Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
12

121

12:1
Gen. 2:7
in alles woont uw onvergankelijke geest. 2Daarom legt u aan hen die dwalen een beperkte straf op. U wijst hen terecht door hen te herinneren aan hun zonden, zodat ze, bevrijd van het kwaad, op u gaan vertrouwen, Heer.

3Ook de vroegere bewoners van uw heilige land 4

12:4-6
Deut. 18:10-11
12:4
Deut. 12:31
hebt u gehaat om hun gruwelijke praktijken, hun toverij en goddeloze rituelen. 5Daarom wilde u die wrede kindermoordenaars, mensen die ingewanden aten bij hun maaltijden van mensenvlees en bloed, ingewijden bij orgieën, 6ouders die hun hulpeloze kinderen slachtten, door onze voorouders laten ombrengen, 7
12:7
Deut. 11:12
zodat Gods kinderen op waardige wijze het land konden bewonen dat u zo dierbaar was. 8
12:8
Ex. 23:28
Maar zelfs die vroegere bewoners hebt u gespaard, omdat het mensen waren. U hebt horzels op hen afgestuurd als voorboden van uw leger, om hun ondergang geleidelijk aan te bewerkstelligen. 9
12:9
Wijsh. 11:17-19
Dat was niet uit onmacht: u had de goddelozen in een veldslag kunnen uitleveren aan de rechtvaardigen, hen aan angstaanjagende beesten kunnen overlaten, of hen met een enkel woord kunnen wegvagen. 10
12:10
Wijsh. 11:23
Rom. 2:4
Maar door de straf geleidelijk aan te voltrekken hebt u hun de kans gegeven om tot inkeer te komen, hoewel u wist dat het een verdorven geslacht was, dat het kwaad hun was aangeboren en dat hun denken nooit ofte nimmer zou veranderen. 11
12:11
Gen. 9:25
Wijsh. 3:12
Want dat volk was van meet af aan vervloekt.

Het was evenmin uit angst dat u hun zonden ongestraft liet. 12

12:12
Job 9:12,19
Rom. 9:19-23
Want wie zou u rekenschap kunnen vragen van uw daden? Wie kan uw vonnis aanvechten? Wie klaagt u aan als u volken vernietigt die u zelf hebt gemaakt? Wie pleit bij u voor verdorven mensen? 13
12:13
Deut. 32:39
Job 34:13
Buiten u is er geen god; u draagt zorg voor alle mensen. Tegenover wie zou u moeten verklaren dat u geen onrechtvaardig vonnis velt? 14Er is geen koning of machthebber die u kan trotseren wanneer u mensen straft. 15
12:15
Gen. 18:25
U bent rechtvaardig en u regeert rechtvaardig over alles. U acht het onverenigbaar met uw macht om iemand te bestraffen die geen straf verdient. 16
12:16
Ps. 145:9
Uw macht is de bron van uw rechtvaardigheid, en omdat u over alle mensen heerst, kunt u ook iedereen sparen. 17U toont uw macht wanneer de volkomenheid ervan in twijfel wordt getrokken; wie uw macht kent en u toch uitdaagt, wordt daarvoor gestraft. 18
12:18
Ps. 115:3
135:6
Omdat u heer en meester bent kunt u uw macht uitoefenen wanneer u dat wilt. Toch oordeelt u zachtmoedig en regeert u ons op milde wijze.

19

12:19
Wijsh. 11:23
Door zo te handelen hebt u uw volk geleerd dat rechtvaardigen menslievend moeten zijn; u geeft uw kinderen de hoop dat zondaars tot inkeer kunnen komen. 20Want als u degenen die uw kinderen vijandig bejegenen en die de dood verdienen al zo zorgvuldig en behoedzaam gestraft hebt, door hun de kans en de tijd te gunnen om zich van het kwaad te bevrijden, 21
12:21
Gen. 12:7
hoe groot was dan niet uw zorg toen u een oordeel velde over uw kinderen? Met hun voorouders had u immers verbonden gesloten, waarin u hun onder ede alle goeds had beloofd. 22
12:22
Wijsh. 11:10
Mat. 5:7
Terwijl u ons tuchtigt, geselt u onze vijanden in tienduizendvoud, opdat wij aan uw genade denken wanneer wij een oordeel vellen, en wanneer er een oordeel over ons wordt uitgesproken, barmhartigheid verwachten.

23

12:23
Wijsh. 11:16
Daarom hebt u ook degenen die een dwaas en onrechtvaardig leven leidden met hun eigen gruwelijkheden gekweld. 24
12:24
Wijsh. 11:15
Zij waren ver voorbij de bekende dwaalwegen toen ze de verachtelijkste dieren als goden gingen vereren. Ze hebben zich laten beetnemen als onnozele kinderen; 25daarom hebt u hun, als aan kinderen zonder verstand, een straf opgelegd die hen belachelijk maakte. 26Maar wie zich zelfs door zulke bespotting niet laat terechtwijzen, moet Gods rechtvaardig oordeel ondergaan. 27Gekweld door de wezens waarvan ze te lijden hadden, gestraft juist door wat ze voor goden aanzagen, zijn ze tot het inzicht en de erkenning gekomen dat hij, die ze eerder niet wilden kennen, God is. Met dat doel heeft deze vreselijke straf hen getroffen.

