Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

91

9:1-12
1 Kon. 3:6-9
2 Kron. 1:8-10
9:1
Sir. 42:15
Joh. 1:3
‘God van mijn voorouders, barmhartige Heer. U hebt door uw woord alles geschapen. 2
9:2
Gen. 1:26-28
Wijsh. 10:2
Door uw wijsheid hebt u de mens zo gemaakt dat hij over uw schepping zou heersen, 3dat hij de wereld rechtvaardig zou regeren, in vertrouwen op u, en dat hij oprecht zou vonnissen. 4
9:4
Sir. 1:1
Schenk mij de wijsheid die naast u troont, keur mij een plaats onder uw kinderen waardig. 5
9:5
Ps. 86:16
116:16
Ik ben immers slechts uw dienaar, de zoon van uw dienares. Ik ben een zwak mens, met een korte levensduur en een beperkt inzicht in recht en wetten. 6Maar zelfs als iemand een volmaakt mens zou zijn, dan nog is hij niets waard wanneer hij van uw wijsheid verstoken blijft.

7U hebt mij uitgekozen om koning van uw volk te zijn en rechter over uw zonen en dochters. 8

9:8
2 Sam. 7:13
1 Kon. 5:19
8:19
Sir. 47:13
U hebt mij de bouw opgedragen van een tempel op uw heilige berg, van een altaar in de stad waar u woont, naar het voorbeeld van de heilige tent die u al in het begin had ontworpen. 9
9:9
Spr. 8:27
Wijsh. 7:22
8:4
Bij u is de wijsheid, die uw werken kent en die erbij was toen u de wereld schiep. Zij weet wat u goedkeurt en wat met uw geboden in overeenstemming is. 10Zend haar hierheen vanuit de heilige hemel, van bij uw luisterrijke troon, om mij met raad en daad bij te staan, opdat ik weet wat u goed vindt. 11Zij weet en doorziet immers alles. Ze zal mij bedachtzaam leiden in mijn handelen, met haar luister zal zij mij behoeden. 12Zo zal alles wat ik doe u aangenaam zijn. Ik zal uw volk recht verschaffen en de troon van mijn vader waardig bekleden.

13

9:13
Jes. 40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Welke mens kent Gods bedoeling? Wie kan doorgronden wat de Heer wil? 14Armzalig is het denken van sterfelijke mensen, wisselvallig zijn onze overwegingen. 15
9:15
Job 4:19
Jes. 38:12
2 Kor. 5:1
2 Petr. 1:13-14
Ons vergankelijke lichaam drukt zwaar op de ziel, de aardse tent is een last voor de geest die rijk aan gedachten is. 16
9:16
Jes. 55:9
Joh. 3:12
En als we al nauwelijks kunnen bevatten wat er op aarde omgaat, en zelfs moeite hebben om te ontdekken wat onder handbereik is, wie kan dan doorgronden wat er in de hemel is? 17Wie kan uw bedoelingen kennen als u niet zelf wijsheid geeft en uw heilige geest naar beneden zendt?’

Van schepping tot uittocht

18

9:18
Bar. 4:4
Zo is het gegaan: de mensen op aarde werden op het rechte spoor geleid en ontvingen onderricht over wat u, Heer, goed vindt. De wijsheid heeft hen gered.

