Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Water: zegen voor Israël, plaag voor Egypte

111

11:1
Deut. 18:15,18
Hos. 12:14
Alles wat zij ondernamen lukte door toedoen van een heilige profeet. 2Ze trokken door een onbewoonde woestijn en sloegen op onbetreden plaatsen hun tenten op. 3
11:3
Ex. 17:8-16
Num. 21:1-3
Ze boden weerstand aan hun vijanden en sloegen vijandelijke aanvallen af. 4
11:4
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
Toen ze dorst leden riepen ze u aan; ze kregen water uit een steenharde rots, hun dorst werd gelest uit ruwe steen. 5Wat diende om hun vijanden te bestraffen, was voor hen een weldaad toen ze in nood verkeerden. 6-7
11:6-7
Ex. 1:15-16
Terwijl bij die anderen, als straf voor de opdracht tot kindermoord, het altijd stromende water van de rivier door bloed besmet en vertroebeld werd, gaf u hun onverwacht water in overvloed. 8Door hen dorst te laten lijden liet u hun zien hoe u hun vijanden had gestraft. 9
11:9-10
Deut. 8:2-5
Wijsh. 12:22
Hebr. 12:6-7
Pas toen zij zelf op de proef werden gesteld, ook al was het met een milde straf, begrepen zij tot welke foltering het vonnis had geleid dat u in uw toorn over de goddelozen had geveld. 10Terwijl u hen als een vader terechtwees, had u over die anderen een hard vonnis uitgesproken, onverbiddelijk als een strenge vorst. 11Iedereen, ver weg of dichtbij, werd even zwaar getroffen. 12Een dubbel verdriet was hun deel, en de herinnering aan wat geweest was, deed hen diep zuchten. 13Want toen ze hoorden dat anderen voordeel hadden van hun straf, ontdekten ze daarin de hand van de Heer. 14
11:14
Ex. 2:3,14
Na alles wat er gebeurd was, moesten ze dus wel ontzag krijgen voor hem die destijds zomaar te vondeling was gelegd en die ze versmaad en verstoten hadden. Ze leden meer dorst dan de rechtvaardigen ooit hebben gekend.

Hoe God straft en waarom

15

11:15
Wijsh. 12:24-25
In hun onverstand en verdorvenheid dwaalden zij zozeer dat ze reptielen en ander ongedierte gingen vereren. U hebt hen voor straf onder zulke dieren bedolven, 16opdat ze zouden inzien: waardoor iemand zondigt, daardoor wordt hij gestraft. 17Het was geen onmacht van uw almachtige hand, die immers de wereld uit vormeloze materie heeft geschapen. U had een leger beren of grimmige leeuwen op hen kunnen afsturen, 18
11:18
Job 41:10-13
Op. 9:17
of nieuwgeschapen, ongekende beesten, woest en vuurspuwend, rookwolken blazend, met ogen die vreselijke vonken schieten, 19beesten die niet eens hoefden uit te halen om hen te doden, maar hen alleen al door hun verschrikkelijke aanblik te gronde zouden richten. 20
11:20
Job 4:9
28:25
Jes. 11:4
40:12
Sir. 1:9
Ook zonder dat alles hadden ze in één ogenblik kunnen bezwijken wanneer het recht hen zou vervolgen en uw machtige adem hen zou wegvagen. Maar u hebt van alles maat, getal en gewicht bepaald. 21
11:21
Jes. 40:26
U bent te allen tijde in staat uw macht te tonen; wie kan de kracht van uw arm weerstaan? 22
11:22
Jes. 40:15
Hos. 6:4
13:3
Heel de wereld is voor u als een stofje op een weegschaal, als een dauwdruppel die ’s ochtends op de aarde valt. 23
11:23
Wijsh. 12:10,19
Sir. 18:12
Rom. 2:4
3:25-26
Omdat u alles kunt, ontfermt u zich over iedereen; u ziet voorbij aan de zonden van mensen, opdat zij tot inkeer komen. 24
11:24
Gen. 1:31
Ps. 145:9
Alles wat er is hebt u lief, niets van wat u gemaakt hebt is u te min; u zou het niet eens gemaakt hebben als u er een afkeer van had. 25Hoe zou iets tegen uw wil kunnen blijven bestaan? Hoe zou iets kunnen voortbestaan als u het niet in het leven had geroepen? 26
11:26
Ezech. 18:23
33:11
U, Heer, hebt het leven lief en u spaart alles, omdat het van u is;

12

121

12:1
Gen. 2:7
in alles woont uw onvergankelijke geest. 2Daarom legt u aan hen die dwalen een beperkte straf op. U wijst hen terecht door hen te herinneren aan hun zonden, zodat ze, bevrijd van het kwaad, op u gaan vertrouwen, Heer.

