Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

151

15:1
Ex. 34:6
Maar u, onze God, bent goed en trouw en geduldig. U bestuurt alles met barmhartigheid. 2Ook wanneer wij zondigen zijn we van u, omdat wij weet hebben van uw macht. Maar wij zondigen niet, omdat we beseffen dat wij u toebehoren. 3
15:3
Wijsh. 1:15
2:23
Joh. 17:3
U te kennen is de volkomen rechtvaardigheid; weet te hebben van uw macht is de wortel van de onsterfelijkheid. 4
15:4
Wijsh. 13:14
Wij hebben ons niet laten misleiden door een boosaardig bedenksel van mensen of door een bont beschilderd beeld, het zinloze werk van een schilder. 5Alleen dwazen verkijken zich op die schone schijn en worden door de zielloze gestalte van een dood beeld aangetrokken. 6
15:6
Wijsh. 13:10
Zulke valse hoop past bij mensen die het kwaad liefhebben; dat geldt voor wie zo’n beeld maakt, voor wie het bewondert en voor wie het vereert.

7

15:7-13
Wijsh. 13:10-19
15:7
Rom. 9:21
Een pottenbakker, die de weke klei met zorg kneedt, vormt elk voorwerp dat we nodig hebben. Uit dezelfde klei vormt hij zonder onderscheid zowel vaatwerk voor reine als voor andere doeleinden. Welk ding waarvoor gebruikt wordt, bepaalt de kleibewerker. 8
15:8
Gen. 3:19
Met misplaatste ijver vormt hij uit dezelfde klei ook nog een armzalige god – en dat doet een man die zelf onlangs uit aarde is gevormd en die weldra terugkeert tot datgene waaruit hij genomen is, wanneer de ziel die hij te leen heeft gekregen van hem wordt teruggevorderd. 9Maar zijn zorg is niet dat zijn krachten hem zullen begeven of dat hij maar kort te leven heeft, nee, hij moet wedijveren met goud- en zilversmeden, hij bootst de bronsgieters na, hij legt zich toe op het maken van vervalsingen. 10
15:10
Jes. 44:20
Zijn hart is als stof, zijn hoop is goedkoper dan leem en zijn leven waardelozer dan klei 11
15:11
Deut. 32:15
omdat hij onbekend is met degene die hem gevormd heeft, die hem met een levende ziel heeft bezield en hem de levensgeest heeft ingeblazen. 12Hij denkt dat het leven een spel is en het hele bestaan een kermis. Zijn stelregel is: sla overal munt uit, ook uit het kwaad. 13Hij weet zelf beter dan ieder ander dat hij zondigt wanneer hij uit het stof van de aarde naast breekbare voorwerpen ook afgodsbeelden maakt.

14Maar de grootste dwazen ooit, het meest infantiel, waren de vijanden en onderdrukkers van uw volk. 15

15:15
Ps. 115:5-7
Wijsh. 13:18
Zij zagen zelfs alle beelden van de andere volken voor goden aan, ook al konden die met hun ogen niets zien, met hun neus geen lucht inademen, met hun oren niet horen, met hun vingers niet voelen, en met hun voeten geen stap verzetten. 16
15:16
Ps. 104:29-30
Ze zijn immers door een mens gemaakt, gevormd door iemand die zelf zijn geest te leen heeft. Geen mens kan een god vormen die hem gelijk is: 17zelf is hij sterfelijk en wat uit zijn goddeloze handen komt is dood. Hij is dus meer dan zijn voorwerpen van verering, want hij leeft tenminste, en dat zullen zij nooit doen.

18

15:18
Wijsh. 11:15
Verder vereerden zij de afschuwelijkste beesten, die nog stompzinniger waren dan andere dieren 19en niet eens mooi om te zien, terwijl dieren meestal nog wel iets aantrekkelijks hebben. Toen God zijn werk goedkeurde en zegende, zijn ze zeker overgeslagen.

16

Dieren: plaag voor Egypte, zegen voor Israël

161

16:1
Wijsh. 11:16
12:23,27
Daarom kregen de vijanden van uw volk een passende straf, met soortgelijke dieren, en werden ze getroffen door een grote plaag van ongedierte. 2
16:2
Ex. 16:9-13
Num. 11:10-32
Terwijl u hen strafte, hebt u uw volk welgedaan: u gaf het kwartels te eten, een nieuw soort voedsel om de knagende honger mee te stillen. 3En hoewel die anderen honger leden, benam de aanblik van de wanstaltige beesten die op hen waren afgestuurd hun elke eetlust. Uw volk echter leed slechts korte tijd gebrek, en kon daarna zelfs over buitengewoon voedsel beschikken. 4
16:4
Wijsh. 11:8-9
Bij de onderdrukkers moest de honger onontkoombaar zijn, terwijl uw volk alleen getoond moest worden hoe erg zijn vijanden leden.

