Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
17

Duisternis en licht: plaag voor Egypte, zegen voor Israël

171

17:1
Ps. 92:6-7
Rom. 11:33-34
Machtig is uw oordeel en nauwelijks te beschrijven. Wie zich niet liet onderrichten, moest wel verdwalen. 2
17:2
Ex. 10:21-23
Daar lagen die zondaars, die meenden dat ze een heilig volk konden onderdrukken, nu zelf geketend door de duisternis, gevangen in een lange nacht, opgesloten in hun huizen, verstoken van de eeuwige voorzienigheid. 3Zij hadden gedacht dat ze met hun verborgen zonden onopgemerkt zouden blijven onder de donkere sluier van de vergetelheid, maar nu waren ze in verwarring, hevig ontsteld en gekweld door angstvisioenen. 4Zelfs de plaatsen waar ze zich schuilhielden boden geen bescherming tegen de angst: rondom hen klonken schrikwekkende geluiden en verschenen sombere geesten met dreigende blikken. 5Geen vuur was krachtig genoeg om hun licht te geven, en ook de sterren slaagden er met hun schittering niet in die verschrikkelijke nacht te verlichten. 6Er verscheen hun alleen een angstaanjagende vlammenzee die vanzelf ontstond, maar nadat het verschijnsel voorbij was, leek in hun angst alles wat ze gezien hadden nog veel erger. 7
17:7
Ex. 7:11,22
8:3,14
9:11
Al hun toverkunst schoot hier tekort en de grootspraak over hun wijsheid werd smadelijk ontmaskerd. 8Zij die beweerd hadden dat ze zieke mensen konden verlossen van hun angst en verwarring, maakten zich belachelijk door zelf ziek te worden van angst. 9Ook als er geen enkele aanleiding was om bang te zijn, eenmaal opgeschrikt door het gerucht van een wild beest of het sissen van een slang 10vergingen ze van angst en durfden zelfs niet meer om zich heen te kijken, wat toch onvermijdelijk is. 11Slechtheid verraadt zich door lafheid en veroordeelt daarmee zichzelf. Onder invloed van het geweten vreest ze altijd het ergste. 12Angst is niets anders dan het opgeven van de hulp die het redelijk denken biedt. 13Hoe minder men van de rede verwacht, hoe zwaarder de onzekerheid over de oorzaak van de kwelling gaat drukken, meer nog dan de oorzaak zelf.

14In die machteloze nacht, opgekomen uit de schuilhoeken van het machteloze dodenrijk, sliepen zij allen eenzelfde slaap: 15nu eens opgejaagd door geestverschijningen, dan weer verlamd door diepe vertwijfeling, doordat een plotselinge, onverwachte angst hen overviel. 16Wie daaronder bezweek, waar dan ook, werd gevangen en belandde in een kerker zonder tralies. 17Of iemand nu boer of herder was, of arbeider die in verlatenheid moest zwoegen, wanneer hij gegrepen werd, moest hij dat onontkoombare lot ondergaan. 18Allen werden geboeid met die ene keten van duisternis. En of het nu het suizen van de wind was, of het melodieuze zingen van vogels in dicht struikgewas, of het ruisen van stromend water, 19

17:19
Lev. 26:36
het geweld van vallend gesteente, het geluid van dieren die onzichtbaar wegschoten, het gehuil van wilde beesten of een echo die weerklonk uit een kloof in de bergen, alles verlamde hen van schrik. 20De hele wereld baadde in helder licht en alles ging ongestoord zijn gang; 21alleen over hen spreidde zich een benauwende nacht uit, als voorbode van de duisternis die hun te wachten stond. Maar die benauwdheid kwam meer uit henzelf voort dan uit de duisternis.

18

181

18:1
Ex. 10:23
Voor uw heiligen echter was er licht in overvloed. De anderen, die alleen hun stemmen hoorden maar hen niet konden zien, prezen hen gelukkig omdat ze niet hoefden te lijden zoals zijzelf. 2En zij bedankten hen, omdat ze geen wraak namen voor het onrecht dat hun eerder was aangedaan, en vroegen hun zo goed te zijn om te vertrekken. 3
18:3
Ex. 13:21
Ps. 121:6
Wijsh. 10:17
Uw volk hebt u toen een vlammende zuil van vuur gegeven als gids op de onbekende weg, een zon die hen niet zou steken op hun roemruchte tocht. 4
18:4
Wijsh. 11:16
Maar die anderen verdienden het om van het licht beroofd en in duisternis opgesloten te worden. Zij hadden immers uw kinderen de vrijheid ontnomen en hen opgesloten, uw volk, dat het onvergankelijke licht van de wet over de wereld zou verspreiden.