3Ook de vroegere bewoners van uw heilige land 4

12:4-6
Deut. 18:10-11
12:4
Deut. 12:31
hebt u gehaat om hun gruwelijke praktijken, hun toverij en goddeloze rituelen. 5Daarom wilde u die wrede kindermoordenaars, mensen die ingewanden aten bij hun maaltijden van mensenvlees en bloed, ingewijden bij orgieën, 6ouders die hun hulpeloze kinderen slachtten, door onze voorouders laten ombrengen, 7
12:7
Deut. 11:12
zodat Gods kinderen op waardige wijze het land konden bewonen dat u zo dierbaar was. 8
12:8
Ex. 23:28
Maar zelfs die vroegere bewoners hebt u gespaard, omdat het mensen waren. U hebt horzels op hen afgestuurd als voorboden van uw leger, om hun ondergang geleidelijk aan te bewerkstelligen. 9
12:9
Wijsh. 11:17-19
Dat was niet uit onmacht: u had de goddelozen in een veldslag kunnen uitleveren aan de rechtvaardigen, hen aan angstaanjagende beesten kunnen overlaten, of hen met een enkel woord kunnen wegvagen. 10
12:10
Wijsh. 11:23
Rom. 2:4
Maar door de straf geleidelijk aan te voltrekken hebt u hun de kans gegeven om tot inkeer te komen, hoewel u wist dat het een verdorven geslacht was, dat het kwaad hun was aangeboren en dat hun denken nooit ofte nimmer zou veranderen. 11
12:11
Gen. 9:25
Wijsh. 3:12
Want dat volk was van meet af aan vervloekt.

Het was evenmin uit angst dat u hun zonden ongestraft liet. 12

12:12
Job 9:12,19
Rom. 9:19-23
Want wie zou u rekenschap kunnen vragen van uw daden? Wie kan uw vonnis aanvechten? Wie klaagt u aan als u volken vernietigt die u zelf hebt gemaakt? Wie pleit bij u voor verdorven mensen? 13
12:13
Deut. 32:39
Job 34:13
Buiten u is er geen god; u draagt zorg voor alle mensen. Tegenover wie zou u moeten verklaren dat u geen onrechtvaardig vonnis velt? 14Er is geen koning of machthebber die u kan trotseren wanneer u mensen straft. 15
12:15
Gen. 18:25
U bent rechtvaardig en u regeert rechtvaardig over alles. U acht het onverenigbaar met uw macht om iemand te bestraffen die geen straf verdient. 16
12:16
Ps. 145:9
Uw macht is de bron van uw rechtvaardigheid, en omdat u over alle mensen heerst, kunt u ook iedereen sparen. 17U toont uw macht wanneer de volkomenheid ervan in twijfel wordt getrokken; wie uw macht kent en u toch uitdaagt, wordt daarvoor gestraft. 18
12:18
Ps. 115:3
135:6
Omdat u heer en meester bent kunt u uw macht uitoefenen wanneer u dat wilt. Toch oordeelt u zachtmoedig en regeert u ons op milde wijze.

19

12:19
Wijsh. 11:23
Door zo te handelen hebt u uw volk geleerd dat rechtvaardigen menslievend moeten zijn; u geeft uw kinderen de hoop dat zondaars tot inkeer kunnen komen. 20Want als u degenen die uw kinderen vijandig bejegenen en die de dood verdienen al zo zorgvuldig en behoedzaam gestraft hebt, door hun de kans en de tijd te gunnen om zich van het kwaad te bevrijden, 21
12:21
Gen. 12:7
hoe groot was dan niet uw zorg toen u een oordeel velde over uw kinderen? Met hun voorouders had u immers verbonden gesloten, waarin u hun onder ede alle goeds had beloofd. 22
12:22
Wijsh. 11:10
Mat. 5:7
Terwijl u ons tuchtigt, geselt u onze vijanden in tienduizendvoud, opdat wij aan uw genade denken wanneer wij een oordeel vellen, en wanneer er een oordeel over ons wordt uitgesproken, barmhartigheid verwachten.

