Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

141Of neem iemand die op reis gaat over zee en woeste golven moet bevaren. Hij roept een stuk hout aan dat gammeler is dan het schip dat hem draagt! 2Zijn schip is tenminste nog voortgekomen uit de behoefte om in het levensonderhoud te voorzien. De wijsheid is de maakster ervan 3

14:3
Ps. 77:20
Jes. 43:16
en uw voorzienigheid, Vader, is de loods. U baant het een weg door de zee, u geeft het een veilige route door de golven. 4U hebt laten zien dat u redt uit de nood, zodat ook onervaren mensen gerust aan boord kunnen gaan. 5
14:5
Ps. 107:29-30
U wilt niet dat wat de wijsheid voortbrengt, vruchteloos blijft. Daarom vertrouwen mensen hun leven toe aan simpel hout en kan een vlot hen redden wanneer ze door ruw water gaan. 6
14:6
Gen. 6:1-8:22
Sir. 16:7
Bar. 3:26-28
Zo is in het begin, terwijl de overmoedige giganten ten onder gingen, de hoop voor de wereld op een vlot ontkomen en heeft hij, door uw hand geleid, nieuw leven voor de toekomst veiliggesteld.

7

14:7
Gal. 3:13-14
Gezegend is het hout waardoor gerechtigheid geschiedt, 8
14:8
Deut. 27:15
maar vervloekt is het hout waarvan mensenhanden een beeld hebben gemaakt, evenals zijn maker – hij omdat hij het gemaakt heeft, en het vergankelijke voorwerp omdat het als afgod wordt vereerd. 9God heeft eenzelfde afkeer van de goddeloze als van diens goddeloosheid, 10en de dader wordt evenzeer bestraft als wat hij gemaakt heeft. 11
14:11
Ex. 23:33
Jes. 2:18-20
Jer. 10:11,15
Zach. 13:2
Daarom ook zullen de heidense afgodsbeelden het moeten ontgelden, omdat ze een gruwel zijn geworden in Gods schepping, een struikelblok voor de ziel, een valkuil op de weg van dwazen.

12

14:12
Ex. 34:16
Deut. 31:16
Rom. 1:23-24
Ontrouw begint met de gedachte aan afgodsbeelden, en de uitwerking daarvan eindigt in de ondergang van het leven. 13Afgoden hebben niet vanaf het begin bestaan en zullen er ook niet tot in eeuwigheid zijn. 14Ze zijn voortgekomen uit hersenschimmen van mensen en daarom is hun einde nabij. 15Een vader die moest rouwen om zijn te vroeg gestorven kind, maakte een beeld van hem. Hij begon zo een dode te vereren en stelde voor zijn dienaren geheime rituelen en inwijdingen in. 16Daarna heeft dat goddeloze gebruik in de loop der tijd kracht van wet gekregen. Ook op bevel van vorsten ging men beelden vereren. 17Onderdanen die hun vorsten niet in levenden lijve eer konden bewijzen doordat ze te ver weg woonden, maakten zich een eigen voorstelling van hen en hebben daarnaar een beeld gemaakt. Zo konden zij hun afwezige vorst toch gunstig stemmen door hem te vereren alsof hij er zelf was. 18Bij die verering raakten steeds meer mensen betrokken: ook zij die de vorst niet kenden, werden door de toewijding van de kunstenaar daartoe aangezet. 19Want hij had, waarschijnlijk in zijn wens om de heerser te behagen, diens beeltenis op kunstige wijze tot opperste schoonheid gevoerd. 20
14:20
Dan. 3:1-7
En de mensen hebben zich door de schoonheid van het kunstwerk laten verleiden tot het verafgoden van iemand die ze tot voor kort als mens eer hadden bewezen. 21Zo wordt in het leven voor de mensen een hinderlaag gelegd: onderworpen aan rampspoed of tirannie kennen ze hout en steen de naam toe die geen ander toekomt.

22Maar zo te dwalen in het kennen van God is hun nog niet genoeg: hun onwetendheid is de oorzaak van een verscheurd leven, en die ellende noemen ze vrede! 23

14:23
Wijsh. 12:5
Door hun inwijdingen met kinderoffers, hun geheime rituelen, hun buitensporige feestgelagen met bizarre gebruiken 24
14:24
Rom. 1:24-32
tonen zij hun minachting voor het leven en de zuiverheid van het huwelijk. Verraderlijk vermoordt de een de ander of hij krenkt hem door overspel te plegen. 25Het is een en al moord en doodslag, roof en bedrog, corruptie, verraad, oproer, meineed, 26zedenbederf, ondankbaarheid, verloedering, seksuele perversie, ontwrichting van huwelijken, overspel en losbandigheid. 27Zo is de verering van naamloze beelden begin, midden en eind van alle kwaad. 28De mensen geven zich over aan uitzinnige extase of orakelen leugens; ze leiden een onrechtvaardig leven of leggen zomaar een eed af. 29Omdat het levenloze beelden zijn waarop ze vertrouwen, verwachten ze van hun loze eden geen nadeel te ondervinden. 30Maar voor beide zaken zullen ze hun verdiende straf niet ontlopen: door zich tot afgoden te wenden hebben ze God tekortgedaan, en door lichtvaardig meineed te plegen hebben ze hun minachting getoond voor alles wat heilig is. 31Het is niet door de macht van degene die in de eed is genoemd dat de onrechtvaardige moet boeten voor zijn misdragingen – het is de straf die een zondaar verdient.