Dood: plaag voor Egypte, maar Israël wordt gered

5

18:5
Ex. 1:22-2:10
12:29
14:23-28
U hebt hun die besloten hadden de kinderen van de heiligen te doden – ook al werd één kind, dat te vondeling was gelegd, gered – voor straf al hun kinderen ontnomen. Bovendien hebt u henzelf in het kolkende water doen omkomen. 6
18:6
Ex. 11:4-7
Deze nacht was onze voorouders van tevoren aangekondigd, opdat ze moed zouden putten uit de vervulling van de beloften waarop ze vertrouwd hadden. 7Uw volk verwachtte de redding van de rechtvaardigen en de ondergang van hun vijanden. 8En wat u bij de tegenstanders gebruikte als straf, hebt u ons, die door u geroepen zijn, als genade toebedeeld. 9De vrome dienaren van het goede volk brachten hun offers in het verborgene. Eensgezind namen de heiligen het goddelijke gebod in acht dat zij moeten delen in elkaars voor- en tegenspoed. Zo konden zij al van tevoren de lofliederen van onze voorouders aanheffen. 10
18:10
Ex. 12:30
Daartegenin klonk bij hun vijanden gruwelijk geschreeuw en verbreidde zich de weeklacht om hun betreurde kinderen. 11Slaaf en meester ondergingen dezelfde straf, de gewone man trof hetzelfde leed als de koning. 12
18:12
Num. 33:4
Ontelbare mensen stierven, en hun doodsoorzaak was een en dezelfde. Er waren zelfs te weinig mensen om alle doden te begraven, omdat hun kostbaarste nakomelingen in één klap waren weggevaagd. 13
18:13
Ex. 4:22-23
Deut. 1:31
Hos. 11:1
Zij hadden altijd alleen op hun toverij vertrouwd, maar nu ze hun eerstgeborenen hadden verloren, erkenden zij dat dit volk Gods zoon was.

14Toen de nacht de helft van zijn weg had afgelegd en alles in diepe rust verzonken was, 15

18:15
Ex. 12:29
Op. 19:11-13
sprong uw almachtige woord vanaf de troon in de hemel midden in het vervloekte land, als een meedogenloze krijgsheld, 16
18:16
Op. 19:15
met het scherpe zwaard van uw ondubbelzinnige opdracht. Het stelde zich op, de voeten op aarde en de kruin tegen de hemel, en zaaide alom dood en verderf. 17
18:17
Job 4:13-15
Toen opeens werden zij opgeschrikt door vreselijke droomgezichten en overvallen door onverwachte angsten. 18Ze stortten halfdood neer, de een hier, de ander daar, in het volle besef van wat hun dood veroorzaakte; 19de dromen die hun zo’n angst hadden aangejaagd, hadden hun dit geopenbaard, zodat ze niet zouden omkomen zonder de oorzaak van hun ellende te kennen.

20

18:20-23
Num. 17:1-15
18:20
1 Kor. 10:8
Maar ook de rechtvaardigen kwamen met de dood in aanraking: in de woestijn werd een grote slachting onder hen aangericht. De goddelijke toorn hield echter niet lang aan, 21
18:21
Ex. 32:11-13
want een onberispelijk man had zich dadelijk opgeworpen als hun verdediger, met het schild van zijn dienst: gebed en reukoffer ter verzoening. Hij weerstond de toorn en maakte een einde aan de rampspoed, en daarmee bewees hij een dienaar van u te zijn. 22Niet met lichamelijke kracht overwon hij de woede en ook niet met wapengeweld; hij onderwierp de wreker met een goddelijk woord, door zich op de beloften aan de voorouders te beroepen en op de verbonden die met hen gesloten waren. 23Toen de lijken zich ophoopten sloeg hij de aanval af door tussen de doden en de levenden te gaan staan en de doorgang te versperren. 24
18:24
Ex. 28:1-40
Op zijn lange gewaad stond de hele wereld, in vier rijen edelstenen waren de grootse namen van de voorouders gegraveerd, en uw grootheid stond geschreven op zijn diadeem. 25Daarvoor deinsde de kwade macht terug, dit alles maakte hem bang. De toorn bleef beperkt, het was afdoende.