13

De dwaasheid van afgodendienst

131

13:1
Sir. 17:8
Rom. 1:19-20
Wie niet van God weet is een geboren dwaas. Zulke mensen zijn niet eens in staat om uit alle goede dingen die ze zien de Zijnde te kennen, of de maker te ontwaren in wat hij gemaakt heeft. 2
13:2
Deut. 4:19
17:3
Job 31:26-28
In plaats daarvan zien ze vuur of wind, of een windvlaag, een sterrenkring, onstuimig water of hemellichten aan voor goden die de wereld beheersen. 3Als zij, verrukt door hun schoonheid, deze dingen al tot goden verheffen, dan hadden ze toch moeten inzien hoezeer hij die over al die dingen heerst, ze te boven gaat. Alles is immers gemaakt door de schepper van de schoonheid. 4En als ze verbaasd staan over de kracht en de werking van die dingen, dan hadden ze daaruit toch moeten leren hoe groot de macht is van hem die ze gemaakt heeft. 5Uit de grootheid en de schoonheid van de schepping is immers af te leiden wie de schepper is. 6
13:6
Hand. 17:27
Toch moet over deze mensen niet al te hard geoordeeld worden, want misschien dwalen ze terwijl ze God zoeken en hem willen vinden. 7Ze zijn zo verdiept in het bestuderen van wat hij gemaakt heeft dat ze zich helemaal door het uiterlijk laten meeslepen, zo mooi is alles wat er te zien is. 8Desondanks zijn ze niet vrij te pleiten: 9als ze bij machte zijn om zo veel kennis op te doen dat ze de wereld kunnen doorvorsen, dan hadden ze hem die heerst over al die dingen toch allang moeten vinden?

10

13:10-19
Jes. 44:13-20
46:7
Jer. 10:3-5
Wijsh. 15:7-13
13:10
Deut. 4:28
2 Kon. 19:18
Jes. 40:18-20
Meelijwekkend zijn ook zij die hun hoop stellen in dode dingen en maaksels van mensenhanden tot god uitroepen, of het nu gouden of zilveren beelden zijn, afbeeldingen van levende wezens, of een nutteloos stenen voorwerp uit vroeger tijd.

11Neem bijvoorbeeld een timmerman die een geschikte boom heeft omgezaagd. Vakkundig verwijdert hij de hele schors, dan maakt hij er met al zijn vakmanschap een nuttig voorwerp van voor dagelijks gebruik. 12Het hout dat na dit werk overblijft gebruikt hij voor het koken van zijn eten, waaraan hij zich te goed doet. 13Uit het restant, waardeloos afval, neemt hij een krom stuk hout, een en al knoest, waarmee hij in zijn vrije tijd aan de slag gaat. Heel precies bewerkt hij het, in alle rust; hij geeft het vorm en maakt er een menselijke figuur van, 14of misschien iets dat lijkt op een of ander dier. Dan smeert hij het in met rode oker en maakt de hele buitenkant vuurrood; elk vlekje wordt erdoor bedekt. 15Hij maakt er een passende nis voor in de muur, en bevestigt het beeld met ijzers. 16

13:16-18
Br.Jer. 25-27
Zo wil hij voorkomen dat het omvalt, omdat hij beseft dat het niet in staat is zichzelf te helpen; het is immers een beeld, dat geholpen moet worden. 17
13:17
Jer. 2:27
Desondanks schrikt hij er niet voor terug tot dat levenloze ding te gaan bidden voor zijn bezit, zijn huwelijk en zijn kinderen. Hij roept iets zwaks aan voor zijn gezondheid, 18
13:18
Ps. 115:4-7
smeekt een dood ding om leven en vraagt het stompzinnigste om raad. Iets dat geen voet kan verzetten, vraagt hij om een voorspoedige reis, 19iets dat volslagen krachteloos is, om kracht, opdat hij middelen van bestaan, werk en voorspoed in zaken zal hebben.

