Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
16

Dieren: plaag voor Egypte, zegen voor Israël

161

16:1
Wijsh. 11:16
12:23,27
Daarom kregen de vijanden van uw volk een passende straf, met soortgelijke dieren, en werden ze getroffen door een grote plaag van ongedierte. 2
16:2
Ex. 16:9-13
Num. 11:10-32
Terwijl u hen strafte, hebt u uw volk welgedaan: u gaf het kwartels te eten, een nieuw soort voedsel om de knagende honger mee te stillen. 3En hoewel die anderen honger leden, benam de aanblik van de wanstaltige beesten die op hen waren afgestuurd hun elke eetlust. Uw volk echter leed slechts korte tijd gebrek, en kon daarna zelfs over buitengewoon voedsel beschikken. 4
16:4
Wijsh. 11:8-9
Bij de onderdrukkers moest de honger onontkoombaar zijn, terwijl uw volk alleen getoond moest worden hoe erg zijn vijanden leden.

Slangen en insecten: plaag voor Egypte, maar Israël wordt gered

5

16:5-7
Num. 21:4-9
Ook toen uw volk door een verschrikkelijke plaag getroffen werd en er mensen stierven aan de beten van kronkelende slangen, rustte uw toorn niet tot het bittere einde op hen. 6De ellende waaraan zij korte tijd ten prooi waren, was als waarschuwing bedoeld. Om hen te herinneren aan wat uw wet gebiedt, kregen zij een teken van redding. 7
16:7
Joh. 3:14-17
Wie zijn blik daarop richtte, werd gered – niet door wat hij zag, maar door u, de redder van alle mensen. 8Zo maakte u onze vijanden duidelijk dat u het bent die van al het kwaad verlost. 9
16:9
Ex. 8:16-20
10:12-15
Zij werden immers gedood door de beten van sprinkhanen en vliegen, geen geneesmiddel kon hun leven redden; zij verdienden het op die manier gestraft te worden. 10Maar uw kinderen kwamen zelfs beten van gifslangen te boven, omdat u hun in uw barmhartigheid te hulp schoot en hen genas. 11Zo werden ze ertoe aangespoord om zich uw woorden te herinneren. Hun voorspoedige redding moest voorkomen dat ze door alles te vergeten ongevoelig zouden zijn voor de weldaden die u hun bewees. 12
16:12
Ps. 107:20
Jes. 55:11
Ze zijn niet genezen met kruiden of zwachtels: uw woord is het, Heer, dat alles geneest. 13
16:13
Deut. 32:39
1 Sam. 2:6
U hebt macht over leven en dood, u laat mensen afdalen naar de poorten van het dodenrijk en u laat hen terugkeren. 14Een mens kan in zijn slechtheid wel doden, maar de geest die is heengegaan kan hij niet laten terugkeren, en de ziel die in het dodenrijk is beland kan hij niet verlossen.

Hemelvuur voor Egypte, hemelbrood voor Israël

15Het is onmogelijk om aan uw hand te ontkomen. 16

16:16
Ex. 9:23-25
Ps. 78:47-49
De goddelozen die weigerden u te erkennen, werden gegeseld door uw krachtige arm. Ze werden achtervolgd door ongekende slagregens, hagelstormen en onontkoombare donderbuien, en verteerd door vuur uit de hemel. 17
16:17
Wijsh. 5:20
En het wonderlijkste van alles: in het water dat alles blust kreeg het vuur nog meer kracht. Want de natuur kiest de kant van de rechtvaardige. 18Nu eens werden de vlammen getemperd om de beesten die op de goddelozen waren afgestuurd niet te verbranden, opdat zij zouden inzien dat ze door Gods oordeel belaagd werden. 19Dan weer laaide het vuur midden in het water ongewoon hoog op, om alles wat het zondige land had voortgebracht te vernietigen.

20

16:20
Ex. 16:13-15
Ps. 78:25
105:40
Uw volk daarentegen hebt u gevoed met engelenspijs. Zonder enige moeite verschafte u hun vanuit de hemel brood dat al bereid was, waarin alle heerlijkheden verenigd waren en dat aan ieders smaak voldeed. 21Het voedsel toonde uw mildheid jegens uw kinderen. Het voegde zich naar de wensen van de gebruiker en veranderde in wat men maar wilde. 22Al leek het op sneeuw en ijs, het was bestand tegen vuur en smolt niet. Dat moest hun duidelijk maken dat de oogst van hun vijanden verteerd was door vuur dat zelfs in hagelbuien opvlamde en bliksemstralen schoot in slagregens, 23maar dat ook zijn kracht minderde om de rechtvaardigen te voeden.