15

151

15:1
Ex. 34:6
Maar u, onze God, bent goed en trouw en geduldig. U bestuurt alles met barmhartigheid. 2Ook wanneer wij zondigen zijn we van u, omdat wij weet hebben van uw macht. Maar wij zondigen niet, omdat we beseffen dat wij u toebehoren. 3
15:3
Wijsh. 1:15
2:23
Joh. 17:3
U te kennen is de volkomen rechtvaardigheid; weet te hebben van uw macht is de wortel van de onsterfelijkheid. 4
15:4
Wijsh. 13:14
Wij hebben ons niet laten misleiden door een boosaardig bedenksel van mensen of door een bont beschilderd beeld, het zinloze werk van een schilder. 5Alleen dwazen verkijken zich op die schone schijn en worden door de zielloze gestalte van een dood beeld aangetrokken. 6
15:6
Wijsh. 13:10
Zulke valse hoop past bij mensen die het kwaad liefhebben; dat geldt voor wie zo’n beeld maakt, voor wie het bewondert en voor wie het vereert.

7

15:7-13
Wijsh. 13:10-19
15:7
Rom. 9:21
Een pottenbakker, die de weke klei met zorg kneedt, vormt elk voorwerp dat we nodig hebben. Uit dezelfde klei vormt hij zonder onderscheid zowel vaatwerk voor reine als voor andere doeleinden. Welk ding waarvoor gebruikt wordt, bepaalt de kleibewerker. 8
15:8
Gen. 3:19
Met misplaatste ijver vormt hij uit dezelfde klei ook nog een armzalige god – en dat doet een man die zelf onlangs uit aarde is gevormd en die weldra terugkeert tot datgene waaruit hij genomen is, wanneer de ziel die hij te leen heeft gekregen van hem wordt teruggevorderd. 9Maar zijn zorg is niet dat zijn krachten hem zullen begeven of dat hij maar kort te leven heeft, nee, hij moet wedijveren met goud- en zilversmeden, hij bootst de bronsgieters na, hij legt zich toe op het maken van vervalsingen. 10
15:10
Jes. 44:20
Zijn hart is als stof, zijn hoop is goedkoper dan leem en zijn leven waardelozer dan klei 11
15:11
Deut. 32:15
omdat hij onbekend is met degene die hem gevormd heeft, die hem met een levende ziel heeft bezield en hem de levensgeest heeft ingeblazen. 12Hij denkt dat het leven een spel is en het hele bestaan een kermis. Zijn stelregel is: sla overal munt uit, ook uit het kwaad. 13Hij weet zelf beter dan ieder ander dat hij zondigt wanneer hij uit het stof van de aarde naast breekbare voorwerpen ook afgodsbeelden maakt.

14Maar de grootste dwazen ooit, het meest infantiel, waren de vijanden en onderdrukkers van uw volk. 15

15:15
Ps. 115:5-7
Wijsh. 13:18
Zij zagen zelfs alle beelden van de andere volken voor goden aan, ook al konden die met hun ogen niets zien, met hun neus geen lucht inademen, met hun oren niet horen, met hun vingers niet voelen, en met hun voeten geen stap verzetten. 16
15:16
Ps. 104:29-30
Ze zijn immers door een mens gemaakt, gevormd door iemand die zelf zijn geest te leen heeft. Geen mens kan een god vormen die hem gelijk is: 17zelf is hij sterfelijk en wat uit zijn goddeloze handen komt is dood. Hij is dus meer dan zijn voorwerpen van verering, want hij leeft tenminste, en dat zullen zij nooit doen.

18

15:18
Wijsh. 11:15
Verder vereerden zij de afschuwelijkste beesten, die nog stompzinniger waren dan andere dieren 19en niet eens mooi om te zien, terwijl dieren meestal nog wel iets aantrekkelijks hebben. Toen God zijn werk goedkeurde en zegende, zijn ze zeker overgeslagen.

16

Dieren: plaag voor Egypte, zegen voor Israël

161

16:1
Wijsh. 11:16
12:23,27
Daarom kregen de vijanden van uw volk een passende straf, met soortgelijke dieren, en werden ze getroffen door een grote plaag van ongedierte. 2
16:2
Ex. 16:9-13
Num. 11:10-32
Terwijl u hen strafte, hebt u uw volk welgedaan: u gaf het kwartels te eten, een nieuw soort voedsel om de knagende honger mee te stillen. 3En hoewel die anderen honger leden, benam de aanblik van de wanstaltige beesten die op hen waren afgestuurd hun elke eetlust. Uw volk echter leed slechts korte tijd gebrek, en kon daarna zelfs over buitengewoon voedsel beschikken. 4
16:4
Wijsh. 11:8-9
Bij de onderdrukkers moest de honger onontkoombaar zijn, terwijl uw volk alleen getoond moest worden hoe erg zijn vijanden leden.