14

141Of neem iemand die op reis gaat over zee en woeste golven moet bevaren. Hij roept een stuk hout aan dat gammeler is dan het schip dat hem draagt! 2Zijn schip is tenminste nog voortgekomen uit de behoefte om in het levensonderhoud te voorzien. De wijsheid is de maakster ervan 3

14:3
Ps. 77:20
Jes. 43:16
en uw voorzienigheid, Vader, is de loods. U baant het een weg door de zee, u geeft het een veilige route door de golven. 4U hebt laten zien dat u redt uit de nood, zodat ook onervaren mensen gerust aan boord kunnen gaan. 5
14:5
Ps. 107:29-30
U wilt niet dat wat de wijsheid voortbrengt, vruchteloos blijft. Daarom vertrouwen mensen hun leven toe aan simpel hout en kan een vlot hen redden wanneer ze door ruw water gaan. 6
14:6
Gen. 6:1-8:22
Sir. 16:7
Bar. 3:26-28
Zo is in het begin, terwijl de overmoedige giganten ten onder gingen, de hoop voor de wereld op een vlot ontkomen en heeft hij, door uw hand geleid, nieuw leven voor de toekomst veiliggesteld.

7

14:7
Gal. 3:13-14
Gezegend is het hout waardoor gerechtigheid geschiedt, 8
14:8
Deut. 27:15
maar vervloekt is het hout waarvan mensenhanden een beeld hebben gemaakt, evenals zijn maker – hij omdat hij het gemaakt heeft, en het vergankelijke voorwerp omdat het als afgod wordt vereerd. 9God heeft eenzelfde afkeer van de goddeloze als van diens goddeloosheid, 10en de dader wordt evenzeer bestraft als wat hij gemaakt heeft. 11
14:11
Ex. 23:33
Jes. 2:18-20
Jer. 10:11,15
Zach. 13:2
Daarom ook zullen de heidense afgodsbeelden het moeten ontgelden, omdat ze een gruwel zijn geworden in Gods schepping, een struikelblok voor de ziel, een valkuil op de weg van dwazen.

12

14:12
Ex. 34:16
Deut. 31:16
Rom. 1:23-24
Ontrouw begint met de gedachte aan afgodsbeelden, en de uitwerking daarvan eindigt in de ondergang van het leven. 13Afgoden hebben niet vanaf het begin bestaan en zullen er ook niet tot in eeuwigheid zijn. 14Ze zijn voortgekomen uit hersenschimmen van mensen en daarom is hun einde nabij. 15Een vader die moest rouwen om zijn te vroeg gestorven kind, maakte een beeld van hem. Hij begon zo een dode te vereren en stelde voor zijn dienaren geheime rituelen en inwijdingen in. 16Daarna heeft dat goddeloze gebruik in de loop der tijd kracht van wet gekregen. Ook op bevel van vorsten ging men beelden vereren. 17Onderdanen die hun vorsten niet in levenden lijve eer konden bewijzen doordat ze te ver weg woonden, maakten zich een eigen voorstelling van hen en hebben daarnaar een beeld gemaakt. Zo konden zij hun afwezige vorst toch gunstig stemmen door hem te vereren alsof hij er zelf was. 18Bij die verering raakten steeds meer mensen betrokken: ook zij die de vorst niet kenden, werden door de toewijding van de kunstenaar daartoe aangezet. 19Want hij had, waarschijnlijk in zijn wens om de heerser te behagen, diens beeltenis op kunstige wijze tot opperste schoonheid gevoerd. 20
14:20
Dan. 3:1-7
En de mensen hebben zich door de schoonheid van het kunstwerk laten verleiden tot het verafgoden van iemand die ze tot voor kort als mens eer hadden bewezen. 21Zo wordt in het leven voor de mensen een hinderlaag gelegd: onderworpen aan rampspoed of tirannie kennen ze hout en steen de naam toe die geen ander toekomt.

22Maar zo te dwalen in het kennen van God is hun nog niet genoeg: hun onwetendheid is de oorzaak van een verscheurd leven, en die ellende noemen ze vrede! 23

14:23
Wijsh. 12:5
Door hun inwijdingen met kinderoffers, hun geheime rituelen, hun buitensporige feestgelagen met bizarre gebruiken 24
14:24
Rom. 1:24-32
tonen zij hun minachting voor het leven en de zuiverheid van het huwelijk. Verraderlijk vermoordt de een de ander of hij krenkt hem door overspel te plegen. 25Het is een en al moord en doodslag, roof en bedrog, corruptie, verraad, oproer, meineed, 26zedenbederf, ondankbaarheid, verloedering, seksuele perversie, ontwrichting van huwelijken, overspel en losbandigheid. 27Zo is de verering van naamloze beelden begin, midden en eind van alle kwaad. 28De mensen geven zich over aan uitzinnige extase of orakelen leugens; ze leiden een onrechtvaardig leven of leggen zomaar een eed af. 29Omdat het levenloze beelden zijn waarop ze vertrouwen, verwachten ze van hun loze eden geen nadeel te ondervinden. 30Maar voor beide zaken zullen ze hun verdiende straf niet ontlopen: door zich tot afgoden te wenden hebben ze God tekortgedaan, en door lichtvaardig meineed te plegen hebben ze hun minachting getoond voor alles wat heilig is. 31Het is niet door de macht van degene die in de eed is genoemd dat de onrechtvaardige moet boeten voor zijn misdragingen – het is de straf die een zondaar verdient.