24

16:24
Wijsh. 5:17
19:6
De schepping staat in dienst van u, die haar gemaakt hebt. Zij gebruikt haar krachten om de onrechtvaardigen te straffen, maar wendt ze ook aan ten bate van ieder die op u vertrouwt. 25
16:25
Ps. 104:27-28
136:25
145:16
Daarom heeft ze zich destijds dienstbaar gemaakt aan het overvloedige voedsel dat u gaf, door het te veranderen naar de behoefte van ieder die erom vroeg. 26
16:26
Deut. 8:3
Zo moesten uw kinderen, Heer, die u liefhad, inzien dat een mens niet gevoed wordt door allerlei soorten gewassen, maar dat het uw woord is dat ieder in leven houdt die op u vertrouwt. 27
16:27
Ex. 16:21
Het voedsel dat zelfs tegen vuur bestand was, verdween eenvoudigweg door de warmte van het eerste zonlicht. 28
16:28
Ps. 5:4
Sir. 39:5
Daaruit moeten wij leren om u vóór zonsopgang te danken, en u aan te roepen voor het morgenlicht aanbreekt. 29
16:29
Ps. 58:8
Maar de hoop van een ondankbaar mens zal smelten als winterse rijp, hij zal wegvloeien als verspild water.

17

Duisternis en licht: plaag voor Egypte, zegen voor Israël

171

17:1
Ps. 92:6-7
Rom. 11:33-34
Machtig is uw oordeel en nauwelijks te beschrijven. Wie zich niet liet onderrichten, moest wel verdwalen. 2
17:2
Ex. 10:21-23
Daar lagen die zondaars, die meenden dat ze een heilig volk konden onderdrukken, nu zelf geketend door de duisternis, gevangen in een lange nacht, opgesloten in hun huizen, verstoken van de eeuwige voorzienigheid. 3Zij hadden gedacht dat ze met hun verborgen zonden onopgemerkt zouden blijven onder de donkere sluier van de vergetelheid, maar nu waren ze in verwarring, hevig ontsteld en gekweld door angstvisioenen. 4Zelfs de plaatsen waar ze zich schuilhielden boden geen bescherming tegen de angst: rondom hen klonken schrikwekkende geluiden en verschenen sombere geesten met dreigende blikken. 5Geen vuur was krachtig genoeg om hun licht te geven, en ook de sterren slaagden er met hun schittering niet in die verschrikkelijke nacht te verlichten. 6Er verscheen hun alleen een angstaanjagende vlammenzee die vanzelf ontstond, maar nadat het verschijnsel voorbij was, leek in hun angst alles wat ze gezien hadden nog veel erger. 7
17:7
Ex. 7:11,22
8:3,14
9:11
Al hun toverkunst schoot hier tekort en de grootspraak over hun wijsheid werd smadelijk ontmaskerd. 8Zij die beweerd hadden dat ze zieke mensen konden verlossen van hun angst en verwarring, maakten zich belachelijk door zelf ziek te worden van angst. 9Ook als er geen enkele aanleiding was om bang te zijn, eenmaal opgeschrikt door het gerucht van een wild beest of het sissen van een slang 10vergingen ze van angst en durfden zelfs niet meer om zich heen te kijken, wat toch onvermijdelijk is. 11Slechtheid verraadt zich door lafheid en veroordeelt daarmee zichzelf. Onder invloed van het geweten vreest ze altijd het ergste. 12Angst is niets anders dan het opgeven van de hulp die het redelijk denken biedt. 13Hoe minder men van de rede verwacht, hoe zwaarder de onzekerheid over de oorzaak van de kwelling gaat drukken, meer nog dan de oorzaak zelf.

14In die machteloze nacht, opgekomen uit de schuilhoeken van het machteloze dodenrijk, sliepen zij allen eenzelfde slaap: 15nu eens opgejaagd door geestverschijningen, dan weer verlamd door diepe vertwijfeling, doordat een plotselinge, onverwachte angst hen overviel. 16Wie daaronder bezweek, waar dan ook, werd gevangen en belandde in een kerker zonder tralies. 17Of iemand nu boer of herder was, of arbeider die in verlatenheid moest zwoegen, wanneer hij gegrepen werd, moest hij dat onontkoombare lot ondergaan. 18Allen werden geboeid met die ene keten van duisternis. En of het nu het suizen van de wind was, of het melodieuze zingen van vogels in dicht struikgewas, of het ruisen van stromend water, 19

17:19
Lev. 26:36
het geweld van vallend gesteente, het geluid van dieren die onzichtbaar wegschoten, het gehuil van wilde beesten of een echo die weerklonk uit een kloof in de bergen, alles verlamde hen van schrik. 20De hele wereld baadde in helder licht en alles ging ongestoord zijn gang; 21alleen over hen spreidde zich een benauwende nacht uit, als voorbode van de duisternis die hun te wachten stond. Maar die benauwdheid kwam meer uit henzelf voort dan uit de duisternis.

