Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101

10:1-2
Gen. 1:26-28
Zij was het die bescherming bood aan onze voorvader die als eerste op aarde, als eenling, geschapen werd. Zij redde hem toen hij had gezondigd, 2
10:2
Gen. 9:2
zij gaf hem macht om over alles te heersen. 3
10:3
Gen. 4:8-13
Maar de onrechtvaardige die zich in zijn woede van haar afkeerde, ging te gronde aan de drift waarin hij zijn broer vermoordde. 4
10:4
Gen. 6:1-8:22
Wijsh. 14:6-7
1 Petr. 3:20
En toen vanwege zijn daden de aarde overspoeld werd, was het weer de wijsheid die redding bracht. Zij loodste de rechtvaardige op een schamel stuk hout door de vloed. 5
10:5
Gen. 11:1-9
12:1-3
22:1-19
Zij was het ook die, toen er verwarring heerste onder de volken die zich in het kwaad hadden verenigd, de rechtvaardige opmerkte en beschermde, zodat hij in Gods ogen onberispelijk bleef. Zij zorgde ervoor dat hij standhield ondanks zijn liefde voor zijn zoon. 6
10:6-7
Gen. 19:1-29
10:6
2 Petr. 2:6-8
Zij was het die, terwijl de goddelozen ten onder gingen, de rechtvaardige redde door hem te laten vluchten voor het vuur dat op de Pentapolis neerkwam. 7
10:7
Deut. 32:32
Nog steeds ligt daar, als getuigenis van hun verdorvenheid, een rokende woestijn met planten die nooit-rijpende vruchten dragen, en met een zuil van zout ter herinnering aan de vrouw die niet geloofde. 8Door de wijsheid te veronachtzamen waren ze niet in staat om het goede te kennen. Ze hebben de wereld zelfs een herinnering aan hun dwaasheid nagelaten, zodat hun tekortkomingen niet onopgemerkt konden blijven. 9Maar de dienaren van de wijsheid zijn door haar uit de nood gered.

10

10:10
Gen. 27:42-43
30:43
Zij was het ook die de rechtvaardige de juiste weg wees toen hij vluchtte voor de woede van zijn broer. Ze liet hem Gods heerschappij zien en gaf hem inzicht in het heilige. Ze maakte zijn arbeid voorspoedig en vermenigvuldigde de vrucht van zijn inspanningen, 11ze stond hem terzijde tegenover zijn hebzuchtige onderdrukkers en maakte hem rijk. 12
10:12
Gen. 31:22-29
32:25-31
Hos. 12:4-5
Ze beschermde hem tegen zijn vijanden en beveiligde hem tegen zijn belagers. Ze besliste een zware strijd in zijn voordeel, zodat hij zou beseffen dat eerbied voor God alles overwint. 13
10:13
Gen. 37:1-36
39:1-18
Ps. 105:17-19
Zij was het ook die de rechtvaardige niet aan zijn lot overliet toen hij als slaaf verkocht was, maar hem redde van het kwaad. 14
10:14
Gen. 39:19-23
40:1-41:44
Ps. 105:20-22
Zij daalde met hem af in de kerker, ze liet hem niet alleen toen hij in de boeien geslagen was. Ten slotte bracht ze hem de koninklijke scepter en gaf hem macht over zijn onderdrukkers; wie hem belasterd hadden, ontmaskerde ze als leugenaars, maar hem schonk ze eeuwige roem.

15Zij was het die het vrome en onberispelijke volk redde uit een land waar het onderdrukt werd. 16

10:16
Ex. 7:1-12:51
Ps. 135:9
Ze nam haar intrek in de ziel van een man die de Heer diende, en met wonderen en tekenen trotseerde ze schrikwekkende vorsten. 17
10:17
Ex. 13:21-22
Ze gaf de heiligen het loon voor hun slavenarbeid en leidde hen langs een wonderbaarlijke weg. Overdag bood ze hun bescherming en ’s nachts ging ze hun voor als een vuur van sterren. 18
10:18
Ex. 14:21-29
Ze voerde hen door de Rode Zee, dwars door de watermassa, 19maar hun vijanden overspoelde ze. Ze braakte hun lijken vanuit de kolkende diepte weer uit, 20
10:20
Ex. 15:1-21
zodat de rechtvaardigen de goddelozen konden plunderen. Toen bezongen zij, Heer, uw heilige naam, eensgezind prezen zij uw reddende hand. 21
10:21
Ps. 8:3
Mat. 21:16
De wijsheid liet zelfs stommen meezingen, en uit kindermonden klonk een helder lied.