Slangen en insecten: plaag voor Egypte, maar Israël wordt gered

5

16:5-7
Num. 21:4-9
Ook toen uw volk door een verschrikkelijke plaag getroffen werd en er mensen stierven aan de beten van kronkelende slangen, rustte uw toorn niet tot het bittere einde op hen. 6De ellende waaraan zij korte tijd ten prooi waren, was als waarschuwing bedoeld. Om hen te herinneren aan wat uw wet gebiedt, kregen zij een teken van redding. 7
16:7
Joh. 3:14-17
Wie zijn blik daarop richtte, werd gered – niet door wat hij zag, maar door u, de redder van alle mensen. 8Zo maakte u onze vijanden duidelijk dat u het bent die van al het kwaad verlost. 9
16:9
Ex. 8:16-20
10:12-15
Zij werden immers gedood door de beten van sprinkhanen en vliegen, geen geneesmiddel kon hun leven redden; zij verdienden het op die manier gestraft te worden. 10Maar uw kinderen kwamen zelfs beten van gifslangen te boven, omdat u hun in uw barmhartigheid te hulp schoot en hen genas. 11Zo werden ze ertoe aangespoord om zich uw woorden te herinneren. Hun voorspoedige redding moest voorkomen dat ze door alles te vergeten ongevoelig zouden zijn voor de weldaden die u hun bewees. 12
16:12
Ps. 107:20
Jes. 55:11
Ze zijn niet genezen met kruiden of zwachtels: uw woord is het, Heer, dat alles geneest. 13
16:13
Deut. 32:39
1 Sam. 2:6
U hebt macht over leven en dood, u laat mensen afdalen naar de poorten van het dodenrijk en u laat hen terugkeren. 14Een mens kan in zijn slechtheid wel doden, maar de geest die is heengegaan kan hij niet laten terugkeren, en de ziel die in het dodenrijk is beland kan hij niet verlossen.

Hemelvuur voor Egypte, hemelbrood voor Israël

15Het is onmogelijk om aan uw hand te ontkomen. 16

16:16
Ex. 9:23-25
Ps. 78:47-49
De goddelozen die weigerden u te erkennen, werden gegeseld door uw krachtige arm. Ze werden achtervolgd door ongekende slagregens, hagelstormen en onontkoombare donderbuien, en verteerd door vuur uit de hemel. 17
16:17
Wijsh. 5:20
En het wonderlijkste van alles: in het water dat alles blust kreeg het vuur nog meer kracht. Want de natuur kiest de kant van de rechtvaardige. 18Nu eens werden de vlammen getemperd om de beesten die op de goddelozen waren afgestuurd niet te verbranden, opdat zij zouden inzien dat ze door Gods oordeel belaagd werden. 19Dan weer laaide het vuur midden in het water ongewoon hoog op, om alles wat het zondige land had voortgebracht te vernietigen.

20

16:20
Ex. 16:13-15
Ps. 78:25
105:40
Uw volk daarentegen hebt u gevoed met engelenspijs. Zonder enige moeite verschafte u hun vanuit de hemel brood dat al bereid was, waarin alle heerlijkheden verenigd waren en dat aan ieders smaak voldeed. 21Het voedsel toonde uw mildheid jegens uw kinderen. Het voegde zich naar de wensen van de gebruiker en veranderde in wat men maar wilde. 22Al leek het op sneeuw en ijs, het was bestand tegen vuur en smolt niet. Dat moest hun duidelijk maken dat de oogst van hun vijanden verteerd was door vuur dat zelfs in hagelbuien opvlamde en bliksemstralen schoot in slagregens, 23maar dat ook zijn kracht minderde om de rechtvaardigen te voeden.

24

16:24
Wijsh. 5:17
19:6
De schepping staat in dienst van u, die haar gemaakt hebt. Zij gebruikt haar krachten om de onrechtvaardigen te straffen, maar wendt ze ook aan ten bate van ieder die op u vertrouwt. 25
16:25
Ps. 104:27-28
136:25
145:16
Daarom heeft ze zich destijds dienstbaar gemaakt aan het overvloedige voedsel dat u gaf, door het te veranderen naar de behoefte van ieder die erom vroeg. 26
16:26
Deut. 8:3
Zo moesten uw kinderen, Heer, die u liefhad, inzien dat een mens niet gevoed wordt door allerlei soorten gewassen, maar dat het uw woord is dat ieder in leven houdt die op u vertrouwt. 27
16:27
Ex. 16:21
Het voedsel dat zelfs tegen vuur bestand was, verdween eenvoudigweg door de warmte van het eerste zonlicht. 28
16:28
Ps. 5:4
Sir. 39:5
Daaruit moeten wij leren om u vóór zonsopgang te danken, en u aan te roepen voor het morgenlicht aanbreekt. 29
16:29
Ps. 58:8
Maar de hoop van een ondankbaar mens zal smelten als winterse rijp, hij zal wegvloeien als verspild water.