Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

De dwaasheid van afgodendienst

131

13:1
Sir. 17:8
Rom. 1:19-20
Wie niet van God weet is een geboren dwaas. Zulke mensen zijn niet eens in staat om uit alle goede dingen die ze zien de Zijnde te kennen, of de maker te ontwaren in wat hij gemaakt heeft. 2
13:2
Deut. 4:19
17:3
Job 31:26-28
In plaats daarvan zien ze vuur of wind, of een windvlaag, een sterrenkring, onstuimig water of hemellichten aan voor goden die de wereld beheersen. 3Als zij, verrukt door hun schoonheid, deze dingen al tot goden verheffen, dan hadden ze toch moeten inzien hoezeer hij die over al die dingen heerst, ze te boven gaat. Alles is immers gemaakt door de schepper van de schoonheid. 4En als ze verbaasd staan over de kracht en de werking van die dingen, dan hadden ze daaruit toch moeten leren hoe groot de macht is van hem die ze gemaakt heeft. 5Uit de grootheid en de schoonheid van de schepping is immers af te leiden wie de schepper is. 6
13:6
Hand. 17:27
Toch moet over deze mensen niet al te hard geoordeeld worden, want misschien dwalen ze terwijl ze God zoeken en hem willen vinden. 7Ze zijn zo verdiept in het bestuderen van wat hij gemaakt heeft dat ze zich helemaal door het uiterlijk laten meeslepen, zo mooi is alles wat er te zien is. 8Desondanks zijn ze niet vrij te pleiten: 9als ze bij machte zijn om zo veel kennis op te doen dat ze de wereld kunnen doorvorsen, dan hadden ze hem die heerst over al die dingen toch allang moeten vinden?

10

13:10-19
Jes. 44:13-20
46:7
Jer. 10:3-5
Wijsh. 15:7-13
13:10
Deut. 4:28
2 Kon. 19:18
Jes. 40:18-20
Meelijwekkend zijn ook zij die hun hoop stellen in dode dingen en maaksels van mensenhanden tot god uitroepen, of het nu gouden of zilveren beelden zijn, afbeeldingen van levende wezens, of een nutteloos stenen voorwerp uit vroeger tijd.

11Neem bijvoorbeeld een timmerman die een geschikte boom heeft omgezaagd. Vakkundig verwijdert hij de hele schors, dan maakt hij er met al zijn vakmanschap een nuttig voorwerp van voor dagelijks gebruik. 12Het hout dat na dit werk overblijft gebruikt hij voor het koken van zijn eten, waaraan hij zich te goed doet. 13Uit het restant, waardeloos afval, neemt hij een krom stuk hout, een en al knoest, waarmee hij in zijn vrije tijd aan de slag gaat. Heel precies bewerkt hij het, in alle rust; hij geeft het vorm en maakt er een menselijke figuur van, 14of misschien iets dat lijkt op een of ander dier. Dan smeert hij het in met rode oker en maakt de hele buitenkant vuurrood; elk vlekje wordt erdoor bedekt. 15Hij maakt er een passende nis voor in de muur, en bevestigt het beeld met ijzers. 16

13:16-18
Br.Jer. 25-27
Zo wil hij voorkomen dat het omvalt, omdat hij beseft dat het niet in staat is zichzelf te helpen; het is immers een beeld, dat geholpen moet worden. 17
13:17
Jer. 2:27
Desondanks schrikt hij er niet voor terug tot dat levenloze ding te gaan bidden voor zijn bezit, zijn huwelijk en zijn kinderen. Hij roept iets zwaks aan voor zijn gezondheid, 18
13:18
Ps. 115:4-7
smeekt een dood ding om leven en vraagt het stompzinnigste om raad. Iets dat geen voet kan verzetten, vraagt hij om een voorspoedige reis, 19iets dat volslagen krachteloos is, om kracht, opdat hij middelen van bestaan, werk en voorspoed in zaken zal hebben.