Slangen en insecten: plaag voor Egypte, maar Israël wordt gered

5

16:5-7
Num. 21:4-9
Ook toen uw volk door een verschrikkelijke plaag getroffen werd en er mensen stierven aan de beten van kronkelende slangen, rustte uw toorn niet tot het bittere einde op hen. 6De ellende waaraan zij korte tijd ten prooi waren, was als waarschuwing bedoeld. Om hen te herinneren aan wat uw wet gebiedt, kregen zij een teken van redding. 7
16:7
Joh. 3:14-17
Wie zijn blik daarop richtte, werd gered – niet door wat hij zag, maar door u, de redder van alle mensen. 8Zo maakte u onze vijanden duidelijk dat u het bent die van al het kwaad verlost. 9
16:9
Ex. 8:16-20
10:12-15
Zij werden immers gedood door de beten van sprinkhanen en vliegen, geen geneesmiddel kon hun leven redden; zij verdienden het op die manier gestraft te worden. 10Maar uw kinderen kwamen zelfs beten van gifslangen te boven, omdat u hun in uw barmhartigheid te hulp schoot en hen genas. 11Zo werden ze ertoe aangespoord om zich uw woorden te herinneren. Hun voorspoedige redding moest voorkomen dat ze door alles te vergeten ongevoelig zouden zijn voor de weldaden die u hun bewees. 12
16:12
Ps. 107:20
Jes. 55:11
Ze zijn niet genezen met kruiden of zwachtels: uw woord is het, Heer, dat alles geneest. 13
16:13
Deut. 32:39
1 Sam. 2:6
U hebt macht over leven en dood, u laat mensen afdalen naar de poorten van het dodenrijk en u laat hen terugkeren. 14Een mens kan in zijn slechtheid wel doden, maar de geest die is heengegaan kan hij niet laten terugkeren, en de ziel die in het dodenrijk is beland kan hij niet verlossen.

Hemelvuur voor Egypte, hemelbrood voor Israël

15Het is onmogelijk om aan uw hand te ontkomen. 16

16:16
Ex. 9:23-25
Ps. 78:47-49
De goddelozen die weigerden u te erkennen, werden gegeseld door uw krachtige arm. Ze werden achtervolgd door ongekende slagregens, hagelstormen en onontkoombare donderbuien, en verteerd door vuur uit de hemel. 17
16:17
Wijsh. 5:20
En het wonderlijkste van alles: in het water dat alles blust kreeg het vuur nog meer kracht. Want de natuur kiest de kant van de rechtvaardige. 18Nu eens werden de vlammen getemperd om de beesten die op de goddelozen waren afgestuurd niet te verbranden, opdat zij zouden inzien dat ze door Gods oordeel belaagd werden. 19Dan weer laaide het vuur midden in het water ongewoon hoog op, om alles wat het zondige land had voortgebracht te vernietigen.

20

16:20
Ex. 16:13-15
Ps. 78:25
105:40
Uw volk daarentegen hebt u gevoed met engelenspijs. Zonder enige moeite verschafte u hun vanuit de hemel brood dat al bereid was, waarin alle heerlijkheden verenigd waren en dat aan ieders smaak voldeed. 21Het voedsel toonde uw mildheid jegens uw kinderen. Het voegde zich naar de wensen van de gebruiker en veranderde in wat men maar wilde. 22Al leek het op sneeuw en ijs, het was bestand tegen vuur en smolt niet. Dat moest hun duidelijk maken dat de oogst van hun vijanden verteerd was door vuur dat zelfs in hagelbuien opvlamde en bliksemstralen schoot in slagregens, 23maar dat ook zijn kracht minderde om de rechtvaardigen te voeden.