19

De uittocht: ondergang voor Egypte, redding voor Israël

191Voor de goddelozen echter was Gods toorn tot het einde toe onbarmhartig. U wist al van tevoren wat zij zouden doen: 2

19:2-3
Ex. 12:30-31
14:5-10
nadat ze eerst met hun vertrek hadden ingestemd en hen overhaast hadden laten gaan, zouden ze daar spijt van krijgen en de achtervolging inzetten. 3
19:3
Wijsh. 18:12
Terwijl ze nog in rouw verkeerden en weeklaagden aan het graf van hun doden, vatten zij een nieuw onzinnig plan op: degenen die zij gesmeekt hadden om het land te verlaten, zouden zij achtervolgen alsof ze voortvluchtig waren. 4Zij verdienden het noodlot dat hen tot het uiterste dreef en hun alles wat gebeurd was deed vergeten. Zo zouden zij hun ellende nog vergroten en hun straf vervolledigen. 5
19:5
Wijsh. 18:3
Terwijl uw volk een wonderbaarlijke tocht zou maken, was hún een bizarre dood beschoren.

6

19:6
Wijsh. 5:17
16:24
Gehoorzaam aan uw bevelen werd heel de schepping opnieuw gevormd, in haar oorspronkelijke vorm, opdat uw kinderen ongedeerd zouden blijven. 7
19:7
Ex. 14:19-22
Ps. 105:39
Ze zagen de wolk die de legerplaats overschaduwde, ze zagen droog land tevoorschijn komen waar eerder nog water was, een gebaande weg door de Rode Zee, een groene vlakte in plaats van ruw, onstuimig water. 8
19:8
Wijsh. 5:16
Daar trok, beschermd door uw hand, het hele volk doorheen, nadat ze wonderbaarlijke tekenen hadden gezien. 9
19:9
Ex. 15:1-21
Jes. 63:13-14
Mal. 3:20
Ze waren uitgelaten als paarden in de wei en sprongen als lammeren, en ze loofden u, Heer, die hen had gered.

De natuur veranderd ten behoeve van de rechtvaardigen

10

19:10
Ex. 8:1-2,12-15
Zij herinnerden zich nog wat ze tijdens hun verblijf in den vreemde hadden meegemaakt: hoe de aarde muggen in plaats van andere dieren had voortgebracht, en hoe de rivier in plaats van waterdieren massa’s kikkers had uitgebraakt. 11
19:11-12
Ex. 16:13
Num. 11:4,31
En later, toen ze vurig om verfijnd voedsel smeekten, waren ze getuige van een nieuwe schepping van vogels: 12uit de zee zagen ze kwartels opstijgen waarmee in hun behoefte werd voorzien.

13De zondaars echter werden getroffen door straffen, die aangekondigd waren door zware donderslagen. Zo kregen zij het verdiende loon voor hun misdaden, want zij hadden een diepe vreemdelingenhaat aan de dag gelegd. 14

19:14
Gen. 19:4-5
Anderen hadden indertijd geweigerd onbekende mannen die bij hen kwamen, te ontvangen; zij echter maakten gasten die hun zo veel goeds hadden gebracht tot slaaf. 15Sterker nog: terwijl de eersten die vreemdelingen vijandig bejegend hebben – zij zullen hun straf niet ontlopen –, 16
19:16
Gen. 45:17-20
47:1-12
Ex. 1:8-14
5:4-18
hebben de laatsten de vreemdelingen die ze feestelijk hadden onthaald en als gelijken behandeld, vervolgens met dwangarbeid onderdrukt. 17
19:17
Gen. 19:11
Daarom werden zij met blindheid geslagen, zoals eerder degenen die bij de rechtvaardige aan de deur stonden en op de tast hun eigen huis moesten zoeken, doordat ze in dichte duisternis gevangen waren.

18

19:18-21
Wijsh. 16:17-22
Zoals bij een harp het ritme kan veranderen terwijl de toon gelijk blijft, veranderden de elementen onderling. Dat blijkt uit een nauwkeurige beschouwing van de gebeurtenissen: 19landdieren veranderden in waterdieren, en zwemmende dieren gingen aan land; 20de kracht van vuur werd in water nog groter, en het water vergat zijn blussend vermogen; 21kwetsbare dieren werden niet verteerd door de vlammen waarin ze rondliepen, en het ijsachtige voedsel uit de hemel dat gemakkelijk kon smelten, smolt niet.

22

19:22
Jes. 45:17,25
In alles, Heer, hebt u uw volk groot gemaakt en verheerlijkt. U bent het niet vergeten en hebt het altijd en overal terzijde gestaan.