11

Water: zegen voor Israël, plaag voor Egypte

111

11:1
Deut. 18:15,18
Hos. 12:14
Alles wat zij ondernamen lukte door toedoen van een heilige profeet. 2Ze trokken door een onbewoonde woestijn en sloegen op onbetreden plaatsen hun tenten op. 3
11:3
Ex. 17:8-16
Num. 21:1-3
Ze boden weerstand aan hun vijanden en sloegen vijandelijke aanvallen af. 4
11:4
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
Toen ze dorst leden riepen ze u aan; ze kregen water uit een steenharde rots, hun dorst werd gelest uit ruwe steen. 5Wat diende om hun vijanden te bestraffen, was voor hen een weldaad toen ze in nood verkeerden. 6-7
11:6-7
Ex. 1:15-16
Terwijl bij die anderen, als straf voor de opdracht tot kindermoord, het altijd stromende water van de rivier door bloed besmet en vertroebeld werd, gaf u hun onverwacht water in overvloed. 8Door hen dorst te laten lijden liet u hun zien hoe u hun vijanden had gestraft. 9
11:9-10
Deut. 8:2-5
Wijsh. 12:22
Hebr. 12:6-7
Pas toen zij zelf op de proef werden gesteld, ook al was het met een milde straf, begrepen zij tot welke foltering het vonnis had geleid dat u in uw toorn over de goddelozen had geveld. 10Terwijl u hen als een vader terechtwees, had u over die anderen een hard vonnis uitgesproken, onverbiddelijk als een strenge vorst. 11Iedereen, ver weg of dichtbij, werd even zwaar getroffen. 12Een dubbel verdriet was hun deel, en de herinnering aan wat geweest was, deed hen diep zuchten. 13Want toen ze hoorden dat anderen voordeel hadden van hun straf, ontdekten ze daarin de hand van de Heer. 14
11:14
Ex. 2:3,14
Na alles wat er gebeurd was, moesten ze dus wel ontzag krijgen voor hem die destijds zomaar te vondeling was gelegd en die ze versmaad en verstoten hadden. Ze leden meer dorst dan de rechtvaardigen ooit hebben gekend.

Hoe God straft en waarom

15

11:15
Wijsh. 12:24-25
In hun onverstand en verdorvenheid dwaalden zij zozeer dat ze reptielen en ander ongedierte gingen vereren. U hebt hen voor straf onder zulke dieren bedolven, 16opdat ze zouden inzien: waardoor iemand zondigt, daardoor wordt hij gestraft. 17Het was geen onmacht van uw almachtige hand, die immers de wereld uit vormeloze materie heeft geschapen. U had een leger beren of grimmige leeuwen op hen kunnen afsturen, 18
11:18
Job 41:10-13
Op. 9:17
of nieuwgeschapen, ongekende beesten, woest en vuurspuwend, rookwolken blazend, met ogen die vreselijke vonken schieten, 19beesten die niet eens hoefden uit te halen om hen te doden, maar hen alleen al door hun verschrikkelijke aanblik te gronde zouden richten. 20
11:20
Job 4:9
28:25
Jes. 11:4
40:12
Sir. 1:9
Ook zonder dat alles hadden ze in één ogenblik kunnen bezwijken wanneer het recht hen zou vervolgen en uw machtige adem hen zou wegvagen. Maar u hebt van alles maat, getal en gewicht bepaald. 21
11:21
Jes. 40:26
U bent te allen tijde in staat uw macht te tonen; wie kan de kracht van uw arm weerstaan? 22
11:22
Jes. 40:15
Hos. 6:4
13:3
Heel de wereld is voor u als een stofje op een weegschaal, als een dauwdruppel die ’s ochtends op de aarde valt. 23
11:23
Wijsh. 12:10,19
Sir. 18:12
Rom. 2:4
3:25-26
Omdat u alles kunt, ontfermt u zich over iedereen; u ziet voorbij aan de zonden van mensen, opdat zij tot inkeer komen. 24
11:24
Gen. 1:31
Ps. 145:9
Alles wat er is hebt u lief, niets van wat u gemaakt hebt is u te min; u zou het niet eens gemaakt hebben als u er een afkeer van had. 25Hoe zou iets tegen uw wil kunnen blijven bestaan? Hoe zou iets kunnen voortbestaan als u het niet in het leven had geroepen? 26
11:26
Ezech. 18:23
33:11
U, Heer, hebt het leven lief en u spaart alles, omdat het van u is;

12

121

12:1
Gen. 2:7
in alles woont uw onvergankelijke geest. 2Daarom legt u aan hen die dwalen een beperkte straf op. U wijst hen terecht door hen te herinneren aan hun zonden, zodat ze, bevrijd van het kwaad, op u gaan vertrouwen, Heer.