24

16:24
Wijsh. 5:17
19:6
De schepping staat in dienst van u, die haar gemaakt hebt. Zij gebruikt haar krachten om de onrechtvaardigen te straffen, maar wendt ze ook aan ten bate van ieder die op u vertrouwt. 25
16:25
Ps. 104:27-28
136:25
145:16
Daarom heeft ze zich destijds dienstbaar gemaakt aan het overvloedige voedsel dat u gaf, door het te veranderen naar de behoefte van ieder die erom vroeg. 26
16:26
Deut. 8:3
Zo moesten uw kinderen, Heer, die u liefhad, inzien dat een mens niet gevoed wordt door allerlei soorten gewassen, maar dat het uw woord is dat ieder in leven houdt die op u vertrouwt. 27
16:27
Ex. 16:21
Het voedsel dat zelfs tegen vuur bestand was, verdween eenvoudigweg door de warmte van het eerste zonlicht. 28
16:28
Ps. 5:4
Sir. 39:5
Daaruit moeten wij leren om u vóór zonsopgang te danken, en u aan te roepen voor het morgenlicht aanbreekt. 29
16:29
Ps. 58:8
Maar de hoop van een ondankbaar mens zal smelten als winterse rijp, hij zal wegvloeien als verspild water.

17

Duisternis en licht: plaag voor Egypte, zegen voor Israël

171

17:1
Ps. 92:6-7
Rom. 11:33-34
Machtig is uw oordeel en nauwelijks te beschrijven. Wie zich niet liet onderrichten, moest wel verdwalen. 2
17:2
Ex. 10:21-23
Daar lagen die zondaars, die meenden dat ze een heilig volk konden onderdrukken, nu zelf geketend door de duisternis, gevangen in een lange nacht, opgesloten in hun huizen, verstoken van de eeuwige voorzienigheid. 3Zij hadden gedacht dat ze met hun verborgen zonden onopgemerkt zouden blijven onder de donkere sluier van de vergetelheid, maar nu waren ze in verwarring, hevig ontsteld en gekweld door angstvisioenen. 4Zelfs de plaatsen waar ze zich schuilhielden boden geen bescherming tegen de angst: rondom hen klonken schrikwekkende geluiden en verschenen sombere geesten met dreigende blikken. 5Geen vuur was krachtig genoeg om hun licht te geven, en ook de sterren slaagden er met hun schittering niet in die verschrikkelijke nacht te verlichten. 6Er verscheen hun alleen een angstaanjagende vlammenzee die vanzelf ontstond, maar nadat het verschijnsel voorbij was, leek in hun angst alles wat ze gezien hadden nog veel erger. 7
17:7
Ex. 7:11,22
8:3,14
9:11
Al hun toverkunst schoot hier tekort en de grootspraak over hun wijsheid werd smadelijk ontmaskerd. 8Zij die beweerd hadden dat ze zieke mensen konden verlossen van hun angst en verwarring, maakten zich belachelijk door zelf ziek te worden van angst. 9Ook als er geen enkele aanleiding was om bang te zijn, eenmaal opgeschrikt door het gerucht van een wild beest of het sissen van een slang 10vergingen ze van angst en durfden zelfs niet meer om zich heen te kijken, wat toch onvermijdelijk is. 11Slechtheid verraadt zich door lafheid en veroordeelt daarmee zichzelf. Onder invloed van het geweten vreest ze altijd het ergste. 12Angst is niets anders dan het opgeven van de hulp die het redelijk denken biedt. 13Hoe minder men van de rede verwacht, hoe zwaarder de onzekerheid over de oorzaak van de kwelling gaat drukken, meer nog dan de oorzaak zelf.

14In die machteloze nacht, opgekomen uit de schuilhoeken van het machteloze dodenrijk, sliepen zij allen eenzelfde slaap: 15nu eens opgejaagd door geestverschijningen, dan weer verlamd door diepe vertwijfeling, doordat een plotselinge, onverwachte angst hen overviel. 16Wie daaronder bezweek, waar dan ook, werd gevangen en belandde in een kerker zonder tralies. 17Of iemand nu boer of herder was, of arbeider die in verlatenheid moest zwoegen, wanneer hij gegrepen werd, moest hij dat onontkoombare lot ondergaan. 18Allen werden geboeid met die ene keten van duisternis. En of het nu het suizen van de wind was, of het melodieuze zingen van vogels in dicht struikgewas, of het ruisen van stromend water, 19

17:19
Lev. 26:36
het geweld van vallend gesteente, het geluid van dieren die onzichtbaar wegschoten, het gehuil van wilde beesten of een echo die weerklonk uit een kloof in de bergen, alles verlamde hen van schrik. 20De hele wereld baadde in helder licht en alles ging ongestoord zijn gang; 21alleen over hen spreidde zich een benauwende nacht uit, als voorbode van de duisternis die hun te wachten stond. Maar die benauwdheid kwam meer uit henzelf voort dan uit de duisternis.