4:1
Luc. 23:29
Hebr. 13:4
Gelukkig is de onvruchtbare vrouw die niet bezoedeld is en zich niet aan zondige gemeenschap overgeeft: zij zal vrucht dragen wanneer alle mensen aan het oordeel worden onderworpen. 14
3:14
Ps. 16:5-6
Jes. 56:3-7
Gelukkig is de eunuch die geen zonde heeft begaan en geen kwaad heeft bedacht tegen de Heer: hij ontvangt een uitgelezen geschenk voor zijn trouw en een bijzondere plaats in de tempel van de Heer. 15
3:15
Wijsh. 1:15
Goede inspanning brengt volmaakte vruchten voort, en de wijze gedachte wortelt in onfeilbaarheid. 16
3:16
Wijsh. 4:6
Maar uit overspel geboren kinderen blijven onvolgroeid, en wat voortkomt uit verboden gemeenschap gaat ten onder. 17En mocht hun toch een lang leven beschoren zijn, dan heeft het geen enkele waarde en uiteindelijk moet hun ouderdom elk aanzien ontberen. 18Wanneer ze jong sterven is er geen hoop voor hen, en de dag dat de beslissing valt biedt hun geen troost. 19
3:19
Ps. 37:38
73:19
Want de onrechtvaardige vindt een smartelijk einde.

4

41

4:1
Spr. 10:7
Sir. 16:3
Beter is het kinderloos te blijven dan te leven zonder deugd. Want de herinnering aan de deugd is onvergankelijk, omdat ze bij God en mensen aanzien geniet. 2
4:2
Wijsh. 5:16
Wanneer de deugd er is volgt men haar na, en men verlangt ernaar wanneer ze er niet is. Ze draagt voor altijd de krans van de overwinning, want ze heeft gestreden om een prijs die niet vergaat. 3
4:3
Sir. 23:25
40:15
Een groot kindertal zal goddelozen niet baten, het talrijke nageslacht van bastaards zal geen wortel schieten en niet kunnen standhouden. 4
4:4
Ps. 37:35-36
58:10
Zelfs al botten er een tijd lang twijgen uit, zodra de wind gaat waaien blijkt hoe wankel ze staan, en als er een storm opsteekt worden ze ontworteld. 5Hun takken breken voortijdig af, hun vruchten rijpen niet, ze zijn oneetbaar en onbruikbaar. 6Kinderen die uit een verboden verbintenis worden geboren, zijn op de dag van het oordeel een aanklacht tegen hun ouders.

7

4:7
Jes. 57:1-2
Wijsh. 3:3
Maar wanneer de rechtvaardige voortijdig sterft zal hij rust vinden. 8
4:8
Sir. 25:4-6
Want aanzien is niet te meten naar ouderdom of naar het aantal levensjaren. 9
4:9
Spr. 16:31
Inzicht geeft mensen de ware grijsheid, een zuiver leven de ware ouderdom. 10
4:10
Gen. 5:24
Sir. 44:16
Hebr. 11:5
Er is ooit iemand geweest in wie God vreugde vond en die hij zo liefhad dat hij hem weghaalde uit de kring van zondige mensen. 11Hij werd weggenomen opdat het kwaad zijn verstand niet zou misvormen en de leugen zijn ziel niet zou misleiden. 12Want de betovering van het slechte verduistert het goede en de draaikolk van de begeerte trekt de onbevangen rede naar de diepte. 13Al was zijn leven kort, toch is hij tot volle wasdom gekomen. 14
4:14
Jes. 57:2
Hij was een mens in wie de Heer vreugde vond en daarom ontvluchtte hij het kwaad. De mensen zagen het zonder het te begrijpen; ze leerden er niet uit 15
4:15
Wijsh. 3:9
dat er genade en barmhartigheid is voor zijn uitverkorenen, en redding voor zijn heilig volk.

16De rechtvaardige zal na zijn dood een oordeel vellen over de levende goddelozen, en wie al jong volwassen is over wie oud geworden is in het kwaad. 17

4:17
Wijsh. 3:2
De dwazen zien de dood van de wijze, maar ze doorzien niet wat de Heer met hem voorheeft en met welk doel hij hem in veiligheid brengt. 18
4:18
Ps. 2:4
37:13
59:9
Spr. 1:26
Zij hebben minachting voor wat ze zien, maar de Heer lacht om hen. 19Als ze straks dood zijn, zal hun lichaam geen eer worden bewezen en zal eeuwige spot onder de doden hun deel zijn. Hij zal hen van hun voetstuk stoten en hen stom voorover laten vallen. Ze zullen pijn lijden en totaal vernietigd worden, en niets zal nog aan hen herinneren.

20Vol angst zullen zij verschijnen wanneer de rekening van hun overtredingen wordt opgemaakt; hun misdragingen zullen tegen hen getuigen en hen beschuldigen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]