3Ook de vroegere bewoners van uw heilige land 4

12:4-6
Deut. 18:10-11
12:4
Deut. 12:31
hebt u gehaat om hun gruwelijke praktijken, hun toverij en goddeloze rituelen. 5Daarom wilde u die wrede kindermoordenaars, mensen die ingewanden aten bij hun maaltijden van mensenvlees en bloed, ingewijden bij orgieën, 6ouders die hun hulpeloze kinderen slachtten, door onze voorouders laten ombrengen, 7
12:7
Deut. 11:12
zodat Gods kinderen op waardige wijze het land konden bewonen dat u zo dierbaar was. 8
12:8
Ex. 23:28
Maar zelfs die vroegere bewoners hebt u gespaard, omdat het mensen waren. U hebt horzels op hen afgestuurd als voorboden van uw leger, om hun ondergang geleidelijk aan te bewerkstelligen. 9
12:9
Wijsh. 11:17-19
Dat was niet uit onmacht: u had de goddelozen in een veldslag kunnen uitleveren aan de rechtvaardigen, hen aan angstaanjagende beesten kunnen overlaten, of hen met een enkel woord kunnen wegvagen. 10
12:10
Wijsh. 11:23
Rom. 2:4
Maar door de straf geleidelijk aan te voltrekken hebt u hun de kans gegeven om tot inkeer te komen, hoewel u wist dat het een verdorven geslacht was, dat het kwaad hun was aangeboren en dat hun denken nooit ofte nimmer zou veranderen. 11
12:11
Gen. 9:25
Wijsh. 3:12
Want dat volk was van meet af aan vervloekt.

Het was evenmin uit angst dat u hun zonden ongestraft liet. 12

12:12
Job 9:12,19
Rom. 9:19-23
Want wie zou u rekenschap kunnen vragen van uw daden? Wie kan uw vonnis aanvechten? Wie klaagt u aan als u volken vernietigt die u zelf hebt gemaakt? Wie pleit bij u voor verdorven mensen? 13
12:13
Deut. 32:39
Job 34:13
Buiten u is er geen god; u draagt zorg voor alle mensen. Tegenover wie zou u moeten verklaren dat u geen onrechtvaardig vonnis velt? 14Er is geen koning of machthebber die u kan trotseren wanneer u mensen straft. 15
12:15
Gen. 18:25
U bent rechtvaardig en u regeert rechtvaardig over alles. U acht het onverenigbaar met uw macht om iemand te bestraffen die geen straf verdient. 16
12:16
Ps. 145:9
Uw macht is de bron van uw rechtvaardigheid, en omdat u over alle mensen heerst, kunt u ook iedereen sparen. 17U toont uw macht wanneer de volkomenheid ervan in twijfel wordt getrokken; wie uw macht kent en u toch uitdaagt, wordt daarvoor gestraft. 18
12:18
Ps. 115:3
135:6
Omdat u heer en meester bent kunt u uw macht uitoefenen wanneer u dat wilt. Toch oordeelt u zachtmoedig en regeert u ons op milde wijze.

19

12:19
Wijsh. 11:23
Door zo te handelen hebt u uw volk geleerd dat rechtvaardigen menslievend moeten zijn; u geeft uw kinderen de hoop dat zondaars tot inkeer kunnen komen. 20Want als u degenen die uw kinderen vijandig bejegenen en die de dood verdienen al zo zorgvuldig en behoedzaam gestraft hebt, door hun de kans en de tijd te gunnen om zich van het kwaad te bevrijden, 21
12:21
Gen. 12:7
hoe groot was dan niet uw zorg toen u een oordeel velde over uw kinderen? Met hun voorouders had u immers verbonden gesloten, waarin u hun onder ede alle goeds had beloofd. 22
12:22
Wijsh. 11:10
Mat. 5:7
Terwijl u ons tuchtigt, geselt u onze vijanden in tienduizendvoud, opdat wij aan uw genade denken wanneer wij een oordeel vellen, en wanneer er een oordeel over ons wordt uitgesproken, barmhartigheid verwachten.

23

12:23
Wijsh. 11:16
Daarom hebt u ook degenen die een dwaas en onrechtvaardig leven leidden met hun eigen gruwelijkheden gekweld. 24
12:24
Wijsh. 11:15
Zij waren ver voorbij de bekende dwaalwegen toen ze de verachtelijkste dieren als goden gingen vereren. Ze hebben zich laten beetnemen als onnozele kinderen; 25daarom hebt u hun, als aan kinderen zonder verstand, een straf opgelegd die hen belachelijk maakte. 26Maar wie zich zelfs door zulke bespotting niet laat terechtwijzen, moet Gods rechtvaardig oordeel ondergaan. 27Gekweld door de wezens waarvan ze te lijden hadden, gestraft juist door wat ze voor goden aanzagen, zijn ze tot het inzicht en de erkenning gekomen dat hij, die ze eerder niet wilden kennen, God is. Met dat doel heeft deze vreselijke straf hen getroffen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]