18

181

18:1
Ex. 10:23
Voor uw heiligen echter was er licht in overvloed. De anderen, die alleen hun stemmen hoorden maar hen niet konden zien, prezen hen gelukkig omdat ze niet hoefden te lijden zoals zijzelf. 2En zij bedankten hen, omdat ze geen wraak namen voor het onrecht dat hun eerder was aangedaan, en vroegen hun zo goed te zijn om te vertrekken. 3
18:3
Ex. 13:21
Ps. 121:6
Wijsh. 10:17
Uw volk hebt u toen een vlammende zuil van vuur gegeven als gids op de onbekende weg, een zon die hen niet zou steken op hun roemruchte tocht. 4
18:4
Wijsh. 11:16
Maar die anderen verdienden het om van het licht beroofd en in duisternis opgesloten te worden. Zij hadden immers uw kinderen de vrijheid ontnomen en hen opgesloten, uw volk, dat het onvergankelijke licht van de wet over de wereld zou verspreiden.

Dood: plaag voor Egypte, maar Israël wordt gered

5

18:5
Ex. 1:22-2:10
12:29
14:23-28
U hebt hun die besloten hadden de kinderen van de heiligen te doden – ook al werd één kind, dat te vondeling was gelegd, gered – voor straf al hun kinderen ontnomen. Bovendien hebt u henzelf in het kolkende water doen omkomen. 6
18:6
Ex. 11:4-7
Deze nacht was onze voorouders van tevoren aangekondigd, opdat ze moed zouden putten uit de vervulling van de beloften waarop ze vertrouwd hadden. 7Uw volk verwachtte de redding van de rechtvaardigen en de ondergang van hun vijanden. 8En wat u bij de tegenstanders gebruikte als straf, hebt u ons, die door u geroepen zijn, als genade toebedeeld. 9De vrome dienaren van het goede volk brachten hun offers in het verborgene. Eensgezind namen de heiligen het goddelijke gebod in acht dat zij moeten delen in elkaars voor- en tegenspoed. Zo konden zij al van tevoren de lofliederen van onze voorouders aanheffen. 10
18:10
Ex. 12:30
Daartegenin klonk bij hun vijanden gruwelijk geschreeuw en verbreidde zich de weeklacht om hun betreurde kinderen. 11Slaaf en meester ondergingen dezelfde straf, de gewone man trof hetzelfde leed als de koning. 12
18:12
Num. 33:4
Ontelbare mensen stierven, en hun doodsoorzaak was een en dezelfde. Er waren zelfs te weinig mensen om alle doden te begraven, omdat hun kostbaarste nakomelingen in één klap waren weggevaagd. 13
18:13
Ex. 4:22-23
Deut. 1:31
Hos. 11:1
Zij hadden altijd alleen op hun toverij vertrouwd, maar nu ze hun eerstgeborenen hadden verloren, erkenden zij dat dit volk Gods zoon was.

14Toen de nacht de helft van zijn weg had afgelegd en alles in diepe rust verzonken was, 15

18:15
Ex. 12:29
Op. 19:11-13
sprong uw almachtige woord vanaf de troon in de hemel midden in het vervloekte land, als een meedogenloze krijgsheld, 16
18:16
Op. 19:15
met het scherpe zwaard van uw ondubbelzinnige opdracht. Het stelde zich op, de voeten op aarde en de kruin tegen de hemel, en zaaide alom dood en verderf. 17
18:17
Job 4:13-15
Toen opeens werden zij opgeschrikt door vreselijke droomgezichten en overvallen door onverwachte angsten. 18Ze stortten halfdood neer, de een hier, de ander daar, in het volle besef van wat hun dood veroorzaakte; 19de dromen die hun zo’n angst hadden aangejaagd, hadden hun dit geopenbaard, zodat ze niet zouden omkomen zonder de oorzaak van hun ellende te kennen.

20

18:20-23
Num. 17:1-15
18:20
1 Kor. 10:8
Maar ook de rechtvaardigen kwamen met de dood in aanraking: in de woestijn werd een grote slachting onder hen aangericht. De goddelijke toorn hield echter niet lang aan, 21
18:21
Ex. 32:11-13
want een onberispelijk man had zich dadelijk opgeworpen als hun verdediger, met het schild van zijn dienst: gebed en reukoffer ter verzoening. Hij weerstond de toorn en maakte een einde aan de rampspoed, en daarmee bewees hij een dienaar van u te zijn. 22Niet met lichamelijke kracht overwon hij de woede en ook niet met wapengeweld; hij onderwierp de wreker met een goddelijk woord, door zich op de beloften aan de voorouders te beroepen en op de verbonden die met hen gesloten waren. 23Toen de lijken zich ophoopten sloeg hij de aanval af door tussen de doden en de levenden te gaan staan en de doorgang te versperren. 24
18:24
Ex. 28:1-40
Op zijn lange gewaad stond de hele wereld, in vier rijen edelstenen waren de grootse namen van de voorouders gegraveerd, en uw grootheid stond geschreven op zijn diadeem. 25Daarvoor deinsde de kwade macht terug, dit alles maakte hem bang. De toorn bleef beperkt, het was afdoende.