10

101

10:1-2
Gen. 1:26-28
Zij was het die bescherming bood aan onze voorvader die als eerste op aarde, als eenling, geschapen werd. Zij redde hem toen hij had gezondigd, 2
10:2
Gen. 9:2
zij gaf hem macht om over alles te heersen. 3
10:3
Gen. 4:8-13
Maar de onrechtvaardige die zich in zijn woede van haar afkeerde, ging te gronde aan de drift waarin hij zijn broer vermoordde. 4
10:4
Gen. 6:1-8:22
Wijsh. 14:6-7
1 Petr. 3:20
En toen vanwege zijn daden de aarde overspoeld werd, was het weer de wijsheid die redding bracht. Zij loodste de rechtvaardige op een schamel stuk hout door de vloed. 5
10:5
Gen. 11:1-9
12:1-3
22:1-19
Zij was het ook die, toen er verwarring heerste onder de volken die zich in het kwaad hadden verenigd, de rechtvaardige opmerkte en beschermde, zodat hij in Gods ogen onberispelijk bleef. Zij zorgde ervoor dat hij standhield ondanks zijn liefde voor zijn zoon. 6
10:6-7
Gen. 19:1-29
10:6
2 Petr. 2:6-8
Zij was het die, terwijl de goddelozen ten onder gingen, de rechtvaardige redde door hem te laten vluchten voor het vuur dat op de Pentapolis neerkwam. 7
10:7
Deut. 32:32
Nog steeds ligt daar, als getuigenis van hun verdorvenheid, een rokende woestijn met planten die nooit-rijpende vruchten dragen, en met een zuil van zout ter herinnering aan de vrouw die niet geloofde. 8Door de wijsheid te veronachtzamen waren ze niet in staat om het goede te kennen. Ze hebben de wereld zelfs een herinnering aan hun dwaasheid nagelaten, zodat hun tekortkomingen niet onopgemerkt konden blijven. 9Maar de dienaren van de wijsheid zijn door haar uit de nood gered.

10

10:10
Gen. 27:42-43
30:43
Zij was het ook die de rechtvaardige de juiste weg wees toen hij vluchtte voor de woede van zijn broer. Ze liet hem Gods heerschappij zien en gaf hem inzicht in het heilige. Ze maakte zijn arbeid voorspoedig en vermenigvuldigde de vrucht van zijn inspanningen, 11ze stond hem terzijde tegenover zijn hebzuchtige onderdrukkers en maakte hem rijk. 12
10:12
Gen. 31:22-29
32:25-31
Hos. 12:4-5
Ze beschermde hem tegen zijn vijanden en beveiligde hem tegen zijn belagers. Ze besliste een zware strijd in zijn voordeel, zodat hij zou beseffen dat eerbied voor God alles overwint. 13
10:13
Gen. 37:1-36
39:1-18
Ps. 105:17-19
Zij was het ook die de rechtvaardige niet aan zijn lot overliet toen hij als slaaf verkocht was, maar hem redde van het kwaad. 14
10:14
Gen. 39:19-23
40:1-41:44
Ps. 105:20-22
Zij daalde met hem af in de kerker, ze liet hem niet alleen toen hij in de boeien geslagen was. Ten slotte bracht ze hem de koninklijke scepter en gaf hem macht over zijn onderdrukkers; wie hem belasterd hadden, ontmaskerde ze als leugenaars, maar hem schonk ze eeuwige roem.

15Zij was het die het vrome en onberispelijke volk redde uit een land waar het onderdrukt werd. 16

10:16
Ex. 7:1-12:51
Ps. 135:9
Ze nam haar intrek in de ziel van een man die de Heer diende, en met wonderen en tekenen trotseerde ze schrikwekkende vorsten. 17
10:17
Ex. 13:21-22
Ze gaf de heiligen het loon voor hun slavenarbeid en leidde hen langs een wonderbaarlijke weg. Overdag bood ze hun bescherming en ’s nachts ging ze hun voor als een vuur van sterren. 18
10:18
Ex. 14:21-29
Ze voerde hen door de Rode Zee, dwars door de watermassa, 19maar hun vijanden overspoelde ze. Ze braakte hun lijken vanuit de kolkende diepte weer uit, 20
10:20
Ex. 15:1-21
zodat de rechtvaardigen de goddelozen konden plunderen. Toen bezongen zij, Heer, uw heilige naam, eensgezind prezen zij uw reddende hand. 21
10:21
Ps. 8:3
Mat. 21:16
De wijsheid liet zelfs stommen meezingen, en uit kindermonden klonk een helder lied.