14

141Of neem iemand die op reis gaat over zee en woeste golven moet bevaren. Hij roept een stuk hout aan dat gammeler is dan het schip dat hem draagt! 2Zijn schip is tenminste nog voortgekomen uit de behoefte om in het levensonderhoud te voorzien. De wijsheid is de maakster ervan 3

14:3
Ps. 77:20
Jes. 43:16
en uw voorzienigheid, Vader, is de loods. U baant het een weg door de zee, u geeft het een veilige route door de golven. 4U hebt laten zien dat u redt uit de nood, zodat ook onervaren mensen gerust aan boord kunnen gaan. 5
14:5
Ps. 107:29-30
U wilt niet dat wat de wijsheid voortbrengt, vruchteloos blijft. Daarom vertrouwen mensen hun leven toe aan simpel hout en kan een vlot hen redden wanneer ze door ruw water gaan. 6
14:6
Gen. 6:1-8:22
Sir. 16:7
Bar. 3:26-28
Zo is in het begin, terwijl de overmoedige giganten ten onder gingen, de hoop voor de wereld op een vlot ontkomen en heeft hij, door uw hand geleid, nieuw leven voor de toekomst veiliggesteld.

7

14:7
Gal. 3:13-14
Gezegend is het hout waardoor gerechtigheid geschiedt, 8
14:8
Deut. 27:15
maar vervloekt is het hout waarvan mensenhanden een beeld hebben gemaakt, evenals zijn maker – hij omdat hij het gemaakt heeft, en het vergankelijke voorwerp omdat het als afgod wordt vereerd. 9God heeft eenzelfde afkeer van de goddeloze als van diens goddeloosheid, 10en de dader wordt evenzeer bestraft als wat hij gemaakt heeft. 11
14:11
Ex. 23:33
Jes. 2:18-20
Jer. 10:11,15
Zach. 13:2
Daarom ook zullen de heidense afgodsbeelden het moeten ontgelden, omdat ze een gruwel zijn geworden in Gods schepping, een struikelblok voor de ziel, een valkuil op de weg van dwazen.

12

14:12
Ex. 34:16
Deut. 31:16
Rom. 1:23-24
Ontrouw begint met de gedachte aan afgodsbeelden, en de uitwerking daarvan eindigt in de ondergang van het leven. 13Afgoden hebben niet vanaf het begin bestaan en zullen er ook niet tot in eeuwigheid zijn. 14Ze zijn voortgekomen uit hersenschimmen van mensen en daarom is hun einde nabij. 15Een vader die moest rouwen om zijn te vroeg gestorven kind, maakte een beeld van hem. Hij begon zo een dode te vereren en stelde voor zijn dienaren geheime rituelen en inwijdingen in. 16Daarna heeft dat goddeloze gebruik in de loop der tijd kracht van wet gekregen. Ook op bevel van vorsten ging men beelden vereren. 17Onderdanen die hun vorsten niet in levenden lijve eer konden bewijzen doordat ze te ver weg woonden, maakten zich een eigen voorstelling van hen en hebben daarnaar een beeld gemaakt. Zo konden zij hun afwezige vorst toch gunstig stemmen door hem te vereren alsof hij er zelf was. 18Bij die verering raakten steeds meer mensen betrokken: ook zij die de vorst niet kenden, werden door de toewijding van de kunstenaar daartoe aangezet. 19Want hij had, waarschijnlijk in zijn wens om de heerser te behagen, diens beeltenis op kunstige wijze tot opperste schoonheid gevoerd. 20
14:20
Dan. 3:1-7
En de mensen hebben zich door de schoonheid van het kunstwerk laten verleiden tot het verafgoden van iemand die ze tot voor kort als mens eer hadden bewezen. 21Zo wordt in het leven voor de mensen een hinderlaag gelegd: onderworpen aan rampspoed of tirannie kennen ze hout en steen de naam toe die geen ander toekomt.

22Maar zo te dwalen in het kennen van God is hun nog niet genoeg: hun onwetendheid is de oorzaak van een verscheurd leven, en die ellende noemen ze vrede! 23

14:23
Wijsh. 12:5
Door hun inwijdingen met kinderoffers, hun geheime rituelen, hun buitensporige feestgelagen met bizarre gebruiken 24
14:24
Rom. 1:24-32
tonen zij hun minachting voor het leven en de zuiverheid van het huwelijk. Verraderlijk vermoordt de een de ander of hij krenkt hem door overspel te plegen. 25Het is een en al moord en doodslag, roof en bedrog, corruptie, verraad, oproer, meineed, 26zedenbederf, ondankbaarheid, verloedering, seksuele perversie, ontwrichting van huwelijken, overspel en losbandigheid. 27Zo is de verering van naamloze beelden begin, midden en eind van alle kwaad. 28De mensen geven zich over aan uitzinnige extase of orakelen leugens; ze leiden een onrechtvaardig leven of leggen zomaar een eed af. 29Omdat het levenloze beelden zijn waarop ze vertrouwen, verwachten ze van hun loze eden geen nadeel te ondervinden. 30Maar voor beide zaken zullen ze hun verdiende straf niet ontlopen: door zich tot afgoden te wenden hebben ze God tekortgedaan, en door lichtvaardig meineed te plegen hebben ze hun minachting getoond voor alles wat heilig is. 31Het is niet door de macht van degene die in de eed is genoemd dat de onrechtvaardige moet boeten voor zijn misdragingen – het is de straf die een zondaar verdient.