23

12:23
Wijsh. 11:16
Daarom hebt u ook degenen die een dwaas en onrechtvaardig leven leidden met hun eigen gruwelijkheden gekweld. 24
12:24
Wijsh. 11:15
Zij waren ver voorbij de bekende dwaalwegen toen ze de verachtelijkste dieren als goden gingen vereren. Ze hebben zich laten beetnemen als onnozele kinderen; 25daarom hebt u hun, als aan kinderen zonder verstand, een straf opgelegd die hen belachelijk maakte. 26Maar wie zich zelfs door zulke bespotting niet laat terechtwijzen, moet Gods rechtvaardig oordeel ondergaan. 27Gekweld door de wezens waarvan ze te lijden hadden, gestraft juist door wat ze voor goden aanzagen, zijn ze tot het inzicht en de erkenning gekomen dat hij, die ze eerder niet wilden kennen, God is. Met dat doel heeft deze vreselijke straf hen getroffen.

13

De dwaasheid van afgodendienst

131

13:1
Sir. 17:8
Rom. 1:19-20
Wie niet van God weet is een geboren dwaas. Zulke mensen zijn niet eens in staat om uit alle goede dingen die ze zien de Zijnde te kennen, of de maker te ontwaren in wat hij gemaakt heeft. 2
13:2
Deut. 4:19
17:3
Job 31:26-28
In plaats daarvan zien ze vuur of wind, of een windvlaag, een sterrenkring, onstuimig water of hemellichten aan voor goden die de wereld beheersen. 3Als zij, verrukt door hun schoonheid, deze dingen al tot goden verheffen, dan hadden ze toch moeten inzien hoezeer hij die over al die dingen heerst, ze te boven gaat. Alles is immers gemaakt door de schepper van de schoonheid. 4En als ze verbaasd staan over de kracht en de werking van die dingen, dan hadden ze daaruit toch moeten leren hoe groot de macht is van hem die ze gemaakt heeft. 5Uit de grootheid en de schoonheid van de schepping is immers af te leiden wie de schepper is. 6
13:6
Hand. 17:27
Toch moet over deze mensen niet al te hard geoordeeld worden, want misschien dwalen ze terwijl ze God zoeken en hem willen vinden. 7Ze zijn zo verdiept in het bestuderen van wat hij gemaakt heeft dat ze zich helemaal door het uiterlijk laten meeslepen, zo mooi is alles wat er te zien is. 8Desondanks zijn ze niet vrij te pleiten: 9als ze bij machte zijn om zo veel kennis op te doen dat ze de wereld kunnen doorvorsen, dan hadden ze hem die heerst over al die dingen toch allang moeten vinden?

10

13:10-19
Jes. 44:13-20
46:7
Jer. 10:3-5
Wijsh. 15:7-13
13:10
Deut. 4:28
2 Kon. 19:18
Jes. 40:18-20
Meelijwekkend zijn ook zij die hun hoop stellen in dode dingen en maaksels van mensenhanden tot god uitroepen, of het nu gouden of zilveren beelden zijn, afbeeldingen van levende wezens, of een nutteloos stenen voorwerp uit vroeger tijd.

11Neem bijvoorbeeld een timmerman die een geschikte boom heeft omgezaagd. Vakkundig verwijdert hij de hele schors, dan maakt hij er met al zijn vakmanschap een nuttig voorwerp van voor dagelijks gebruik. 12Het hout dat na dit werk overblijft gebruikt hij voor het koken van zijn eten, waaraan hij zich te goed doet. 13Uit het restant, waardeloos afval, neemt hij een krom stuk hout, een en al knoest, waarmee hij in zijn vrije tijd aan de slag gaat. Heel precies bewerkt hij het, in alle rust; hij geeft het vorm en maakt er een menselijke figuur van, 14of misschien iets dat lijkt op een of ander dier. Dan smeert hij het in met rode oker en maakt de hele buitenkant vuurrood; elk vlekje wordt erdoor bedekt. 15Hij maakt er een passende nis voor in de muur, en bevestigt het beeld met ijzers. 16

13:16-18
Br.Jer. 25-27
Zo wil hij voorkomen dat het omvalt, omdat hij beseft dat het niet in staat is zichzelf te helpen; het is immers een beeld, dat geholpen moet worden. 17
13:17
Jer. 2:27
Desondanks schrikt hij er niet voor terug tot dat levenloze ding te gaan bidden voor zijn bezit, zijn huwelijk en zijn kinderen. Hij roept iets zwaks aan voor zijn gezondheid, 18
13:18
Ps. 115:4-7
smeekt een dood ding om leven en vraagt het stompzinnigste om raad. Iets dat geen voet kan verzetten, vraagt hij om een voorspoedige reis, 19iets dat volslagen krachteloos is, om kracht, opdat hij middelen van bestaan, werk en voorspoed in zaken zal hebben.