11

Water: zegen voor Israël, plaag voor Egypte

111

11:1
Deut. 18:15,18
Hos. 12:14
Alles wat zij ondernamen lukte door toedoen van een heilige profeet. 2Ze trokken door een onbewoonde woestijn en sloegen op onbetreden plaatsen hun tenten op. 3
11:3
Ex. 17:8-16
Num. 21:1-3
Ze boden weerstand aan hun vijanden en sloegen vijandelijke aanvallen af. 4
11:4
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
Toen ze dorst leden riepen ze u aan; ze kregen water uit een steenharde rots, hun dorst werd gelest uit ruwe steen. 5Wat diende om hun vijanden te bestraffen, was voor hen een weldaad toen ze in nood verkeerden. 6-7
11:6-7
Ex. 1:15-16
Terwijl bij die anderen, als straf voor de opdracht tot kindermoord, het altijd stromende water van de rivier door bloed besmet en vertroebeld werd, gaf u hun onverwacht water in overvloed. 8Door hen dorst te laten lijden liet u hun zien hoe u hun vijanden had gestraft. 9
11:9-10
Deut. 8:2-5
Wijsh. 12:22
Hebr. 12:6-7
Pas toen zij zelf op de proef werden gesteld, ook al was het met een milde straf, begrepen zij tot welke foltering het vonnis had geleid dat u in uw toorn over de goddelozen had geveld. 10Terwijl u hen als een vader terechtwees, had u over die anderen een hard vonnis uitgesproken, onverbiddelijk als een strenge vorst. 11Iedereen, ver weg of dichtbij, werd even zwaar getroffen. 12Een dubbel verdriet was hun deel, en de herinnering aan wat geweest was, deed hen diep zuchten. 13Want toen ze hoorden dat anderen voordeel hadden van hun straf, ontdekten ze daarin de hand van de Heer. 14
11:14
Ex. 2:3,14
Na alles wat er gebeurd was, moesten ze dus wel ontzag krijgen voor hem die destijds zomaar te vondeling was gelegd en die ze versmaad en verstoten hadden. Ze leden meer dorst dan de rechtvaardigen ooit hebben gekend.

Hoe God straft en waarom

15

11:15
Wijsh. 12:24-25
In hun onverstand en verdorvenheid dwaalden zij zozeer dat ze reptielen en ander ongedierte gingen vereren. U hebt hen voor straf onder zulke dieren bedolven, 16opdat ze zouden inzien: waardoor iemand zondigt, daardoor wordt hij gestraft. 17Het was geen onmacht van uw almachtige hand, die immers de wereld uit vormeloze materie heeft geschapen. U had een leger beren of grimmige leeuwen op hen kunnen afsturen, 18
11:18
Job 41:10-13
Op. 9:17
of nieuwgeschapen, ongekende beesten, woest en vuurspuwend, rookwolken blazend, met ogen die vreselijke vonken schieten, 19beesten die niet eens hoefden uit te halen om hen te doden, maar hen alleen al door hun verschrikkelijke aanblik te gronde zouden richten. 20
11:20
Job 4:9
28:25
Jes. 11:4
40:12
Sir. 1:9
Ook zonder dat alles hadden ze in één ogenblik kunnen bezwijken wanneer het recht hen zou vervolgen en uw machtige adem hen zou wegvagen. Maar u hebt van alles maat, getal en gewicht bepaald. 21
11:21
Jes. 40:26
U bent te allen tijde in staat uw macht te tonen; wie kan de kracht van uw arm weerstaan? 22
11:22
Jes. 40:15
Hos. 6:4
13:3
Heel de wereld is voor u als een stofje op een weegschaal, als een dauwdruppel die ’s ochtends op de aarde valt. 23
11:23
Wijsh. 12:10,19
Sir. 18:12
Rom. 2:4
3:25-26
Omdat u alles kunt, ontfermt u zich over iedereen; u ziet voorbij aan de zonden van mensen, opdat zij tot inkeer komen. 24
11:24
Gen. 1:31
Ps. 145:9
Alles wat er is hebt u lief, niets van wat u gemaakt hebt is u te min; u zou het niet eens gemaakt hebben als u er een afkeer van had. 25Hoe zou iets tegen uw wil kunnen blijven bestaan? Hoe zou iets kunnen voortbestaan als u het niet in het leven had geroepen? 26
11:26
Ezech. 18:23
33:11
U, Heer, hebt het leven lief en u spaart alles, omdat het van u is;