15

151

15:1
Ex. 34:6
Maar u, onze God, bent goed en trouw en geduldig. U bestuurt alles met barmhartigheid. 2Ook wanneer wij zondigen zijn we van u, omdat wij weet hebben van uw macht. Maar wij zondigen niet, omdat we beseffen dat wij u toebehoren. 3
15:3
Wijsh. 1:15
2:23
Joh. 17:3
U te kennen is de volkomen rechtvaardigheid; weet te hebben van uw macht is de wortel van de onsterfelijkheid. 4
15:4
Wijsh. 13:14
Wij hebben ons niet laten misleiden door een boosaardig bedenksel van mensen of door een bont beschilderd beeld, het zinloze werk van een schilder. 5Alleen dwazen verkijken zich op die schone schijn en worden door de zielloze gestalte van een dood beeld aangetrokken. 6
15:6
Wijsh. 13:10
Zulke valse hoop past bij mensen die het kwaad liefhebben; dat geldt voor wie zo’n beeld maakt, voor wie het bewondert en voor wie het vereert.

7

15:7-13
Wijsh. 13:10-19
15:7
Rom. 9:21
Een pottenbakker, die de weke klei met zorg kneedt, vormt elk voorwerp dat we nodig hebben. Uit dezelfde klei vormt hij zonder onderscheid zowel vaatwerk voor reine als voor andere doeleinden. Welk ding waarvoor gebruikt wordt, bepaalt de kleibewerker. 8
15:8
Gen. 3:19
Met misplaatste ijver vormt hij uit dezelfde klei ook nog een armzalige god – en dat doet een man die zelf onlangs uit aarde is gevormd en die weldra terugkeert tot datgene waaruit hij genomen is, wanneer de ziel die hij te leen heeft gekregen van hem wordt teruggevorderd. 9Maar zijn zorg is niet dat zijn krachten hem zullen begeven of dat hij maar kort te leven heeft, nee, hij moet wedijveren met goud- en zilversmeden, hij bootst de bronsgieters na, hij legt zich toe op het maken van vervalsingen. 10
15:10
Jes. 44:20
Zijn hart is als stof, zijn hoop is goedkoper dan leem en zijn leven waardelozer dan klei 11
15:11
Deut. 32:15
omdat hij onbekend is met degene die hem gevormd heeft, die hem met een levende ziel heeft bezield en hem de levensgeest heeft ingeblazen. 12Hij denkt dat het leven een spel is en het hele bestaan een kermis. Zijn stelregel is: sla overal munt uit, ook uit het kwaad. 13Hij weet zelf beter dan ieder ander dat hij zondigt wanneer hij uit het stof van de aarde naast breekbare voorwerpen ook afgodsbeelden maakt.

14Maar de grootste dwazen ooit, het meest infantiel, waren de vijanden en onderdrukkers van uw volk. 15

15:15
Ps. 115:5-7
Wijsh. 13:18
Zij zagen zelfs alle beelden van de andere volken voor goden aan, ook al konden die met hun ogen niets zien, met hun neus geen lucht inademen, met hun oren niet horen, met hun vingers niet voelen, en met hun voeten geen stap verzetten. 16
15:16
Ps. 104:29-30
Ze zijn immers door een mens gemaakt, gevormd door iemand die zelf zijn geest te leen heeft. Geen mens kan een god vormen die hem gelijk is: 17zelf is hij sterfelijk en wat uit zijn goddeloze handen komt is dood. Hij is dus meer dan zijn voorwerpen van verering, want hij leeft tenminste, en dat zullen zij nooit doen.

18

15:18
Wijsh. 11:15
Verder vereerden zij de afschuwelijkste beesten, die nog stompzinniger waren dan andere dieren 19en niet eens mooi om te zien, terwijl dieren meestal nog wel iets aantrekkelijks hebben. Toen God zijn werk goedkeurde en zegende, zijn ze zeker overgeslagen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]